Egwene bedacht eveneens dat ze absoluut niet wist wat er aan de hand was. Niet alleen dat Siuan Sanche opeens zo zoet als melk was; als dat tenminste werd afgedwongen. Dat was nog het minste. Waarmee waren ze begonnen? Waarom zouden zij te drogen worden gehangen als ze ermee ophielden?
De Aes Sedai keken elkaar zo nietszeggend als Aes Sedai aan en Morvrin knikte als eerste.
‘Je bent opgeroepen voor een heel bijzondere reden, Egwene,’ zei Sheriam plechtig.
Egwenes hart begon sneller te kloppen. Ze wisten het niet van haar. Ze wisten het niet. Maar waarvoor dan opgeroepen? ‘Jij...’ zei Sheriam, ‘jij wordt de volgende Amyrlin Zetel.’
35
In de Zaal van de Gezetenen
Egwene staarde Sheriam strak aan en vroeg zich af of ze in lachen uit zou barsten. Mogelijk had ze door die lange tijd bij de Aiel vergeten wat Aes Sedai grappig vonden. Sheriam keek strak terug met haar leeftijdloze, ondoorgrondelijke gezicht; de scheef staande groene ogen leken niet eens te knipperen. Egwene keek de anderen aan. Zeven uitdrukkingsloze gezichten, hoogstens wat afwachtend. Mogelijk dat Siuan wat flauwtjes glimlachte, maar die ‘glimlach’ kon net zo goed de natuurlijke boog van haar lippen zijn. Het flakkerende licht maakte hun gelaatstrekken opeens vreemd en onmenselijk. Egwenes hoofd voelde licht aan, haar knieën slap. Onnadenkend liet ze zich op de harde rechte stoel neerploffen. Ze stond meteen weer op. Daarmee maakte ze in ieder geval haar gedachten wat zuiverder, een beetje tenminste, ik ben nog niet eens Aes Sedai,’ zei ze ademloos. Dat leek afstandelijk genoeg. Het moest een of andere grap zijn... of... of... iéts!
‘Dat kan later uitgewerkt worden,’ zei Sheriam ferm, en ze schikte bij wijze van onderstreping de knoop in haar kamerjaskoord wat rechter. Beonins honingkleurige vlechten zwierden door haar geknik op en neer. ‘De Amyrlin Zetel is Aes Sedai. De wet is vrij duidelijk. Op verschillende plaatsen wordt verklaard: de Amyrlin Zetel als Aes Sedai, maar nergens staat dat men eerst Aes Sedai dient te zijn om Amyrlin Zetel te worden.’ Iedere Aes Sedai zou de wet van de Witte Toren kennen, maar als onderhandelaars moesten de Grijzen op de hoogte zijn van de wetten van elk land. Beonins stem kreeg een belerende toon, alsof ze iets uitlegde dat alleen zij door en door beheerste. ‘De wet waarin wordt beschreven hoe de Amyrlin dient te worden gekozen, stelt louter de vrouw die wordt opgeroepen, of zij die voor de Zaal staat en dergelijke omschrijvingen. Van begin tot eind wordt geen enkele keer Aes Sedai gebruikt. Geen enkele keer. Men zou kunnen zeggen dat de bedoeling van de opstellers dient te worden overwogen, maar wat die bedoelingen van de schrijfsters van deze wet ook waren, daarin komt zonneklaar naar voren, dat...’ Ze fronste toen Carlinya haar onderbrak.
‘Ongetwijfeld dachten zij dat dit boven elke twijfel verheven was, voor iedereen, zodat dit niet als zodanig beschreven diende te worden. Bij een nuchtere beschouwing echter betekent de wet wat er staat, welke gedachten of bedoelingen de opstellers ervan ook bezaten.’
‘Wetten trekken zich zelden wat van nuchtere en heldere overwegingen aan,’ zei Beonin bitter. ‘Maar in dit geval heb je volkomen gelijk,’ gaf ze na kort nadenken toe. Voor Egwene voegde ze eraan toe: ‘En de Zaal ziet dat net zo.’
Ze waren allen doodernstig, zelfs Anaiya, toen ze zei: ‘Je zult Aes Sedai zijn, kind, zodra je tot Amyrlin Zetel wordt verheven. Hoe je het ook draait of keert, daarop komt het neer.’ Ook Siuan was ondanks dat glimlachje ernstig. Het was een glimlach.
‘Je kunt de Drie Geloften afleggen zodra we in de Witte Toren terug zijn,’ deelde Sheriam haar mee. ‘We hebben overwogen of je die hier al zou uitspreken, maar zonder de Eedstaf zou dat als een schijnvertoning uitgelegd kunnen worden. We kunnen beter wachten.’ Egwene ging weer bijna zitten maar voorkwam het nog net. Misschien hadden de Wijzen gelijk, misschien had de reis in haar lichaam door Tel’aran’rhiod iets met haar geest gedaan. ‘Dit is waanzin,’ sprak ze hen tegen, ik kan geen Amyrlin zijn. Ik ben... Ik ben...’ Bezwaren stapelden zich op en verlamden haar tong zo dat ze niets kon zeggen. Ze was te jong. In al die eeuwen was Siuan al de jongste Amyrlin geweest, en die was bij haar verheffing dertig. Zij was nog amper met haar oefenlessen begonnen en wat ze van de Dromenwereld wist, deed er niet veel toe. Een Amyrlin wist overal wat van en had ervaring. Ze was wijs; ze werden in ieder geval geacht wijs te zijn, maar zij voelde zich slechts overdonderd en in de war. De meeste zusters waren minstens tien jaar novice en tien jaar Aanvaarde geweest. Al hadden sommigen het wel sneller gedaan, of zelfs veel sneller, zoals Siuan. Maar zij was amper Aanvaarde geweest en nog maar net een jaar novice. ‘Het is onmogelijk,’ was het beste wat ze uiteindelijk kon stamelen. Morvrins gesnuif herinnerde haar aan Sorilea. ‘Kalmeer kind, of ik ga ervoor zorgen. Je mag nu niet zenuwachtig gaan worden of voor onze neus flauwvallen.’
