Egwene knipperde met haar ogen. Het moest een vrouw zijn die ook zo heette. Deze jongere Siuan snoof, heel tevreden over zichzelf, en knikte kortaf wat haar ergens aan Siuan Sanche deed denken, maar dat was onmogelijk. Je probeert het slechts uit te stellen, maakte ze zich ferm duidelijk. ‘Dat is voor mij wel voldoende. Ik kan Salidar nu vinden en of ik wel of niet...’ Ze wierp een blik op Amys en Bair, die zoveel zwijgende afkeuring uitstraalden dat ze van een rots in de winter gevormd konden zijn. ‘Of ik er middels Tel’aran’rhiod wel of niet in het vlees kan komen. Hoe dan ook, ik beloof dat ik zo gauw mogelijk in Salidar zal zijn.’ De kaart verdween. Licht, wat gaan ze met me doen?
Haar mond wilde de woorden al vormen, maar Carlinya onderbrak haar scherp en was door en door vormelijk, zelfs nog meer dan eerst. ‘Vraag niet waartoe u wordt geroepen. Het is aan u te antwoorden, niet te vragen.’
‘Stel uw komst niet uit,’ zei Anaiya. ‘Het is aan u met spoed te gehoorzamen.’
De Aes Sedai keken elkaar aan en verdwenen zo snel dat Egwene zich min of meer afvroeg of zij dachten dat ze de vraag toch zou stellen. Waardoor ze nu alleen met Amys en Bair was, maar toen ze zich naar hen toe wendde, onzeker of ze zou beginnen met een uitleg, een verontschuldiging, of enkel een bede om begrip, verdwenen zij ook, waardoor ze in haar eentje achterbleef, omringd door de rood stenen zuilen, met Callandor glinsterend in het midden. Er bestonden binnen ji’e’toh geen verontschuldigingen.
Ze zuchtte bedroefd en stapte uit Tel’aran’rhiod in haar slapende lichaam.
Ze werd meteen wakker. Ontwaken wanneer je dat wilde, was een deel van de oefening van een droomloopster, evenals in slaap vallen wanneer je maar wilde. Ze had beloofd zo snel mogelijk te komen. Ze geleidde alle lampen aan. Ze had licht nodig. Met moeite deed ze alles bruusk, terwijl ze neerknielde naast een van de kleinere kisten tegen de zijwanden en haar kleren ging pakken die ze na haar komst in de Woestenij niet meer had gedragen. Een deel van haar leven was voorbij, maar ze ging er niet om huilen. Ze ging niet huilen.
Zodra Egwene was verdwenen, stapte Rhand achter een van de zuilen vandaan. Hij kwam hier soms om even naar Callandor te kijken. De eerste keer was geweest nadat hij van Asmodean had geleerd de said-instromen om te keren. Daarna had hij de vallen om de sa’angreaal zó veranderd dat alleen hij ze nog kon zien. Als je de Voorspellingen mocht geloven, zou de man die hem eruit trok hem ‘navolgen’. Hij wist niet zeker hoeveel hij ervan geloofde, maar het had geen zin slordig te worden.
Lews Therin rommelde ergens achter in zijn hoofd – dat deed hij altijd wanneer Rhand in de buurt van Tel’aran’rhiod kwam – maar vannacht had Rhand geen enkele belangstelling voor het kristallen zwaard. Hij staarde naar de plek waar de grote landkaart had gehangen, meer dan een landkaart uiteindelijk. Wat was dat voor plaats? Was het enkel toeval dat hij juist vannacht hierheen was getrokken en niet gisteren of morgen? Zo’n ta’verenverschuiving in het Patroon? Deed er niet toe. Egwene had de oproep heel gedwee aangenomen en dat zou ze nooit doen als die van Elaida en de Toren kwam. Salidar was de plaats waar haar geheimzinnige vrienden zich verborgen. Waar Elayne was. Ze hadden zichzelf aan hem overhandigd.
Lachend opende hij een poort naar de weerspiegeling van het paleis in Caemlin.
