Een verlegen gekrabbel aan de deur zorgde dat ze uit haar gepeins opschrok. ‘Kom binnen,’ zei ze scherp.
De deur ging langzaam open en liet een grijnzende jongeman binnen in een goud met rode livrei. Hij had een dienschaal in de hand met een nieuwe kan ijsgekoelde vruchtenwijn; het zilver parelde al van de kou. Ze had eigenlijk Tallanvor verwacht. Voor zover ze kon zien, stond alleen Langwin op wacht. Feitelijk hing hij meer als een uitsmijter van een kroeg tegen de muur. Ze gebaarde de jongeman de kan neer te zetten.
Boos begon ze weer door de kamer te ijsberen. Tallanvor had horen te komen, hij had moeten komen! Basel en Langwin zouden geruchten kunnen opvangen in een nabij dorp, maar het zouden slechts geruchten zijn, wellicht verspreid door Nial. Hetzelfde gold voor de bedienden van het paleis.
‘Mijn koningin. Mag ik spreken, mijn koningin?’ Morgase draaide zich stomverbaasd om. Dat was een stem uit Andor. De jongeman zat op zijn knieën en zijn grijns flitste heen en weer tussen onzeker en hanig. Zonder zijn gebroken neus en met een verzorgd uiterlijk zou hij knap zijn. Bij Langwin leek die neus ruig en grof, maar bij deze man leek hij bij het struikelen te zijn geplet. ‘Wie ben jij?’ wilde ze weten. ‘Hoe ben je hier gekomen?’
‘Ik ben Paitr Conel, mijn koningin. Uit Sieranmarkt. In Andor?’ voegde hij er half vragend aan toe alsof ze dat misschien niet wist. Ongeduldig gebaarde ze hem door te gaan. ik ben met mijn oom Jen naar Amador gekomen. Hij is een koopman in Vierkoningen en hij dacht hier wat Taraboonse verf te kunnen aanschaffen. Door alle moeilijkheden in Tarabon is die duur, en hij dacht dat die hier goedkoper...’ Zijn mond verstrakte en hij sprak snel door. ‘We hebben van u gehoord, mijn koningin, dat u hier in het paleis was en zo, en we dachten aan de wet hier in Amadicia en dat u in de Witte Toren was opgeleid en zo. We dachten dat we u konden helpen...’ Hij slikte heftig en besloot zachtjes: ‘... met uw ontsnapping.’
‘En zijn jullie werkelijk bereid mij bij die... ontsnapping te helpen?’ Het was niet het beste plan, maar ze kon altijd naar het noorden, naar Geldan trekken. Wat zou Tallanvor zich verkneukelen. Nee, dat zou hij niet doen en dat zou het nog erger maken.
Maar Paitr schudde zielig het hoofd. ‘Oom Jen had een plan, maar nu lopen er overal in het paleis Witmantels rond. Ik wist niet meer wat ik moest doen, behalve naar u toe gaan, zoals hij me heeft gezegd. Hij zal wel iets bedenken, mijn koningin. Hij is slim.’ ik weet zeker dat hij dat is,’ mompelde ze. Dus Geldan werd weer wat mistiger. ‘Hoe lang zijn jullie al weg uit Andor? Een maand? Twee maanden?’ Hij knikte. ‘Dan weten jullie dus niet wat er in Caemlin gebeurt,’ verzuchtte ze.
De jongeman maakte zijn lippen nat. ‘Ik... we hebben onderdak bij een man in Amador die postduiven heeft. Een koopman. Hij krijgt zijn boodschappen van overal vandaan. Ook uit Caemlin. Maar ik hoor alleen maar slecht nieuws, mijn koningin. Het kan een dag of twee duren, maar mijn oom zal een andere manier bedenken. Ik wilde u alleen laten weten dat hulp nabij is.’
Dus zo lagen de zaken nu. Een wedstrijd tussen Pedron Nial en die Jen, de oom van Paitr. Ze had bij deze weddenschap graag wat meer zekerheid willen hebben. ‘Ondertussen kun je me gewoon vertellen hoe slecht de zaken er in Caemlin voorstaan.’
‘Mijn koningin, ik werd verondersteld u over die hulp te vertellen. Mijn oom zal boos zijn als ik blijf...’
‘Ik bén jouw koningin, Paitr,’ zei Morgase vastberaden, ‘en ook die van je oom Jen. Hij zal het wel goedvinden als je mijn vragen beantwoordt.’ Paitr keek alsof hij de benen wilde nemen, maar ze ging in een stoel zitten en begon naar de feiten te zoeken.
