Выбрать главу

‘Alleen jij kent de waarde van je eer,’ zei Amys vlak. Ze liet de riem langs haar rok bungelen waarbij ze de brede gesp als handvat gebruikte. Het gemompel van de anderen verstierf.

Egwene haalde tussen het gesnik lang en bevend adem. Ze hoefde slechts te zeggen dat het gedaan was en dan was het ook afgelopen. Ze had na één klap van iedere vrouw ‘het is genoeg’ kunnen zeggen. Ze kon...

In elkaar krimpend knielde ze neer en strekte zich weer op de tapijten uit. Haar handen voelden onder de rok naar Bairs bottige enkels in de zachte laarzen. Deze keer zou ze zeker de tanden op elkaar zetten. Deze keer zou ze het niet uitschreeuwen. Deze keer zou ze niet schoppen, rondwentelen of... De riem had haar nog niet geraakt. Ze hief het hoofd en keek knipperend met haar ogen op. ‘Waar wacht je op?’ Haar stem beefde nog steeds, maar er klonk ruimschoots boosheid in door. Haar naast dit alles ook nog laten wachten?! ik moet vannacht op reis, voor het geval jullie het vergeten zijn. Ga door.’

Amys gooide de riem naast Egwenes hoofd neer. ‘Deze vrouw heeft geen toh jegens mij.’

‘Deze vrouw heeft geen toh jegens mij.’ Dat was de ijle stem van Bair. ‘Deze vrouw heeft geen toh jegens mij,’ zei Sorilea krachtig. Ze bukte zich en streek het vochtige haar uit Egwenes gezicht, ik wist dat je in je hart een Aielse bent. Wees nu niet al te trots, meisje. Je hebt voldaan aan je toh. Sta op, voordat we denken dat je opschept.’ Waarna iedereen haar overeind hielp, haar omhelsde en haar tranen wegveegde. Ze gaven haar een doekje zodat ze eindelijk haar neus kon snuiten. De andere vrouwen kwamen erbij. Iedereen zei dat deze vrouw geen toh jegens haar had, voor ze hun eigen omhelzingen en glimlachjes eraan toevoegden. Die glimlachjes waren het schokkendst. Surandha schonk haar als vanouds de stralendste. Natuurlijk. Toh bestond niet meer, nadat die was nagekomen; de aanleiding evenmin. Het deel van Egwene dat niet in ji’e’toh was gehuld, bedacht dat het plat op de grond gaan liggen en haar woorden ook hadden geholpen. Misschien had ze het aanvankelijk niet zo onverschillig als een Aielse onder ogen gezien, maar uiteindelijk had Sorilea wel gelijk. In haar hart was Egwene een Aielse geweest. Ze dacht dat een deel van haar hart altijd Aiels zou zijn.

De Wijzen en de leerlingen gingen langzaam weg. Gewoonlijk hoorden ze te blijven, de rest van de avond of nog langer, waarbij met Egwene veel gelachen en gepraat zou worden, maar dat was slechts de gewoonte, geen ji’e’toh. Met hulp van Sorilea lukte het haar iedereen ervan te overtuigen dat ze geen tijd had. Ten slotte bleven alleen zij, Sorilea en de andere twee droomloopsters over. Na alle omhelzingen en glimlachjes kwamen haar tranen nog maar traag, en hoewel haar lippen ondanks al haar inzet nog steeds trilden, kon ze glimlachen. Eigenlijk wilde ze weer gaan huilen, maar nu om een andere reden. Deels om een andere reden; ze leek in vuur en vlam te staan, ik zal jullie allemaal zo verschrikkelijk missen.’

‘Onzin,’ snoof Sorilea nadrukkelijk. ‘Als je geluk hebt, zullen ze jou vertellen dat je nu nooit meer Aes Sedai kunt worden. Dan kom je bij ons terug en word je mijn leerlinge. Over een jaar of drie, vier heb je je eigen veste. Ik weet zelfs al een man voor je: Taric, de jongste kleinstzoon van mijn kleinstdochter Amaryn. Ik vermoed dat hij op een dag stamhoofd wordt, dus mag je uitkijken naar een zustergade die zijn dakvrouwe kan worden.’

‘Dank je,’ lachte Egwene. Het leek of ze hierop kon terugvallen als de Zaal in Salidar haar wegstuurde.

‘En Amys en ik zullen in Tel’aran’rhiod met je praten,’ zei Bair, ‘en je alles van hier en van Rhand Altor vertellen. Je zult je eigen pad gaan in de Dromenwereld, maar als je dat wenst, wil ik je nog wel lesgeven.’

