‘Ik zal haar behandelen als mijn eigen zus.’ Zijn zussen hadden hun best gedaan hem een rotleven te bezorgen. Nou ja, hij verwachtte van Elayne hetzelfde, misschien op een andere manier. Wellicht was het met Aviendha een tikkeltje beter. ‘Ik hou haar in het oog tot ik haar in het koninklijk paleis afzet.’ En als ze te vaak vrouw Poeha speelt, geef ik haar een schop onder haar koninklijke billen! Rhand knikte. ‘Dat doet me ergens aan denken. Bodewhin is in Caemlin. Met Verin en Alanna en nog wat andere meisjes uit Tweewater. Ze zijn onderweg naar hun opleiding voor Aes Sedai. Ik weet niet zeker waar ze die zullen krijgen. Ik laat hen zeker niet naar de Toren gaan, zoals het er nu voor staat. Misschien kunnen de Aes Sedai die jij mee terugneemt voor hen zorgen.’
Marts mond viel open. Zijn zus, Aes Sedai? Bode, die altijd bij mama klikte wanneer hij iets leuks aan het doen was? ‘Nog iets,’ vervolgde Rhand. ‘Egwene kan vóór jou in Salidar aankomen. Ik denk dat ze op de een of andere manier hebben ontdekt dat ze zich Aes Sedai noemt. Doe wat in je vermogen ligt om haar te helpen. Zeg haar ook dat ik haar, zodra ik kan, bij de Wijzen terug zal brengen. Ze zal waarschijnlijk heel graag mee willen komen. Misschien ook niet; je weet hoe koppig ze kan zijn. Het voornaamste is Elayne. Denk eraan, blijf bij haar tot ze in Caemlin is.’
‘Dat beloof ik,’ mompelde Mart. Bij het Licht, hoe kon Egwene ergens aan de Eldar zitten? Hij wist zeker dat ze in Cairhien was bij zijn vertrek uit Maerone. Wellicht had ze Rhands kunstje met die poorten voor zichzelf uitgewerkt. In dat geval kon ze elke keer terugspringen als ze dat verkoos. Of naar Caemlin springen en tegelijk voor hem en de Bond een poort maken. ‘Maak je ook geen zorgen over Egwene. Ik haal haar uit alle moeilijkheden, welke dan ook, al gedraagt ze zich zo koppig als een muilezel.’ Het zou niet voor het eerst zijn dat hij voor haar de kastanjes uit het vuur haalde voor ze verbrandden. Heel waarschijnlijk zou er ditmaal ook geen bedankje af kunnen. Dus Bode werd Aes Sedai! Bloedvuur en bloedas!
‘Goed,’ zei Rhand. ‘Goed.’ Hij bleef echter gespannen naar de kaart kijken. Met moeite keek hij op en heel even meende Mart dat hij iets tegen Aviendha wilde zeggen. In plaats daarvan wendde hij zich ruw van haar af. ‘Het kan zijn dat Thom Merrilin bij Elayne is.’ Rhand haalde een brief uit zijn zak, gevouwen en verzegeld. ‘Zorg dat hij deze ontvangt.’ Hij duwde hem in Marts handen en verliet haastig de tent.
Aviendha deed een stap, hief haar hand half op en wilde wat zeggen. Maar even plotseling sloot ze ferm de lippen, verstopte haar handen in haar rok en kneep haar ogen dicht. Dus uit die hoek waaide de wind? Bovendien wil ze met Elayne praten. Hoe was het Rhand ooit gelukt zo in de stront te komen? Rhand die altijd wist hoe hij met meisjes moest omgaan. Hij en Perijn.
Maar dat was zijn zorg niet. Hij draaide de brief om en om. Een vrouw had er Thoms naam op geschreven. Hij herkende het zegel niet, een uitwaaierende boom onder een kroon. Welke edelvrouw wilde een taaie oude man als Thom een brief schrijven? Ook dat was zijn zorg niet. Hij gooide hem op de tafel, pakte zijn pijp en tobakszak. ‘Olver,’ zei hij de kop met tobak vullend, ‘vraag Talmanes, Nalesean en Daerid hier te komen.’
Vlak buiten de tentflap klonk wat gepiep, vervolgens ‘Ja, Mart’, en het geluid van rennende voeten.
