Выбрать главу

Bij die woorden keek Sorilea fel op; haar smalle lippen waren een harde streep, maar nog steeds zeiden de vrouwen niets. Het was aan Egwene alles in orde te brengen. Het kon nooit meer worden als eerst, maar...

Je hebt alles toegegeven, fluisterde een klein stemmetje. Nu kun je maar beter uitzoeken hoe je het snelst in Salidar kunt komen. Nog steeds kun je op zekere dag tot Aes Sedai verheven worden, maar niet als je ze nog kwader maakt.

Egwene sloeg haar ogen neer en staarde naar de vele kleurige vloerkleden en voelde haar mond van afkeer vertrekken. Afkeer voor dat zachte stemmetje. En beschaamd dat het in haar hoofd hoorbaar was, zodat ze erover dacht. Ze zou vertrekken, maar eerst wilde ze alles in orde maken. Binnen ji’e’toh was dat mogelijk. Je deed wat je moest doen en betaalde dan de prijs ervoor. Lange maanden geleden had Aviendha haar getoond hoeveel een leugen je kostte. Ze schraapte elk vezeltje moed dat ze kon vinden bij elkaar, hoopte dat het genoeg zou zijn, legde het zijden gewaad opzij en stond op. Vreemd, ermee beginnen leek de rest gemakkelijker te maken. Ze moest haar ogen nog opslaan om hen aan te kijken, maar ze deed het trots, haar hoofd geheven en had in het geheel geen moeite met de woorden, ik heb toh.’ Haar maag fladderde niet meer. ‘Ik vraag om jullie welwillende hulp om aan mijn toh te voldoen.’ Salidar zou moeten wachten.

Mart steunde op zijn elleboog en keek aandachtig naar het slangen-en-vossenspel dat voor hem op de tentbodem was uitgezet. Nu en dan miste een druppel zweet die van zijn kin viel maar net het speelbord. Eigenlijk was het helemaal geen bord, enkel een lap rode stof waarop met zwarte inkt de lijnen waren getrokken en de pijlen die aangaven over welke lijnen je je slechts één kant op mocht verplaatsen en over welke beide kanten op. Tien schijfjes van een lichte houtsoort met een zwarte driehoek van inkt erop stelden de vossen voor, tien met een kronkellijn de slangen. Twee kaarsen aan beide kanten van het spel gaven voldoende licht.

‘Ditmaal winnen we, Mart,’ zei Olver opgewonden, ik weet dat we zullen winnen.’

‘Misschien,’ antwoordde Mart. Hun twee driehoekschijfjes waren bijna teruggeworpen tot de cirkel in het midden van het speelvlak, maar de volgende worp zou voor de slangen en vossen zijn. Meestal kwam je niet verder dan de buitenste rand. ‘Gooi de stenen.’ Hij raakte de beker zelf nooit aan, niet na de dag dat hij die aan de jongen had overhandigd. Als ze speelden, kon dat net zo goed zonder dat zijn geluk een handje hielp.

Grijnzend liet Olver de leren beker rammelen en gooide de houten dobbelstenen die zijn vader had gemaakt. Kreunend telde hij de stenen. Ditmaal toonden drie een driehoek en de andere drie een kronkellijn. Op hun beurt moest je de slangen en vossen naar je eigen stukken verplaatsen op de kortste afstand en als er een op het punt kwam waar je stond... Eén slang raakte Olvers stuk, een vos het stuk van Mart en hij voorzag reeds dat na het uitspelen van de andere ogen nog twee slangen hem zouden hebben bereikt.

Het was een kinderspel en als je je aan de regels hield, was winnen onmogelijk. Olver zou weldra oud genoeg zijn om dat te beseffen en het net als de andere kinderen niet meer spelen. Een spel voor kinderen, maar Mart had er een hekel aan als de vos hem te pakken kreeg, en zeker als slangen dat deden. Het bracht nare herinneringen boven, zelfs al had het een niets met het ander te maken.

‘Nou ja,’ mompelde Olver. ‘We hadden bijna gewonnen. Nog een spelletje, Mart?’ Hij wachtte niet op antwoord, maar maakte het teken waarmee je begon: een driehoek doorsneden door een kronkellijn, waarna hij de woorden zong: ‘Moed voor versterking, vuur voor verblinding, muziek voor verbijstering, ijzer voor binding. Mart, waarom zeggen we dat? Er is nergens vuur, muziek of ijzer.’ ik weet het niet.’ Ergens achter in zijn hoofd rakelde het zinnetje iets op, maar hij kon er niet opkomen. Die oude herinneringen vanwege de ter’angreaal hadden net zo goed volkomen willekeurig gekozen kunnen zijn – waarschijnlijk was dat ook zo – en bovendien bevatte zijn eigen geheugen vele zwarte gaten en nevelige plekken. De jongen had steeds van die vragen waarop hij geen antwoord wist en ze begonnen meestal met ‘waarom’.

