Выбрать главу

Voor een rechthoekig gebouw van twee verdiepingen bleven ze staan. De ramen waren volkomen zwart, maar in het maanlicht leek het op een herberg. Carlinya, Beonin en Anaiya zouden bij haar blijven. De eerste twee waren daar in ieder geval niet zo blij mee. Ze klaagden niet zoals ze eerder in het huis hadden gedaan, maar ze verschikten wat overbodig hun rok en hielden het hoofd stijf rechtop, waarbij ze Egwene niet aankeken.

Anaiya streelde Egwene troostend over het haar. ‘Het zal best goed gaan, kind.’ Ze had een pak onder haar arm, het gewaad dat Egwene zou aantrekken als alles achter de rug was. ‘Je leert snel.’ In het gebouw klonk een gong heel diep, eenmaal, tweemaal, een derde maal. Egwene maakte bijna een sprongetje van schrik. Een hartenklop lang bleef het stil, waarna de gong zijn trillend lied herhaalde. Onbewust streek Mijrelle haar kleren goed. Opnieuw werd het stil en ten slotte klonk de derde oproep.

Sheriam opende de deur en Egwene volgde haar, met Mijrelle en Morvrin vlak achter zich. Op deze wijze hadden ze haar omsingeld. Onwillekeurig vergeleek Egwene hen met bewakers die dienden te zorgen dat ze er niet vandoor ging.

Het grote vertrek met het hoge plafond was niet donker, verre van dat. Op de mantels van de vier brede stenen haarden stonden rijen lampen, nog meer op de trap naar boven en op de leuning van de overloop boven het vertrek. Vier grote meerdelige lampen met spiegeltjes om het licht te versterken, verlichtten de hoeken. Voor de ramen hingen dekens die het licht binnenhielden.

Negen stoelen vormden aan iedere zijde van het vertrek een rij, opgesteld in groepjes van drie, met de rugleuningen naar de muur. De vrouwen die erop zaten, de Gezetenen van de zes Ajahs die in Salidar waren vertegenwoordigd, droegen stola’s en kleren in de kleur van hun Ajah. Hun hoofden wendden zich naar Egwene, hun gezichten toonden slechts koele, waardige rust.

Aan de andere kant van de ruimte stond maar één stoel, op een verhoging die veel weg had van een grote platte kist. Het was een hoge zware stoel waarvan de spiraalpoten en spijlen donkergeel waren geverfd om het op goud te laten lijken. Over de armleuningen lag een stola in zeven kleuren. Van de plek waar Egwene stond, leek de zetel eindeloos ver weg te staan.

‘Wie verschijnt voor de Zaal van de Toren?’ vroeg Romanda met een harde heldere stem. Ze zat vlak voor de gouden stoel, tegenover de drie Blauwe zusters. Sheriam stapte vlot opzij waardoor Egwene zichtbaar werd.

‘Een die komt in gehoorzaamheid en in het Licht,’ zei Egwene. Haar stem had moeten beven. Ze gingen dit toch zeker niet doorzetten? ‘Wie verschijnt voor de Zaal van de Toren?’ vroeg Romanda wederom.

‘Een die komt in nederigheid en in het Licht.’ Elk ogenblik kon dit overgaan in een rechtszitting, omdat ze net had gedaan of ze een Aes Sedai was. Nee, dat niet. In dat geval zouden ze haar hebben afgeschermd en opgesloten tot een beter tijdstip. Maar ze zouden toch zeker...

‘Wie verschijnt voor de Zaal van de Toren?’

‘Een die verschijnt na een oproep van de Zaal, gehoorzaam, nederig en in het Licht, slechts pogend de wens van de Zaal in te willigen.’ Tussen de Grijzen voor Romanda stond een donkere slanke vrouw op. Als jongste Gezetene sprak Kwamesa de vormelijke vraag die terugging tot het Breken van de Wereld. ‘Zijn hier alleen vrouwen aanwezig?’

Romanda sloeg nadrukkelijk haar stola terug en legde die over de stoelrug, terwijl ze opstond. Als oudste behoorde zij het eerst te antwoorden. Even nadrukkelijk maakte ze haar gewaad open en trok het met haar onderhemd omlaag tot haar middel. ‘Ik ben een vrouw,’ verklaarde ze.