Aviendha keek hem aan en sloeg haar armen vastberaden over elkaar. Hij was haar voor. ‘Zolang je met de Bond meetrekt, sta je onder mijn bevel. Ik wil geen problemen en reken erop dat jij zorgt dat die er niet komen.’ Als ze ook maar iets waagde, leverde hij haar in een zadeltas bij Elayne af, al zou het tien man kosten om dat klaar te spelen. ‘Ik weet hoe ik moet volgen, krijgshoofd.’ Ze benadrukte het met een scherp gesnuif. ‘Maar je hoort te weten dat niet alle vrouwen zo zacht zijn als een natlander. Als je een vrouw tegen haar wil op een paard dwingt, steekt ze je misschien een mes tussen de ribben.’ Mart liet zijn pijp bijna vallen. Hij wist dat de Aes Sedai geen gedachten konden lezen – als dat wel zo was, dan hadden ze hem allang gevild en zijn huid aan de muren van de Witte Toren te looien gehangen – maar de Wijzen van de Aiel... Natuurlijk niet. Het is gewoon zo’n vrouwenkunstje. Hij kon wel bedenken hoe ze dat deden, als hij goed nadacht. Maar hij vond het niet belangrijk genoeg om zich mee bezig te houden.
Hij schraapte zijn keel, stak de onaangestoken pijp tussen zijn tanden en boog zich over de kaart. De Bond kon zelfs in dat bosachtige terrein vanuit dat open gebied binnen een dag in Salidar zijn, als hij alles op alles zette. Maar hij was van plan twee, mogelijk drie dagen te gebruiken. Voor een waarschuwing aan de Aes Sedai ruimschoots voldoende. Hij wilde ze niet nog meer vrees aanjagen. Een bevreesde Aes Sedai was bijna een tegenspraak op zichzelf. Zelfs met die penning op zijn borst wilde hij niet graag uitvinden wat een bange Aes Sedai allemaal kon.
Hij voelde hoe Aviendha hem opnam en hoorde een schrapend geluid. Ze zat in kleermakerszit tegen de zijwand van de tent, scherpte haar riemmes aan een wetsteen en keek hem aan.
Toen Nalesean met Daerid en Talmanes binnenkwam, begroette hij hen met: ‘We gaan enkele Aes Sedai onder de kin kietelen, een koppige ezelin redden en een nuffige griet op de Leeuwentroon zetten. O ja, dit is Aviendha. Kijk haar niet knorrig aan, anders snijdt ze je keel open en onthalst zichzelf daarbij misschien per ongeluk.’ De vrouw lachte alsof hij het leukste grapje ter wereld had gemaakt, maar ging wel door met het wetten van haar mes.
Heel even begreep Egwene niet waarom de pijn niet erger werd. Toen duwde ze zich van de tapijten in haar tent op en ging staan, zo hard snikkend dat ze beefde. Ze wilde graag haar neus snuiten. Ze wist niet hoe lang ze zo hard had liggen huilen; ze wist alleen dat ze zich van haar heupen tot haar knieholten in brand voelde staan. Stilstaan was zo moeilijk dat ze het amper kon. Haar nachtgoed, dat een schamele bescherming zou bieden, was enige tijd terug al opzij gegooid. De tranen stroomden over haar wangen.
Sorilea, Amys en Bair keken haar nuchter aan en zij waren niet de enigen, hoewel de meesten op kussens zaten of languit lagen te praten en te genieten van de thee die hen door een slanke gai’shain werd aangeboden. Het Licht zij dank, was het een vrouw. Het waren allen vrouwen, Wijzen en leerlingen, de vrouwen tegen wie Egwene had gezegd dat ze Aes Sedai was. Ze was dankbaar dat anderen in die overtuiging laten, niet telde; dat zou ze niet overleefd hebben! Het was het zeggen, de uitgesproken leugen, maar er waren verrassingen geweest. Cosain, een magere hoogblonde Wijze van de Graatrugsibbe van de Miagoma, had ruw gezegd dat Egwene geen toh aan haar had, maar dat ze bleef voor de thee, en Estair had hetzelfde gezegd. Aeron daarentegen leek haar in tweeën te willen snijden en Surandha...
Egwenes ogen probeerden de waas van tranen weg te knipperen. Ze keek naar Surandha die met de drie Wijzen zat te babbelen en zo nu en dan Egwenes kant opkeek. Surandha was volkomen genadeloos geweest. Niet dat een van de anderen het haar gemakkelijk had gemaakt. De riem die Egwene in een van haar kisten had gevonden, was dun en soepel, maar tweemaal zo breed als haar hand en deze vrouwen hadden sterke armen. Ruim een handvol slagen van ieder van hen was bij elkaar heel wat.
Egwene had zich nog nooit zo geschaamd. Niet omdat ze naakt was, een rood hoofd had en huilde als een klein kind. Nou ja, het huilen had ermee te maken. Niet omdat iedereen die niet aan de beurt was bij de slagen had toegekeken. Ze schaamde zich vooral dat ze het zo slecht verdroeg. Een Aielkind zou veel minder hebben laten merken. Nou ja, een kind zou zoiets nooit worden aangedaan, maar daar kwam het eenvoudig gezegd wel op neer.
‘Is het gedaan?’ Was die gesmoorde, bevende stem van haar? Wat zouden deze vrouwen lachen als ze wisten met hoeveel moeite ze haar moed bij elkaar had kunnen schrapen.