Выбрать главу

Het bleek heel goed mogelijk om staande kousen aan te trekken, zolang ze het niet erg vond wat rond te huppen. Stevige schoenen volgden, goed voor als ze lang moest lopen, en daarna zijden ondergoed, wit en zacht. Ten slotte het donkergroene rijkleed met de smalle rokken. Jammer genoeg sloot dat behoorlijk strak om haar heupen waardoor ze er onnodig aan herinnerd werd dat ze een tijdlang minder graag zou willen zitten.

Het had geen zin naar buiten te gaan. Bair en Amys waren waarschijnlijk in hun eigen tent, maar ze was niet van plan de kans te lopen dat een van hen hierbij misschien een toeschouwster zou zijn. Het zou zijn of ze hun een klap gaf. Als het tenminste werkte. Zo niet, dan had ze nog een lange tocht voor zich.

Ze wreef zenuwachtig haar vingers over de handpalm, omhelsde saidar en liet het haar vervullen. Ze schuifelde met haar voeten. Saidar zorgde ervoor dat je alles scherper voelde, waaronder je eigen lichaam, waar ze op dat ogenblik geen behoefte aan had. Het uitproberen van iets nieuws, iets dat niemand voor zover zij wist ooit had geprobeerd, behoorde langzaam en zorgvuldig te gebeuren, maar ditmaal wilde ze de Bron best snel afstoten. Ze geleidde bruusk en op de juiste manier de stromen Geest.

Midden in de tent schemerde de lucht langs haar weefsel en hulde de andere kant in mist. Als ze gelijk had, had ze nu een plek geschapen waar de binnenkant van haar tent zo gelijk was aan de weerspiegeling ervan in Tel’aran’rhiod dat er daar geen enkel verschil bestond. De een was de ander. Maar er bestond slechts één manier om daar zeker van te zijn.

Ze gooide de zadeltassen over haar schouder, nam het pak onder de andere arm en stapte door het weefsel heen waarna ze saidar losliet. Ze was in Tel’aran’rhiod. Ze hoefde slechts naar de lampen te kijken, die niet brandden terwijl er toch een soort licht was. De dingen veranderden ietwat tussen de eerste blik en de volgende; de wastafel, een kist. Ze was in haar lichaam in Tel’aran’rhiod en het voelde niet anders dan in een droom.

Ze dook naar buiten. Een wassende maan scheen op het tentenkamp, waar geen vuren brandden en niemand bewoog, en scheen op Cairhien dat vreemd ver weg leek en gehuld was in de schaduw. Nu restte alleen het probleem echt in Salidar te komen. Ze had erover nagedacht. Er hing veel vanaf of ze hier in het vlees de Dromenwereld net zo goed beheerste als wanneer ze er in haar droom deel van uitmaakte.

Wat ze wilde aantreffen, zette ze vast in haar gedachten. Ze liep om de tent heen... en glimlachte. Daar stond Bela, de kleine ruigharige merrie, waarmee ze een leven geleden uit Emondsveld was weggereden. Slechts een droom-Bela, maar de dappere merrie gooide zijn snuit op en hinnikte bij het zien van Egwene.

Egwene liet haar pakken vallen en sloeg haar armen om de paardenhals. ik ben ook blij je weer te zien,’ fluisterde ze. Het donkere vochtige oog dat haar aankeek, was dat van Bela, spiegeling of niet. Bela droeg het zadel met de hoge boog, dat ze zich ook had ingebeeld. Meestal gemakkelijk voor een lange reis, maar zeker niet zacht. Egwene nam het ding achterdochtig op en vroeg zich af hoe het eruit zou zien met opvulsel. In Tel’aran’rhiod kon je alles veranderen als je wist hoe, zelfs jezelf. Als ze het zo goed beheerste dat ze zelfs Bela kon maken... Ze schonk haar eigen lichaam alle aandacht. Glimlachend maakte ze de zadeltassen vast en bond het pak achter het zadel, waarna ze opsteeg en het zich gemakkelijk maakte. ‘Het is geen bedrog,’ zei ze tegen de merrie. ‘Ze zullen niet van me verwachten dat ik zo de hele weg naar Salidar afleg.’ Nou ja, als ze er goed over nadacht, misschien ook wel. Desondanks, Aielhart of niet, alles had zijn grenzen. Ze wendde Bela en spoorde de merrie zacht aan. ik moet er zo snel mogelijk zijn, dus zul je als de wind moeten draven.’ Voor ze kon grijnzen over het beeld van de plompe, als de wind galopperende Bela deed de merrie dat. Het landschap vervaagde en scheerde voorbij. Heel even klemde Egwene zich met open mond aan de zadelknop vast. Het was of ze met elke stap van Bela spannen verder kwamen. Bij de eerste kreeg ze een tel om te beseffen dat ze op de rivieroever ten zuiden van de stad waren, met schepen die tussen de maanstralen op het donkere water dreven. Terwijl ze aan de teugels wilde trekken om te voorkomen dat Bela halsoverkop de rivier in sprong, waren ze met de volgende stap tussen de struiken van het heuvelland.