‘Maar ik zou niet weten wat ik moet doen! Het eenvoudigste niet eens!’
Egwene haalde diep adem. Haar razend kloppende hart sloeg niet langzamer, maar het hielp een beetje. Aielhart. Wat ze ook deed, die vrouwen zouden haar niet gaan koeioneren. Ze keek naar Morvrins openhartige harde gezicht en dacht: ze kunnen me villen maar niet koeioneren. Ze zei: ‘Dit is op z’n minst volkomen belachelijk. Ik word bij iedereen voor gek gezet, dat gebeurt zeker. Als dit de reden voor de oproep van de Zaal is, zeg ik nu al nee.’
‘Ik vrees dat je geen keus hebt,’ zuchtte Anaiya, haar kamerjas gladstrijkend, een verrassend frutselig geval van roze zijde met heel fijn roomwit kant langs de randen. ‘Je kunt een oproep om Amyrlin Zetel te worden evenmin afwijzen als een oproep voor een gerecht. Zelfs de woorden van de oproep zijn hetzelfde.’ Nou, dat was moedgevend, o ja, dat was het zeker.
‘De keus ligt nu bij de Zaal.’ Mijrelle klonk wat treurig, wat Egwenes moed er niet groter op maakte.
Sheriam sloeg opeens glimlachend een arm om Egwenes schouders. ‘Maak je geen zorgen, kind. We zullen je helpen en leiden. Daarom zijn we hier.’
Egwene zei niets. Ze wist niets te zeggen. Misschien was gehoorzaamheid aan de wet geen koeioneren, maar het voelde wel zo aan. Ze vatten haar zwijgen op als instemming en ze nam dat ook maar aan. Siuan werd onverwijld weggestuurd, mopperend over waarom zij persoonlijk alle Gezetenen diende te wekken om Egwenes komst aan te kondigen.
Een wervelstorm trok door het huis voor Siuan de deur uit was. Egwenes rijkleding werd onderwerp van langdurig overleg, waaraan zij geen woord bijdroeg. Een plompe dienstmeid werd van haar tukje op een stoel in een achterkamer beroofd en voor kleding weggestuurd, onder de zwaarste bedreigingen niets los te laten. Zij moest bij de Aanvaarden op zoek gaan naar elk geschikt gewaad dat Egwene naar alle waarschijnlijkheid zou passen. Ze probeerde er acht, in aanwezigheid van de vrouwen, voor ze er een vonden dat enigszins paste. Het zat te strak om haar borsten, maar was gelukkig ruim rond de heupen. Terwijl de dienstmeid de kleding binnenbracht en Egwene die probeerde, gingen Sheriam en de anderen zich om de beurt omkleden, terwijl ze haar intussen leerden wat er stond te gebeuren en wat ze moest doen en zeggen.
Ze lieten haar alles herhalen. De Wijzen vonden dat eenmaal voldoende was en wee de onoplettende leerlinge die niet luisterde. Egwene herinnerde zich enkele dingen die ze moest zeggen van haar novicelessen en ze had die de eerste keer al goed, maar de Aes Sedai liepen alles woord voor woord nogmaals door en daarna nog eens. Egwene begreep het niet. Bij andere vrouwen zou ze aan zenuwen hebben gedacht, maar deze Aes Sedai met hun kalme gezichten en zo... Ze begon zich af te vragen of ze niet iets heel doms deed en begon opzettelijk andere woorden nadruk te geven.
‘Spreek het uit zoals het je gezegd is,’ beet Carlinya haar als een knappende ijspegel toe, en Mijrelle die amper minder kil klonk, voegde eraan toe: ‘Je kunt je geen fout veroorloven, kind. Geen enkele!’ Ze lieten het haar nog vijfmaal doen. Toen ze zich verzette en zei dat ze elk woord foutloos had herhaald, had opgesomd wie waar zou staan, wie wat zou zeggen, op de manier die ze haar hadden voorgedaan, verwachtte ze een draai om haar oren van Morvrin of anders van Beonin of Carlinya. Allengs werd hun gefrons vermanend en Sheriam keek haar aan of ze een dreinende novice was. Egwene zuchtte en begon weer opnieuw, ik ga naar binnen, drie begeleiden me en...’ Het was een stille stoet die door de bijna lege, maanlichte straten op weg ging. Er waren slechts weinig mensen op straat en die keken amper. Zes Aes Sedai met één Aanvaarde in hun midden was wellicht wel of geen alledaags tafereel, maar blijkbaar niet zo vreemd om een opmerking aan hen te ontlokken. Vensters waarachter licht had geschenen, waren nu donker. Het dorp was in stilte gehuld, zodat hun voetstappen op het harde zand duidelijk hoorbaar waren. Egwene voelde aan de Grote Serpent-ring, die nu weer stevig aan haar linkerhand was geschoven. Haar knieën beefden. Ze had zich op alles voorbereid, maar dit had op haar lijstje ontbroken.