Anaiya had de kamer voor Egwenes komst klaargemaakt. De meubels pasten ook hier niet bij elkaar, maar het waren de beste die Salidar te bieden had, vanaf de gemakkelijke leunstoel met groenzijden bekleding tot de onbeschadigde staande spiegel met goudwerk in de hoek en de fraai bewerkte houten klerenkast met haar kleding. Jammer genoeg leek Anaiya’s smaak nogal uit te gaan naar frulletjes en franjes. Allebei waren overvloedig aanwezig op de bedhemel, de opengeschoven bedgordijnen, het tafelkleed, de stoelbekleding en de leuningen van de beklede stoel. Haar op de grond liggende beddensprei vertoonde het, evenals het dunne zijden laken dat Egwene ook van het bed had gegooid. Zelfs de gordijnen voor de ramen waren van kant. Egwene legde haar hoofd weer neer. Ook de kussens hadden kanten zomen. De kamer gaf haar het gevoel in kant te stikken. Er was nog heel wat afgepraat, nadat Sheriam en de anderen haar naar deze plek hadden gebracht, die ze de Kleine Toren noemden. De meeste gespreksstof kwam van de andere vrouwen. Ze toonden niet veel belangstelling voor haar gedachten over Rhands plannen of wat Coiren en de andere Aes Sedai misschien wilden. Er was een gezantschap onderweg naar Caemlin, onder leiding van Merana, die wist wat er gedaan moest worden, al waren ze vrij vaag over wat dat nu precies inhield. Zij voerden voornamelijk het gesprek, Egwene luisterde en haar vragen werden terzijde geschoven. De antwoorden waren onbelangrijk, werd soms gezegd, nu tenminste. De wel beantwoorde vragen kregen slechts even de aandacht voor ze verder gingen met wat zij belangrijk vonden.
Naar iedere vorst en vorstin was een gezantschap onderweg. Ieder werd afzonderlijk genoemd met een uitleg waarom hij of zij echt van levensbelang voor Salidars zaak was, en zo te horen waren ze dat stuk voor stuk. Ze zeiden niet openlijk dat alles zou mislukken als ook maar één heerser zich tegen hen keerde, maar de nadruk in hun betoog sprak boekdelen. Garet Brin bouwde een leger voor hen op, dat uiteindelijk sterk genoeg diende te zijn om hun... eh... aanspraken tegen Elaida zo nodig kracht bij te zetten. Ze leken niet te denken dat het nodig zou zijn, ondanks Elaida’s eis dat ze naar de Toren terug dienden te keren. Indien het nieuws van Egwene Alverens verheffing tot Amyrlin Zetel eenmaal was verspreid, zouden de Aes Sedai volgens hen naar haar toe komen, zelfs zij die nu nog in de Toren verbleven. Dat zouden er zoveel zijn dat Elaida geen andere keus had dan af te treden. De Witmantels zaten om de een of andere reden met hun duimen te draaien, dus Salidar was voorlopig even veilig als elke andere plek. Tussen dit alles door werd kort vermeld dat Logain net als Siuan geheeld was. En Leane. Natuurlijk, als ze hier was, zou ze geheeld zijn; het was enkel een verrassing te horen dat ze hiér was.
‘Daarover hoef je je dus geen zorgen te maken,’ zei Sheriam kalmerend. Ze rees boven Egwene uit die in de beklede leunstoel zat met de anderen in een kring voor haar. ‘De Zaal zal overleggen of hij opnieuw gestild moet worden tot zijn gevorderde leeftijd ons van het probleem verlost.’
Egwene probeerde een nieuwe geeuw te onderdrukken – het was ontzettend laat – en Anaiya zei: ‘We moeten haar slaap gunnen. Morgenochtend wordt bijna even belangrijk als deze avond, kind.’ Opeens lachte ze zachtjes in zichzelf. ‘Moeder. Morgen is ook belangrijk, Moeder. We zullen Chesa sturen om alles voor de nacht klaar te maken.’ Zelfs na hun vertrek was slapen niet gemakkelijk. Terwijl Chesa nog bezig was haar uit te kleden, verscheen Romanda om de Amyrlin een aantal voorstellen te doen. Ze verstrekte die ferm, met een stem die geen onzin duldde, en was nauwelijks verdwenen of Lelaine verscheen, alsof de Blauwe Gezetene op het vertrek van de Gele zuster had staan wachten. Lelaine gaf Egwene haar eigen hulpvaardige raad, terwijl die rechtop in bed zat, nadat Chesa vriendelijk maar ferm was weggestuurd. Haar woorden kwamen in het geheel niet overeen met Romanda’s raad – evenmin met die van Sheriam – maar werden met een warme, zelfs gevoelige glimlach gesproken, evenwel met de grote zekerheid dat Egwene in de eerste maanden toch wel wat leiding nodig had. Geen van beide vrouwen zei openlijk dat alleen zij Egwene kon leiden naar wat het beste voor de Toren was, en dat beter kon dan Sheriam. Ze zeiden evenmin rechtuit dat Sheriam en haar kleine groepje misschien zouden proberen haar allerlei kanten op te trekken, of haar misschien slechte raad zouden geven, maar ze duidden er sterk op. Romanda en Lelaine wezen er tegelijk onderhuids op dat de ander mogelijk haar eigen werkplan had, wat ongetwijfeld onnoemelijk veel ellende zou veroorzaken.