Pedron Nial voelde zich uitstekend, toen hij afsteeg op het grote binnenhof van de Burcht van het Licht en de teugels aan een stalknecht gaf. Hij had Morgase stevig in zijn greep en niet eenmaal hoeven te liegen. Hij hield niet van liegen. Het was geheel zijn eigen uitleg van de gebeurtenissen geweest, maar hij was er zeker van. Rhand Altor was een valse Draak en een handlanger van de Toren. De wereld was vol dwazen die niet konden nadenken. De Laatste Slag zou niet een of andere reusachtige strijd zijn van de Duistere met de Herrezen Draak, slechts een gewone man. De Schepper had de mensheid in de steek gelaten, lang geleden aan hun eigen wil overgelaten. Nee, wanneer het uur voor Tarmon Gai’don sloeg, zou het net zo zijn als tijdens de Trollok-oorlogen, zo’n tweeduizend jaar of meer geleden, toen horden Trolloks en ander Schaduwgebroed zich uit de Grote Verwording stortten, de Grenslanden overstroomden en de mensheid in een zee van bloed bijna ten onder lieten gaan. Hij, Nial, was niet van plan de verdeelde en onvoorbereide mensheid zoiets nogmaals mee te laten maken.
Een rimpeling van buigingen van wit gemantelde Kinderen volgde hem langs de stenen muren van de Burcht, de hele weg naar zijn persoonlijke ontvangstkamer. In het voorvertrek sprong Balwer, de schrijver met zijn geknepen gezicht, overeind met een druk gedoe van papieren die nodig door de kapiteinheer dienden te worden getekend, maar Nials aandacht was gericht op de lange man die vlot van een stoel bij de muur overeind kwam. Zijn mantel droeg de bloedrode herdersstaf achter de gouden zon met de gouden knopen van zijn rang eronder. Jaichim Carridin, inquisiteur van de Hand van het Licht, leek even hard als hij was, maar had meer grijs haar bij de slapen dan bij zijn laatste gesprek met Nial. Zijn donkere, diepliggende ogen toonden een vonkje bezorgdheid, en dat was geen wonder. Zijn laatste twee opdrachten waren op een ramp uitgelopen; weinig veelbelovend voor een man die op een dag Groot-Inquisiteur wilde worden en misschien ooit kapiteinheer-gebieder.
Nial gooide Balwer zijn mantel toe en gebaarde Carridin hem naar de ontvangstkamer te volgen, waar veroverde strijdbanieren en de banier van vroegere vijanden de zegetekenen vormden op de met donker hout afgewerkte wanden en waar een enorme zonnekrans in de vloer genoeg goud bevatte om de monden van de meeste mensen te doen openvallen. Afgezien daarvan was het een eenvoudige soldatenkamer, een afspiegeling van Nial zelf. Nial zette zich in een stoel met een hoge rugleuning, goed gemaakt maar zonder enige opsmuk. De lange haarden aan beide kanten van het vertrek waren koud en schoon in een jaargetijde waarin ze laaiende vuren hadden moeten vertonen. Dat was ruim bewijs dat de Laatste Slag naderbij kwam. Carridin boog diep en knielde op de zonnekrans neer, glad gesleten door eeuwen van voeten en knieën.
‘Heb je er nog over nagedacht waarom ik je heb laten halen, Carridin?’ Na de Vlakte van Almoth en Falme, na Tanchico, kon de man niet verweten worden dat hij ervan uitging gevangengenomen te worden. Indien hij die mogelijkheid echter had overwogen, was dat aan zijn stem niet te horen. Zoals gewoonlijk gaf hij de indruk meer te weten dan ieder ander. Zeker meer dan hij geacht werd te weten. ‘Die Aes Sedai in Altara, mijn kapiteinheer-gebieder. Praktisch bij onze voordeur. Een mooie kans om de helft van die Tar Valon-feeksen weg te vagen.’ Overdreven, misschien was een derde deel in Salidar, zeker niet meer.
‘En heb je dat met je vrienden hardop besproken?’ Nial betwijfelde of de man die wel bezat, maar er waren mannen met wie hij weleens wat dronk. Of de laatste tijd dronken mee werd. De man bezat echter bekwaamheden, hele nuttige.
‘Nee, mijn kapiteinheer-gebieder. Ik weet wel beter.’
‘Goed,’ zei Nial. ‘Omdat je ver van dat Salidar weg blijft, net als ieder ander van de Kinderen.’ Hij was er niet zeker van of er enige opluchting over Carridins gezicht flitste. Als dat zo was, dan streed dat met zijn karakter; de man had nooit gebrek aan moed vertoond. En opluchting paste zeker niet bij zijn antwoord.
‘Maar ze kunnen in een oogwenk worden opgepakt. Dit bewijst dat de geruchten waar zijn, dat de Toren verdeeld is. We kunnen dit stel vernietigen zonder dat de anderen een hand zullen uitsteken. De Toren kan er zo door verzwakt worden dat hij zal vallen.’