Выбрать главу

Ja, ze zou eraan denken. Ze was hier voor de strijd, of de Aes Sedai het beseften of niet, klaar voor de strijd om het recht Aes Sedai te worden, klaar om... Licht, wat?

Er waren mensen in de straten. Enkelen bewogen tussen de huizen waarvan verlichte vensters goudgele kringen op de grond wierpen. Wat behoedzaam lopend sprak Egwene een vrouw met een wit schort en een gejaagde uitdrukking op het gezicht aan. ‘Neemt u me niet kwalijk. Ik heet Egwene Alveren. Ik ben een Aanvaarde...’ – de vrouw nam haar kleding scherp op – ‘en ik ben net aangekomen. Kunt u me zeggen waar Sheriam Sedai is? Ik moet haar vinden.’ Heel waarschijnlijk was Sheriam al in slaap, maar Egwene was van plan haar te laten wekken. Er was haar gezegd zo snel mogelijk te komen, en Sheriam zou over haar komst te horen krijgen.

‘Iedereen komt maar naar mij,’ mopperde de vrouw. ‘Doet er iemand zelf nog wat? Nee, Nildra mag het doen. En jullie Aanvaarden zijn de ergsten van het stel. Nou, ik heb niet de hele avond de tijd. Volg me, als je dat wilt. Zo niet, zoek het dan zelf maar uit.’ Nildra schreed weg en keek amper om.

Egwene volgde zwijgend. Ze was bang dat ze, als ze haar mond opendeed, de vrouw eens goed de les zou lezen. Dat zou niet de beste manier zijn om haar verblijf in Salidar mee aan te vangen, hoe kort het ook mocht duren. Ze had graag gezien dat haar Aielhart en Tweewaterverstand het eens zouden worden.

Het was niet zo ver. Een stukje de straat van hard zand in en de hoek om naar een andere, smallere straat. In enkele huizen klonk gelach. Nildra bleef bij een stil huis staan, hoewel er licht uit de voorkamer naar buiten viel.

Ze bleef lang genoeg staan om aan te kloppen en ging naar binnen voor het antwoord kwam. Haar knix was uiterst netjes, zij het vlug, en ze praatte wat beleefder dan tegen Egwene. ‘Aes Sedai, dit meisje zegt dat ze Egwene heet en ze...’ Voor meer woorden kreeg ze de kans niet.

Ze waren er allemaal, de zeven vrouwen van het Hart van de Steen. Niemand leek aan bed te denken, al hadden ze afgezien van de jonge vrouw met de naam Siuan hun kamerjas al aan. De stoelen stonden zo dicht bij elkaar dat Egwene bedacht midden in een overleg te zijn beland. Sheriam sprong als eerste van haar stoel op en gebaarde Nildra weg te gaan. ‘Licht, kind! Nu al?’

Er werd geen enkele aandacht geschonken aan Nildra’s knix of aan haar nadrukkelijk gesnuif toen ze wegging.

‘Dat hadden we nooit verwacht,’ zei Anaiya, en ze greep Egwenes armen met een warme glimlach beet. ‘Niet zo snel. Welkom, kind. Welkom.’

‘Waren er nog nare gevolgen?’ wilde Morvrin weten. Ze was niet opgestaan, Carlinya en de jonge Aes Sedai evenmin, maar zij had zich gespannen naar haar toe gebogen. De kamerjassen van de anderen waren van zijde in verschillende tinten, soms met brokaat of borduurwerk, maar haar kleding bestond uit eenvoudige wol, hoewel het zacht leek en heel fijn geweven was. ‘Voel je of je hierdoor veranderd bent? We hadden verschrikkelijk weinig gegevens. Eerlijk gezegd verbaast het me dat het werkt.’

‘We moeten het zien werken om te weten hoe goed het werkt.’ Beonin zweeg voor een slokje thee en zette haar kop en schotel op een wankel zijtafeltje. Kop en schotel pasten niet bij elkaar. Dat gold ook voor de meubels; het meeste zag er even krakkemikkig uit als het tafeltje. ‘Als er nare gevolgen zijn, hebben we Heling en dan is dat ook achter de rug.’

Egwene stapte snel van Anaiya weg en legde haar spullen naast de deur neer. ‘Nee, met mij is het goed. Echt, helemaal.’ Als ze had geaarzeld, zou Anaiya haar wellicht ongevraagd hebben geheeld. Dat zou echter bedrog zijn geweest.

‘Ze lijkt me goed gezond,’ merkte Carlinya koel op. Haar haren waren echt kort, de donkere krullen bedekten amper haar oren. Het was dus niet iets van Tel’aran’rhiod geweest. Ze droeg natuurlijk wit, zelfs het borduursel was wit. indien het nodig is, kunnen we er later een Gele zuster bijhalen om er zeker van te zijn.’

‘Laat haar even bijkomen,’ zei Mijrelle lachend. Grote gele en rode bloemen op haar kamerjas onderdrukten bijna elk groen. ‘Ze heeft net op één avond zo’n duizend roede afgelegd. Nog niet eens een hele avond.’