Tegen de tijd dat Egwene de laatste kaars uit geleidde, rekende ze op een slaap vol nachtmerries. Maar het werden er feitelijk slechts twee die ze zich de volgende ochtend herinnerde. In de eerste was ze Amyrlin – en Aes Sedai zonder de geloften te hebben afgelegd – en alles wat ze deed, leidde tot een ramp. Dat wekte haar met een schok, zodat ze recht overeind zat, enkel om het kwijt te raken, maar ze was er zeker van dat de droom geen betekenis had. Hij kwam vrijwel overeen met een van haar ervaringen binnen de ter’angreaal, waarin ze beproefd was voor Aanvaarde. Voor zover iemand wist, hielden die geen verband met de werkelijkheid. Niet met deze werkelijkheid. De andere droom was het soort onzin dat ze verwachtte. Ze wist genoeg van haar eigen dromen om dat nu te weten, ook al moest ze zichzelf wekken om aan die droom te ontsnappen. Sheriam had de stola van haar schouders getrokken, waarna iedereen haar stond uit te lachen en wees naar de zottin die echt dacht dat een meisje van net achttien de Amyrlin kon zijn. Niet alleen de Aes Sedai, maar ook de Wijzen, Rhand, Perijn en Mart, Nynaeve en Elayne. Bijna iedereen die ze ooit had ontmoet, terwijl zij volkomen bloot voor hen stond en wanhopig probeerde de kleren van een Aanvaarde aan te trekken die slechts een tienjarige zouden hebben gepast.
‘Tuttut, u kunt niet de hele dag in bed blijven liggen, Moeder.’ Egwene deed haar ogen open.
Chesa’s gezicht toonde een uitdrukking van plagerige strengheid. Haar ogen fonkelden. Ze was minstens tweemaal zo oud als Egwene en was vanaf hun eerste ontmoeting meteen vervallen in die mengeling van achting en vertrouwelijkheid die van een oude verzorgster verwacht mocht worden. ‘De Amyrlin Zetel kan niet luilakken en zeker vandaag niet.’
‘Geen haar op mijn hoofd zou zoiets denken.’ Ze stapte stijf uit bed en rekte zich uit voor ze haar doorweekte nachthemd uittrok. Ze kon bijna niet wachten om zo lang met de Kracht te oefenen dat ze niet meer hoefde te zweten, ik wil die van blauwe zijde met de witte ochtendsterren rond de hals.’ Ze merkte dat Chesa heel zorgvuldig haar ogen afwendde bij het aanreiken van haar schone goed. De gevolgen van het nakomen van haar toh waren wat verflauwd, maar ze leek nog behoorlijk bezeerd en blauw, ik heb een ongelukje gehad voor ik hierheen kwam,’ zei ze, haastig haar hoofd door de hals stekend. Chesa knikte of ze het opeens begreep. ‘Paarden zijn sluwe, onbetrouwbare dieren. U zult mij er nooit op krijgen, Moeder. Een goede stevige kar is honderdmaal veiliger. Als ik zo van een paard was gevallen, zou ik het geen mens willen vertellen. Nildra zou weer van alles opmerken en Kaylin... O, u kunt bijna niet geloven wat sommige vrouwen achter je rug om zeggen. Voor een Amyrlin Zetel is het natuurlijk anders, maar ik zal er niets over zeggen.’ De klerenkast openhoudend, keek ze Egwene schuin aan om te zien of die het had begrepen.
Egwene schonk haar een glimlach. ‘Hoog of laag, mensen blijven mensen,’ merkte ze ernstig op.
Chesa straalde even voor ze het blauwe gewaad uit de kast nam. Mogelijk had Sheriam haar gekozen, maar zij was de dienares van de Amyrlin Zetel en was alleen aan haar trouw verschuldigd. Ze had bovendien gelijk dat dit een belangrijke dag was. Egwene at vlug, ondanks Chesa’s zachte gemompel dat het opschrokken van voedsel je maagpijn bezorgde en dat warme melk met honing en kruiden het allerbeste en enige middel was om een zenuwachtige maag tot bedaren te brengen. Ze poetste haar tanden en waste zich haastig. Ze liet Chesa enkele slagen met de borstel door haar haren doen en kleedde zich zo snel als de vrouw het blauwe kleed over haar hoofd kon krijgen aan. Ze legde de zevenkleurige stola over haar schouders en keek kort in de staande spiegel. Stola of geen stola; ze leek niet erg op een Amyrlin Zetel. Maar ik ben het. Dit is geen droom. In de grote kamer beneden waren de tafels nog even leeg als de avond ervoor. Alleen de Gezetenen met hun stola’s waren aanwezig en groepten in hun Ajah bij elkaar, waarbij Sheriam alleen stond. Het werd rustig terwijl Egwene omlaag liep, en ze maakten een knix toen ze beneden was. Romanda en Lelaine namen haar scherp op en wendden zich vervolgens af, waarbij ze Sheriam nadrukkelijk negeerden en weer verder spraken. Doordat Egwene bleef zwijgen werden de anderen ook stil. Zo nu en dan wierp iemand een blik op haar. Zelfs fluisterend klonken hun stemmen te luid. Buiten was het stil, volkomen stil. Egwene trok een doekje uit haar mouw en bette haar gezicht. Geen van hen zag er rood en verhit uit.