Daerid dook uit de nacht op, kwam de tent in en keek verbaasd en geschrokken. Zijn gezicht glom van het zweet en hij had nog steeds zijn jas aan, al hing die open. Zijn laatste litteken vormde een rozige vore over de witte lijnen die kriskras over zijn gezicht liepen, ik denk dat het allang bedtijd is, Olver,’ merkte Mart op, en hij kwam overeind. Zijn wonden trokken wat, maar niet allemaal; ze genazen heel goed. ‘Berg het bord op.’ Hij ging vlak bij Daerid staan en fluisterde: ‘Als je dit ooit verder vertelt, snij ik je keel open.’

‘Waarom?’ vroeg Daerid droog. ‘Je begint een geweldige vader te worden. Hij lijkt merkwaardig veel op je.’ Hij leek een grijns te willen onderdrukken, maar die was bijna meteen verdwenen. ‘De Drakenheer komt naar het kamp,’ zei hij, zo ernstig als de dood.

Elke gedachte aan een stomp op Daerids neus verdween. Mart duwde de voorhang opzij en dook in hemdsmouwen de nacht in. Zes van Daerids mannen, in een kring rond de tent, verstrakten bij zijn verschijning. Kruisboogschutters; piekeniers zouden als lijfwacht niet veel nut hebben. Het was nacht maar nog niet donker in het kamp. De lichtgloed van een wassende driekwart maan in een wolkeloze hemel verdween bijna in het licht van de kampvuren tussen de tenten en de op de grond slapende mannen. Tot aan de palissade stonden om de twintig pas schildwachten. Mart had het liever niet, maar als een aanval zomaar uit de lucht kon komen vallen...

Het land was hier vrijwel vlak, dus had hij een goed zicht op Rhand, die op hem af schreed en niet alleen was. Twee gesluierde Aiel slopen op hun tenen achter hem aan en hun hoofden schoten opzij, wanneer een man van de Bond zich op zijn andere zij draaide of een wacht zijn voeten verzette om beter te zien. Aviendha beende naast hem mee, met een pak op haar schouders, alsof ze iedereen die haar voor de voeten liep zou aanvliegen. Mart snapte niet waarom Rhand haar bij zich duldde. Aielvrouwen betekenen slechts ellende, dacht hij grimmig, en nooit eerder heb ik een vrouw gezien die meer ellende kan veroorzaken dan die daar.

‘Is het echt de Herrezen Draak?’ vroeg Olver ademloos. Hij had het opgerolde spel tegen zijn borst geklemd en leek op en neer te springen. ‘Ja,’ zei Mart. ‘En nou naar bed. Dit is geen plek voor kleine jongens.’ Olver verdween en mopperde verwijten, maar liep slechts tot de volgende tent. Mart zag vanuit zijn ooghoeken hoe de jongen opzij schoot, waarna zijn gezicht weer zichtbaar werd toen hij om de hoek gluurde.

Mart liet het maar zo, hoewel hij zich na een tweede blik op Rhands gezicht afvroeg of dit wel een plek voor volwassenen was, laat staan voor jongens. Dat gezicht had een muur in kunnen slaan, maar iets van gevoel probeerde moeizaam door te breken. Opwinding of gretigheid misschien; in Rhands ogen lag een koortsachtig licht. Hij hield een lang opgerold perkament in zijn hand, terwijl de ander onbewust het zwaardgevest streelde. De gesp met de draken glinsterde in het licht van de vuren en soms gebeurde hetzelfde met een drakenkop die nu en dan onder zijn mouw zichtbaar was.

Toen hij bij Mart kwam, verspilde hij geen tijd aan een begroeting. ‘Ik moet met je praten. Alleen. Ik heb je nodig voor een klus.’ De nacht leek een zwarte oven, maar Rhand zweette geen druppel, hoewel hij een met goudborduursel versierde groene jas droeg. Daerid, Talmanes en Nalesean stonden half of slecht aangekleed enkele passen verderop toe te kijken. Mart gebaarde hen te wachten en knikte naar zijn tent. Rhand volgend voelde hij aan de zilveren vossenkop onder zijn hemd. Hij hoefde zich nergens zorgen over te maken. Hij hoopte tenminste van niet.