Kauwend op haar lip overwoog ze naar Amys te stappen om te zeggen dat ze zich niet goed voelde. Niets ernstigs, enkel een bedorven maag, maar dat ze niet dacht vannacht de droom te kunnen bezoeken. Ze zouden na vannacht weer met hun lessen beginnen, maar... Weer een leugen en de uitvlucht van een lafaard. Ze wilde geen lafaard zijn. Niet iedereen kon zo dapper zijn als ieder ander, maar lafheid was verachtelijk. Wat er vannacht ook mocht gebeuren, ze moest het ferm onder ogen zien en dat was dat.
Vastbesloten legde ze de borstel neer, blies de lamp uit en kroop op haar slaapmat. Ze was zo moe dat het geen probleem was in slaap te vallen, al wist zij tegenwoordig wel hoe ze zich elk ogenblik in slaap kon krijgen, of een lichte droomtoestand kon oproepen waarin ze in de Dromenwereld kon zijn, en tegelijk kon praten, nou ja mummelen, met iemand die bij haar lichaam waakte. Voordat ze in slaap viel, was de verrassing dat haar maag niet meer opspeelde het laatste dat tot haar doordrong.
Ze stond in de grote hoge ruimte vol dikke zuilen van glanzend roodsteen. Het Hart van de Steen, in de Steen van Tyr. Boven haar hoofd hingen vergulde lampen aan kettingen. Ze waren niet aangestoken, maar er was uiteraard licht dat overal en nergens vandaan leek te komen. Amys en Bair waren er al en leken niet anders dan die ochtend, al fonkelden hun kettingen en armbanden iets meer dan het goud in werkelijkheid zou doen. Ze spraken rustig met elkaar en keken geërgerd. Egwene kon zo nu en dan een woord opvangen; ze hoorde ‘Rhand Altor’.
Plotseling besefte ze dat ze het witte kleed met de kleurenzoom van een Aanvaarde droeg. Op hetzelfde ogenblik had ze net zoiets als de kledij van de Wijzen aan, zonder de sieraden. Ze dacht niet dat de andere twee vrouwen het hadden opgemerkt, of zouden weten wat die kleren betekenden. Er waren tijden dat overgave minder verlies van ji betekende en minder toh verdiende dan een andere keus, maar iedere Aiel zou toch eerst de strijd aangaan.
‘Ze zijn weer laat,’ zei Amys grimmig en ze liep naar de lege plek onder de enorme koepel van de ruimte. In de vloertegels stak een zwaard dat van kristal leek, Callandor, een sa’angreaal voor mannen en een van de sterkste die ooit was gemaakt. Rhand had hem daar geplaatst, zodat de Tyreners hem niet zouden vergeten, alsof daarop ook maar enige kans bestond, maar Amys keek er amper naar. Voor anderen was het het Zwaard dat geen zwaard is en een teken van de Herrezen Draak, maar voor haar was dat de zorg van de natlanders. ‘We kunnen nu tenminste hopen dat ze niet zullen proberen net te doen of zij alles weten en wij niets. De vorige keer waren ze veel beter.’ Bair snoof zo verachtelijk dat Sorilea met haar ogen zou knipperen. ‘Ze zullen nooit beter worden. Ze kunnen op z’n minst toch wel zijn waar ze zeiden dat ze zouden zijn, toen ze zeiden...’ Ze zweeg plotseling toen aan de andere kant van Callandor zeven vrouwen verschenen.
Egwene kende hen, net als de jonge vrouw met de vastberaden blauwe ogen die ze eerder in Tel’aran’rhiod was tegengekomen. Wie was her? Amys en Bair hadden de anderen heel ijzig voorgesteld, maar nooit de zevende. Ze droeg een stola met blauwe franje; ze droegen allen de stola. Hun kleren veranderden elk ogenblik van stijl en snit, maar de stola’s flikkerden geen tel.
Onmiddellijk richtten de ogen van de Aes Sedai zich op Egwene. De Wijzen hadden er net zo goed niet kunnen zijn. ‘Egwene Alveren,’ zei Sheriam vormelijk, ’u wordt opgeroepen voor de Zaal van de Toren.’ Haar schuin staande groene ogen vonkten door een of ander onderdrukt gevoel. Egwene voelde haar maag omlaag zakken; ze wisten dat ze net had gedaan of ze een volleerd zuster was. ‘Vraag niet waartoe u wordt geroepen,’ zei Carlinya meteen na Sheriam, haar ijskoude stem benadrukte het vormelijke in de vraag nog sterker. ‘Het is aan u te antwoorden, niet te vragen.’ Om de een of andere reden had ze haar donkere haar kort geknipt. Dat soort kleinigheden leken Egwenes gedachten te overheersen. In ieder geval wilde ze liever niet nadenken over wat dit alles betekende. De vormelijke zinnen trilden in een statig ritme verder. Amys en Bair schoven hun omslagdoeken goed en fronsten, hun ergernis begon om te slaan in bezorgdheid.
‘Stel uw komst niet uit.’ Egwene had Anaiya altijd aardig gevonden, maar de vrouw met het open gezicht klonk even ferm als Carlinya en met al die vormelijke woorden niet veel warmer. ‘Het is aan u met spoed te gehoorzamen.’