Zorgvuldig legde Kwamesa haar eigen stola over de stoel en ontkleedde zich tot aan haar middel, ik ben een vrouw,’ zei ze. Daarna stonden alle anderen op en begonnen zich te ontbloten, waarbij ieder verkondigde dat ze een vrouw was en het bewijs toonde. Egwene had wat moeite met het strakke lijfje van het Aanvaardegewaad dat ze hadden gevonden, waardoor Mijrelle met de knoopjes moest helpen. Al snel stonden ze er echter even bloot bij als de andere vrouwen.

‘Ik ben een vrouw,’ zei Egwene de anderen na. Kwamesa liep langzaam de kamer rond, bleef met een bijna beledigend onderzoekende blik voor iedere vrouw staan, waarna ze weer voor haar eigen stoel verkondigde dat hier slechts vrouwen aanwezig waren. De Aes Sedai gingen zitten en de helft begon hun kleren weer goed te doen. Niet echt haastig, maar er werd ook weinig getreuzeld. Egwene schudde bijna het hoofd. Zij mocht zich pas veel later in de plechtigheid weer bedekken. Lang geleden zou Kwamesa’s vraag meer bewijs hebben geëist. In die dagen gebeurden de vormelijke plechtigheden ‘gekleed in het Licht’, wat inhield dat ze alleen hun eigen huid droegen. Wat zouden deze vrouwen zeggen van een Aielzweettent of een Shienaraanse wasruimte? Er was geen tijd voor verdere gedachten. ‘Wie staat er voor deze vrouw,’ zei Romanda, ‘en pleit ten gunste, hart voor hart, ziel voor ziel, leven voor leven.’ Ze zat rechtop en uiterst waardig, terwijl haar volle boezem nog steeds ontbloot was. ik pleit aldus,’ zei Sheriam ferm, even later beurtelings gevolgd door de krachtige stemmen van Morvrin en Mijrelle. ‘Treed naar voren, Egwene Alveren,’ beval Romanda scherp. Egwene deed drie stappen naar voren en knielde neer, ze voelde zich verdoofd. ‘Waarom bent gij hier, Egwene Alveren?’

Ze was echt verdoofd, ze kon niets voelen. Ze kon zich evenmin de antwoorden herinneren, maar op de een of andere wijze rolden die van haar tong. ‘Ik werd opgeroepen door de Zaal van de Toren.’

‘Wat zoekt gij, Egwene Alveren?’

‘De Witte Toren te dienen, niets meer en niets minder.’ Licht, ze gingen er echt mee door! ‘Hoe zult gij dienen, Egwene Alveren?’

Egwene haalde diep adem. Ze kon een eind maken aan deze dwaasheid. Ze kon toch onmogelijk klaar zijn om... in de Amyrlin Zetel, als het de Zaal van de Toren behaagt.’

Haar adem stopte. Te laat om terug te keren. Misschien was het in het Hart van de Steen al te laat geweest.

Delana stond als eerste op, gevolgd door Kwamesa. Janya en anderen volgden tot er negen Gezetenen voor hun stoel stonden, waarmee ze hun instemming lieten blijken. Romanda bleef nog steeds stijf in haar stoel zitten. Negen van de achttien. De aanvaarding diende eensgezind te zijn; de Zaal zocht altijd eendracht. Uiteindelijk was er altijd eenstemmigheid, al moest er soms heel wat gepraat worden om zover te komen. Maar vannacht zou er niet worden gepraat, afgezien van de vormelijke vragen en antwoorden; dit was een soort onuitgesproken afwijzing. Sheriam en de anderen hadden Egwenes vraag, of dit kon gebeuren, wat weggelachen. Ze hadden dat zo snel gedaan dat zij mogelijk bezorgd zou zijn geweest, als de hele zaak al niet zo belachelijk was geweest. Wat terloops hadden ze haar gewaarschuwd dat het kon voorkomen. Niet zozeer bedoeld als afwijzing, maar als verklaring dat de Gezetenen die in hun stoel bleven zitten, geen gehoorzame huisdiertjes wilden zijn. Slechts een gebaar, een teken volgens Sheriam, maar nu ze Romanda’s strenge gezicht en dat van Lelaine goed bekeek, dat boven haar ontblote borst al net zo streng was, wist Egwene dat niet zo zeker. Ze hadden ook gezegd dat het er drie of vier konden zijn. Zwijgend gingen de staande vrouwen weer zitten. Niemand sprak, maar Egwene wist wat ze moest doen. Haar verdoving was verdwenen.