33
Moed voor kracht
Knielend in haar ondergoed bekeek Egwene fronsend haar donkergroene zijden rijkleding van de tocht naar de Woestenij, wat nu heel lang geleden leek. Ze moest zoveel doen. Ze had wat tijd genomen voor een haastig briefje en Cowinde op haar slaapplek gewekt met de opdracht dat de volgende ochtend in De Langeman af te geven. Er stond weinig meer in dan dat ze weg moest – ze wist ook niet meer – maar ze kon niet vertrekken zonder een berichtje aan Gawein. Enkele zinnen lieten haar bij de herinnering eraan blozen – schrijven dat ze van hem hield was tot daaraan toe, maar hem echt vragen te wachten! – niettemin had ze zo goed mogelijk aan hem gedacht. Nu diende ze zich klaar te maken en ze wist amper waarvoor. De voorflap van de tent werd teruggeslagen en Amys kwam binnen, gevolgd door Bair en Sorilea. Ze stelden zich naast elkaar op en keken op haar neer. Drie gezichten, strak van afkeuring. Het was heel moeilijk het kleed niet tegen haar aan te klemmen; in haar nachtgoed voelde ze zich in het nadeel. Het kwam doordat ze wist ongelijk te hebben. Het verbaasde haar dat ze de tijd hadden genomen om te komen. Ze haalde diep adem. ‘Als jullie hier zijn om me te straffen... Ik heb geen tijd om water aan te slepen of kuilen te graven of zoiets. Het spijt me, maar ik heb gezegd dat ik zo snel mogelijk zou komen en ik denk dat ze heel snel bedoelen.’
Amys’ lichte wenkbrauwen werden verbaasd hoog opgetrokken en ze keek Sorilea en Bair vragend aan. ‘Hoe zouden we je moeten straffen?’ vroeg Amys. ‘Met de oproep van je zusters kwam er een eind aan je leerlingschap. Je bent Aes Sedai en dient naar hen toe te gaan.’ Egwene kromp ineen en verborg dat door opnieuw de rijkleding te bekijken. Er zaten wonderlijk weinig kreukels in, nadat ze al die maanden opgerold in een kist hadden gelegen. Ze dwong zich hen weer aan te kijken, ik weet dat jullie boos op me zijn en dat is terecht...’
‘Boos?’ merkte Sorilea op. ‘We zijn niet boos. Ik dacht dat je ons beter kende.’ Ze klonk inderdaad niet boos, niettemin tekende een strakke beheersing ieders gezicht.
Egwene staarde van de een naar de ander, vooral naar Amys en Bair. ‘Maar jullie hebben me gezegd hoe verkeerd het is wat ik ga doen. Jullie zeiden dat ik er niet eens over moest denken. Ik zei dat ik het niet zou doen, maar daarna ben ik verdergegaan en heb bedacht hoe het kon.’
Tot haar verbazing ontbloeide er een brede glimlach op Sorilea’s gezicht. Tientallen armbanden kletterden toen ze voldaan haar omslagdoek goed trok. ‘Horen jullie dat? Ik heb je gezegd dat ze het zou begrijpen. Ze zou Aiel kunnen zijn.’
Iets van de strakheid verdween uit Amys’ gezicht, bij Bair ook, en Egwene begreep het. Ze waren niet kwaad dat ze wilde proberen om Tel’aran’rhiod in haar lichaam te betreden. In hun ogen was dat verkeerd, maar je moest doen wat je meende te moeten doen. Ook al lukte dat volledig, dan riep zoiets geen verplichting op, alleen voor jezelf. Eigenlijk helemaal niet kwaad, nog niet. Wat hen bedrukte, was haar leugen. Haar maag maakte vreemde bewegingen. Eén leugen had ze toegegeven. Misschien wel haar kleinste leugen. Ze moest nogmaals diep ademhalen om haar keel voor te bereiden op haar volgende woorden, ik heb ook over andere zaken gelogen. Ik ben alleen naar Tel’aran’rhiod gegaan, nadat ik had beloofd dat niet te doen.’ Het gezicht van Amys werd weer duister. Sorilea die geen droomloopster was, schudde bedroefd het hoofd, ik heb beloofd een gehoorzame leerlinge te zijn, maar toen jullie na mijn verwonding zeiden dat de Dromenwereld te gevaarlijk voor me was, ben ik toch gegaan.’ Bair sloeg uitdrukkingsloos haar armen over elkaar. Sorilea mompelde iets over dwaze wichten, maar het klonk niet echt fel. Voor de derde keer haalde ze diep adem. Haar maag speelde niet meer op, maar spande en ontspande zo hevig dat het haar verbaasde niet heen en weer geschud te worden. ‘Het ergste van alles is... Ik ben geen Aes Sedai, ik ben nog maar Aanvaarde. Jullie zouden me een leerlinge noemen. Het duurt nog vele jaren voor ik me Aes Sedai mag noemen, als ik het ooit nog word.’