‘Dat wil ik.’ Als de Zaal haar in de buurt van Tel’aran’rhiod liet komen. Aan de andere kant: ze konden haar niet buitensluiten. Wat ze verder ook deden, dat konden ze niet. ‘Hou alsjeblieft een waakzaam oog op Rhand en de Aes Sedai. Ik weet niet wat zijn plannen zijn, maar ik weet zeker dat ze gevaarlijker zijn dan hij aanneemt.’ Amys zei natuurlijk niets over verdere lessen. Ze had haar woord gegeven over hoe het verder zou gaan en zelfs je toh nakomen wiste dat niet uit. In plaats daarvan zei ze: ik weet dat het Rhuarc zal spijten dat hij er vanavond niet bij kon zijn. Hij is naar het noorden om zelf naar de Shaido te kijken. Wees niet bang dat jouw toh jegens hem onvervuld zal blijven. Hij zal je de gelegenheid geven wanneer jullie elkaar weer ontmoeten.’

Egwenes mond viel open en verborg dat door haar neus te snuiten, wat wel de tiende keer leek te zijn. Ze was Rhuarc helemaal vergeten. Natuurlijk bestond er geen enkele reden dat ze haar verplichting jegens hem op dezelfde manier moest nakomen. Haar hart was dan wel voor een stukje Aiels, maar heel even zocht haar geest verbeten naar een andere manier. Er moest er een bestaan. En ze zou voor hun volgende ontmoeting ruimschoots de tijd krijgen, ik zal er dankbaar voor zijn,’ zei ze zwakjes. En Melaine was er ook nog. En Aviendha. Licht! Ze had gedacht dat het achter de rug was. Ze bleef maar met haar voeten schuifelen, hoe hard ze ook probeerde die stil te houden. Er moest een andere manier zijn.

Bair wilde wat zeggen maar Sorilea maande haar te zwijgen. ‘Geef haar de kans zich aan te kleden. Ze gaat op reis.’ Bairs magere nek verstijfde en Amys’ mondhoeken trokken omlaag. Blijkbaar vonden ze het nog altijd heel slecht wat Egwene ging proberen. Misschien wilden ze blijven en haar ompraten, maar Sorilea begon wat binnensmonds te praten over dwazen die een vrouw tegenhielden die haar eigen weg wilde gaan. De jongere twee vrouwen trokken hun omslagdoek strak – Bair moest zeventig of tachtig zijn, maar was zeker jonger dan Sorilea -, namen met een omhelzing afscheid van Egwene en liepen met een gemompeld ‘moge je altijd water en schaduw vinden’ de tent uit.

Sorilea wachtte nog even. ‘Denk aan Taric. Ik had hem een keer in de zweettent moeten vragen, zodat je hem had kunnen zien. Maar denk erover tot dat gebeurt. We zijn altijd banger voor wat we graag willen zijn, maar kunnen altijd dapperder zijn dat we verwachten. Volg je hart, dan kunnen zelfs de Aes Sedai wat echt van jou is, namelijk je hart, geen pijn doen. Ze staan niet zo ver boven ons als we hebben aangenomen. Moge je altijd water en schaduw vinden, Egwene. En volg je hart.’

Egwene bleef alleen achter en staarde een tijdlang nadenkend in het niets. Haar hart. Misschien bezat ze meer moed dan ze dacht. Ze had gedaan wat ze hier moest doen; ze was een Aielse geweest. Ze zou het in Salidar nodig hebben. De werkwijze van de Aes Sedai verschilde in sommige opzichten van die van de Wijzen, maar ze zouden het haar niet gemakkelijk maken als ze wisten dat ze zich voor Aes Sedai had uitgegeven. Als ze dat wisten. Ze kon zich niet voorstellen waarom ze haar anders zo kil opriepen, maar een Aiel gaf zich niet over voor de dans was gedaan.

Geschrokken kwam ze weer met beide benen in de werkelijkheid terug. Als ik me pas na mijn gevecht overgeef, dacht ze wrang, kan ik de strijd net zo goed nu oppakken.

34

Naar Salidar

Egwene waste haar gezicht. Tweemaal. Toen pakte ze haar zadeltassen op en begon in te pakken. Haar ivoren kam, borstel en spiegel, en haar naaidoosje, een fijn gouden kistje dat vroeger vermoedelijk de sieraden van een vrouwe had bevat. Tevens een witte ronde zeep die naar rozen rook, schone kousen, ondergoed, schoonmaakdoekjes en nog vele andere zaken, tot de leren zijtassen uitpuilden en ze de flappen nauwelijks omlaag kreeg. Verschillende gewaden, mantels en haar omslagdoek bleven over. Ze maakte er een pak van dat ze netjes met een koord dichtbond. Daarna keek ze rond of er nog iets was om mee te nemen. Het was allemaal van haar. Zelfs de tent was een geschenk, maar zeker veel te groot, evenals de tapijten en de kussens. Haar kristallen wasbak was prachtig, maar te zwaar. Dat gold ook voor de kisten, hoewel verschillende mooi bewerkt beslag en fraai houtsnijwerk bezaten.

Toen pas, terwijl ze aan de verpakkingen van al die dingen dacht, besefte ze dat ze het moeilijkste probeerde uit te stellen. ‘Moed,’ zei ze droogjes. ‘Aielhart.’