De drie spraken samen: ‘Het is goed de oproep van de Zaal te vrezen. Het is goed om zonder vraag met spoed en in nederigheid te gehoorzamen. U wordt opgeroepen voor de Zaal van de Toren neer te knielen en hun oordeel te aanvaarden.’
Egwene probeerde haar ademhaling te beheersen, voldoende te beheersen om niet luid te hijgen. Wat was de straf voor wat ze had gedaan? Geen lichte, vermoedde ze, geen lichte als dit hele gedoe ermee gepaard ging. Ze staarden haar alle zeven aan. Ze probeerde iets in de gezichten van die Aes Sedai af te lezen. Zes van hen toonden een tijdloze plechtstatigheid, met mogelijk iets fels in hun ogen. De jonge Blauwe zuster leek even koel en kalm als iemand die al jaren Aes Sedai was, maar ze kon een licht tevreden glimlachje niet onderdrukken. Ze leken op iets te wachten, ik kom zodra ik kan,’ zei ze. Haar maag mocht dan ergens bij haar enkels zitten, met haar stem kon ze waardig blijven. Geen lafheid. Ze ging Aes Sedai worden. Als ze het hierna tenminste toestonden, ik weet echter niet hoe snel. Het is ver weg en ik weet niet precies waar Salidar is, enkel dat het ergens bij de Eldar ligt.’
Sheriam wisselde enkele blikken uit met de anderen. Haar gewaad ging van lichtblauwe zijde over in een donkergrijs rijgewaad. ‘We weten zeker dat er een manier is om de reis snel te maken. Als de Wijzen willen helpen. Siuan weet zeker dat je niet meer dan een dag of twee nodig hebt als je met je lichaam Tel’aran’rhiod betreedt...’
‘Nee,’ snauwde Bair tegelijk met Amys die zei: ‘We gaan haar zoiets niet bijbrengen. Het werd voor het kwaad gebruikt. Het is slecht en wie het doet verliest een deel van zichzelf.’
‘Dat weten jullie niet zeker,’ zei Beonin geduldig, ‘aangezien geen van jullie het blijkbaar heeft geprobeerd. Maar als jullie het kennen dan weten jullie hoe het gedaan kan worden. Misschien kunnen wij uitwerken wat jullie nog niet weten.’
Haar geduldige toontje viel precies verkeerd. Amys schoof haar doek goed en stond nog strakker en rechter dan anders. Bair plantte woest kijkend de vuisten in haar zij; zelfs haar tanden werden zichtbaar. Het volgende ogenblik zou er zo’n uitbarsting volgen, waarover de Wijzen hadden verteld. Ze zouden deze Aes Sedai enkele lesjes leren over wat in Tel’aran’rhiod gedaan kon worden door hun te tonen hoe weinig ze eigenlijk wisten. De Aes Sedai keken heel kalm terug, vol zelfvertrouwen. Hun stola’s bleven vast en stevig maar hun kleren veranderden even snel als Egwenes hartslag. Alleen die van de jonge Blauwe leken standvastiger en veranderden tijdens die lange stilte slechts één keer. Ze moest dit stoppen. Ze moest naar Salidar gaan en het zou zeker niet helpen als ze getuige van de vernedering van deze Aes Sedai zou zijn. ‘Ik weet hoe. Ik denk dat ik het kan. Ik ben bereid het te proberen.’ Als het niet ging, kon ze altijd nog te paard erheen. ‘Maar ik moet nog steeds weten waar. Beter weten dan ik nu doe.’ Amys en Bair richtten hun aandacht van de Aes Sedai op haar. Zelfs Carlinya en Morvrin konden die kille blikken niet evenaren. Egwenes hart daalde eveneens omlaag naar haar buik.
Sheriam begon meteen aanwijzingen te geven: zoveel span ten westen van dit dorp, zoveel roede ten zuiden van... Maar de jonge Blauwe schraapte de keel en merkte op: ‘Dit helpt wellicht beter.’ De stem klonk bekend, maar Egwene kon er geen gezicht aan verbinden. Wellicht had ze net iets meer beheersing over haar kleren dan de andere zes – de zacht groene zijde werd al pratend donkerblauw, de hoge geborduurde hals werd een kanten plooikraag in Tyreense stijl en een kapje van parels verscheen op het hoofd – maar ze wist wel iets van Tel’aran’rhiod. Opeens hing er naast de twee groepen een grote landkaart met een gloeiende rode punt waar in grote letters Cairhien stond, en een tweede rode punt die Salidar aangaf. De kaart werd groter en veranderde. Plots waren de bergen geen kronkellijnen meer, maar was de hoogte te zien, vertoonden de wouden verschillende tinten bruin en rood en glinsterden de rivieren als blauw water in het zonlicht. De kaart werd groter en groter tot die de hele zijkant van het Hart van de Steen verborg. Het leek of ze op de wereld neerkeken. Zelfs de Wijzen waren zo onder de indruk dat ze hun ongenoegen vergaten, tenminste tot het Tyreense gewaad van de jonge vrouw overging in gele zijde met een hals van zilverborduursel. De jonge vrouw lette echter niet op hen. Om de een of andere reden staarde ze de andere Aes Sedai uitdagend aan. ‘Prachtig, Siuan,’ zei Sheriam wat later.