‘We hebben geen tijd voor bijkomen,’ bracht de jonge Aes Sedai ferm naar voren. Ze leek er hier, in haar gele gewaad met blauwe panden en de lage ronde hals met blauw borduurwerk, niet echt bij te horen. Bovendien was ze de enige van wie je mogelijk de leeftijd kon schatten. ‘Morgenochtend zal de Zaal haar op de huid zitten. Als ze er niet klaar voor is, stroopt Romanda haar als een dikke karper.’

Egwenes mond viel open. Die stem maakte meer duidelijk dan haar woorden. ‘U bént Siuan Sanche. Nee, dat is onmogelijk!’

‘O, dat is best mogelijk,’ vond Anaiya droogjes en ze schonk de jonge vrouw een medelijdende blik.

‘Siuan is weer een Aes Sedai.’ Mijrelles blik was meer vermoeid dan meelevend.

Het moest waar zijn – ze zéiden het – maar Egwene kon het amper geloven, zelfs niet na Sheriams uitleg. Nynaeve had het sussen geheeld? En door het sussen zag Siuan er niet ouder uit dan Nynaeve? Siuan had altijd een heerszuchtig uiterlijk gehad, met een getaande huid en een gelooid hart, maar deze leuke vrouw had zachte, roomkleurige wangen en een bijna tere mond.

Egwene nam Siuan op, terwijl Sheriam het uitlegde. De blauwe ogen waren nog hetzelfde. Hoe had ze naar die ogen kunnen kijken en de staalharde blik niet herkend waarmee je nagels kon inslaan? Nou ja, wat dat betreft gaf het gezicht al antwoord. Maar Siuan was ook altijd heel sterk met de Kracht geweest. In het begin diende men een nieuw meisje op haar Kracht te beproeven, maar niet nadat zij die Kracht had verworven. Egwene wist voldoende om in enkele tellen elke aanwezige te kunnen schatten. Sheriam was afgezien van Egwene de sterkste in de kamer. Daarna kwam Mijrelle, hoewel dat moeilijk viel te zeggen, en alle anderen zaten dicht bij elkaar, behalve Siuan. Ze was verreweg het zwakst.

‘Dit is echt een van Nynaeves opmerkelijkste ontdekkingen,’ zei Mijrelle. ‘De Gelen hebben overgenomen wat ze heeft gedaan en hebben hun eigen wonderen gemaakt, maar zij was de eerste. Ga zitten, kind. Het verhaal is te lang om staande aangehoord te worden.’ ik sta liever, dank u wel.’ Egwene keek naar de kaarsrechte stoel met houten zitting die Mijrelle had aangewezen en kon nog net een rilling onderdrukken. ‘Hoe is het met Elayne? Is zij ook in orde? Ik wil alles over haar en Nynaeve horen.’ Nynaeves opmerkelijkste ontdekking? Dat hield in dat er meer waren. Het leek of ze door de Wijzen achter was geraakt en ze hard zou moeten werken om alles in te halen. Ze dacht tenminste dat haar dit wel zou worden toegestaan. Ze zouden haar zeker niet zo warm hebben begroet als ze in schande zou worden weggestuurd. Ze had geen knix gemaakt en geen enkele keer ‘Sedai’ gebruikt – meer omdat ze daarvoor de kans niet had gekregen dan om een andere reden, want met lijdelijk verzet won je weinig bij de Aes Sedai – maar niemand had haar berispt. Misschien wisten ze het toch niet. Maar waarom dan die oproep?

‘Afgezien van de last die zij en Nynaeve momenteel met potten en pannen hebben,’ begon Sheriam, maar Siuan onderbrak haar grof. ‘Waarom staan jullie allemaal te giebelen als een stel domme wichten? Het is te laat om bang te zijn voor het vervolg. Het is begonnen; jullie zijn het begonnen. Je maakt het óf af, óf Romanda hangt jullie naast dit meisje in de zon te drogen en dan zullen Delana, Faiselle en de rest van de Zaal aan de kant staan om de kreukels eruit te halen.’ Sheriam en Mijrelle draaiden zich bijna tegelijk om en keken haar aan. Alle Aes Sedai trouwens. Morvrin en Carlinya schoven wat heen en weer. Kille Aes Sedai-ogen keken strak uit kille Aes Sedai-gezichten. Aanvankelijk beantwoordde Siuan die met haar eigen koude blik. Zij was evenzeer Aes Sedai als zij, alleen schijnbaar wat jonger. Toen boog ze haar hoofd iets en verscheen een blos op haar wangen. Ze stond met neergeslagen ogen op. ‘Ik was wat te haastig,’ mompelde ze zachtjes. Haar ogen veranderden niet, al zag Egwene dat mogelijk als enige van de andere vrouwen. Niettemin gedroeg ze zich niet als de oude Siuan.