Egwene gooide haar hoofd in de nek en lachte. Dit was prachtig! Afgezien van het vervagen voelde het niet echt als een snelle rit. Haar haren kregen amper de tijd om in de wind naar achter te fladderen, waarna de volgende stap reeds werd gezet. Beia’s draf voelde als hetzelfde sukkeldrafje dat ze zich herinnerde, maar dat snelle verspringen was uitputtend. Nu eens een dorpsstraat, maanduister en stil, dan weer een landweg die zich door de heuvels slingerde, vervolgens een weiland waar het droge gras bijna tot Beia’s schoft reikte. Egwene bleef alleen nu en dan staan om de richting te bepalen – wat helemaal niet moeilijk was met die prachtige landkaart van Siuans naamgenoot in haar hoofd – en liet Bela dan doordraven. In de nacht verschenen en verdwenen in een waas dorpen, stadjes, grote steden... Een ervan, met zilverwitte muren, was vast en zeker Caemlin. Eenmaal verscheen in beboste heuvels heel onverwachts het hoofd en de schouders van een geweldig standbeeld vlak naast Bela, zodat Egwene bijna moest gillen, al was het meteen weer weg. Het diep in de aarde staande beeld met zijn verweerde grimas was wellicht een overblijfsel van een natie die lang geleden ten onder was gegaan. De maan bewoog tussen twee sprongen in het geheel niet of nauwelijks een klein stukje, terwijl ze zich voortspoedden. Een paar dagen om in Salidar te komen? Volgens Sheriams woorden. De Wijzen hadden gelijk. Iedereen nam al zo lang aan dat de Aes Sedai alles wisten dat de Aes Sedai het zelf geloofden. Ze zou vannacht bewijzen dat ze ongelijk hadden, maar hoogstwaarschijnlijk zouden ze geen enkele aandacht aan dat bewijs schenken. Ze wisten het toch zo goed?

Een tijd later, toen ze er zeker van was behoorlijk ver in Altara te zijn, liet ze Bela kleinere sprongen maken, trok haar teugels wat vaker aan en reed zelfs een stuk met normale snelheid, vooral als er een dorp in de buurt lag. Soms had een in de schemer gehulde herberg een bord met de naam van het dorp, De Marella-herberg of De Bron van de Ionin. Het maanlicht versterkte het vreemde gevoel van licht in Tel’aran’rhiod, waardoor het lezen gemakkelijk was. Beetje bij beetje werd ze er steeds zekerder van waar ze zich ten opzichte van Salidar bevond. Ze maakte nog kleinere sprongen, daarna helemaal geen meer, waarbij ze Bela alleen door het woud liet draven, waar grote bomen het meeste struikgewas hadden onderdrukt en de droogte de rest. Toch was ze verbaasd toen er opeens een behoorlijk groot dorp verscheen, stil en donker in het maanlicht. Dit móést de juiste plaats zijn. Aan de rand van de met riet bedekte bakstenen huizen steeg ze af en pakte haar tassen en het pak. Het was laat, maar er konden in de echte wereld nog steeds mensen wakker zijn. Het was niet nodig die te laten schrikken door opeens uit de lucht te komen vallen. Als een Aes Sedai het zag en het verkeerd uitlegde, zou ze misschien geen enkele kans krijgen de Zaal te zien.

‘Je hebt gedraafd als de wind,’ mompelde ze terwijl ze Bela voor het laatst omarmde. ‘Ik wou dat ik je mee kon nemen.’ Een zinloze dagdroom natuurlijk. Wat in Tel’aran’rhiod was gemaakt, kon alleen daar bestaan. Het was trouwens niet eens de echte Bela. Desondanks voelde ze een spoortje spijt, toen ze zich omdraaide. Ze wilde niet ophouden met zich Bela voor te stellen, liet haar liever zo lang mogelijk bestaan. Ze weefde haar schemergordijn van Geest. Met opgeheven hoofd stapte ze erdoorheen, bereid om met haar Aielhart elke aantijging onder ogen te zien.

Ze deed een stap en moest die met grote ogen heel klein maken na een felle pijnscheut. De veranderingen in de Dromenwereld bestonden in de echte wereld evenmin als Bela. De vlammen laaiden ineens weer op en tevens de woorden, alsof Sorilea tegen haar sprak: Als je doet wat je voor jouw toh hebt gedaan en het dan zo regelt alsof het net zo goed nooit had kunnen gebeuren, boe heb je dan aan je toh voldaan? Denk aan je Aielhart, meisje!