Выбрать главу

Sheriam kwam naast haar staan. ‘Alles zal goed gaan,’ zei ze zachtjes. ‘Denk alleen aan wat je te zeggen hebt.’ Dat was ook iets dat ze tot de laatste letter die nacht hadden doorgenomen. Deze ochtend moest Egwene een toespraak afsteken.

Egwene knikte. Het was vreemd. Haar maag zou dicht moeten klappen en haar knieën tegen elkaar rammelen. Maar dat was niet zo; ze begreep het niet.

‘Je hoeft je geen zorgen te maken,’ vervolgde Sheriam. Het klonk of ze dacht dat Egwene dat deed, en dat ze haar wilde kalmeren, maar voor ze nog meer kon zeggen, sprak Romanda luid: ‘Het is tijd!’ Met veel geruis van rokken schikten de Gezetenen zich naar leeftijd, ditmaal met Romanda voorop, en stapten naar buiten. Egwene liep tot vlak voor de deur mee. Nog steeds geen wee gevoel in haar maag. Misschien had Chesa gelijk met die warme melk.

Het bleef even stil, daarna klonk Romanda’s stem onnatuurlijk hard: ‘Wij hebben een Amyrlin Zetel.’

Egwene liep naar buiten in een hitte die ze eigenlijk pas veel later op de dag had verwacht. Toen haar voet van de stoep af wilde stappen, belandde die op een vlonder geweven van Lucht. De rijen Gezetenen strekten zich aan beide kanten langs haar uit en elke Gezetene gloeide van het saidarlicht.

‘Egwene Alveren,’ sprak Romanda zangerig, haar stem gedragen op de golven van de Ene Kracht, ‘Hoedster van de Zegels, Vlam van Tar Valon, Amyrlin Zetel.’

Ze tilden haar tijdens Romanda’s woorden omhoog en maakten haar verheffing tot Amyrlin zichtbaar tot ze vlak voor het rieten dak hing, waardoor het voor mannen en niet-geleidsters zou lijken of ze op lucht stond. Er waren veel mensen aanwezig die haar tegen de opkomende zon afgetekend zagen. Een tweede weefsel zorgde ervoor dat het licht om haar heen een glinsterend weefsel leek. De straat stond vol mannen en vrouwen en de menigte reikte zelfs tot om de hoeken. Iedere deuropening stond vol; achter de vensters en op elk dak, afgezien van dat van de Kleine Toren, stonden mensen. Er barstte een enorm gebrul los, dat zelfs Romanda bijna overstemde, een gejuich dat door het dorp golfde. Egwene nam de menigte op, zoekend naar Nynaeve en Elayne, maar ze kon hen in die zee van omhoogkijkende gezichten niet ontdekken. Er leek wel een eeuw voorbij te gaan voor het rustig genoeg was om te spreken. De golf die Romanda’s stem zo ver had gedragen, schoof naar haar toe.

Sheriam en de anderen hadden haar toespraak voorbereid. Een hoogdravende uiteenzetting die ze mogelijk zonder blozen had kunnen afsteken als ze tweemaal, nog liever driemaal zo oud was geweest. Ze had hem uit zichzelf wat gewijzigd. ‘We zijn hier bijeen voor een zware tocht naar waarheid en gerechtigheid, die pas zal eindigen wanneer de valse Amyrlin Elaida van de plek is gestoten die zij heeft geroofd.’ De enige verandering erin was ‘zal’ in plaats van ‘kan’, maar ze vond haar woord beter en sterker. ‘Als Amyrlin zal ik jullie bij die tocht voorgaan en ik zal niet falen, zoals ik weet dat jullie niet zullen falen.’ Die uitwijding was meer dan genoeg. Ze was niet van plan hier zo lang zo hoog te blijven staan en alles te herkauwen wat ze wilden dat er gezegd werd. Het kwam trouwens toch allemaal op hetzelfde neer. ‘Tot mijn Hoedster van de Kronieken benoem ik Sheriam Bayanar.’ Dat veroorzaakte veel minder gejuich; een Hoedster was tenslotte geen Amyrlin. Egwene wierp een blik omlaag en wachtte tot Sheriam naar buiten kwam snellen, nog steeds de stola goed schikkend. De stola van de Hoedster was blauw, om aan te geven dat ze verheven was uit de Blauwe Ajah. Er was besloten geen nabootsing te maken van de Arnyrlinstaf, die aan de punt de vlam van de Witte Toren toonde en door de Hoedster werd meegedragen. Tot de echte staf uit de Witte Toren terug was gewonnen, zouden ze het zonder moeten doen. Sheriam had erop gerekend veel langer te moeten wachten en keek Egwene openlijk verwijtend aan. In de rijen van de Gezetenen lieten Romanda en Lelaine niets merken. Beiden hadden heel goed aangeduid wie zij de beste Hoedster achtten, en het was overbodig te zeggen dat geen van beiden Sheriam had genoemd.

Egwene haalde diep adem en wendde zich weer tot de wachtende menigte. ‘Ter ere van deze dag verklaar ik hierbij dat alle Aanvaarden en novices van boetedoening of straf worden ontslagen.’ Dat was gebruikelijk en veroorzaakte een blij geroep onder de wit geklede meisjes en enkele Aanvaarden die zichzelf vergaten. ‘Ter ere van deze dag verklaar ik hierbij dat Theodrin Dabei, Faolain Orande, Nynaeve Almaeren en Elayne Trakand vanaf dit ogenblik tot de stola zijn verheven, tot volledige zusters en Aes Sedai.’ Dit werd begroet met een soort verwonderde stilte, waarbij hier en daar wat gemompeld werd. Dit was in het geheel geen gebruik, zeker niet. Maar het was gezegd, en het was maar goed dat Morvrin toevallig Theodrin en Faolain had genoemd. Het werd tijd weer naar de woorden terug te gaan die zij voor haar hadden geschreven. ‘Hierbij verklaar ik dit tot een feestdag. Verricht alleen die werkzaamheden die voor vreugde en vermaak vereist zijn. Moge het Licht schijnen op u allen en moge de hand van de Schepper u beschutten.’ Dat laatste ging ten onder in een reusachtig gebrul dat zelfs de golf die de woorden verspreidde, onderdrukte. Sommigen begonnen meteen in de straat te dansen hoewel daarvoor amper ruimte was.

Het vlot van Lucht daalde misschien een tikkeltje sneller dan het was opgestegen. De Gezetenen keken haar strak aan toen ze afstapte. De gloed van hun saidar was knipperend al bijna uit voor ze de grond raakte.

Sheriam schoot naar voren, greep Egwene bij de arm en glimlachte de Gezetenen met hun rotsharde gezichten toe. ik moet de Amyrlin haar werkvertrek tonen. Vergeef me.’ Egwene kon niet echt beweren dat Sheriam haar naar binnen werkte, maar ze kon het evenmin echt tegenspreken. Ze dacht niet dat Sheriam haar wilde meetrekken maar het leek haar toch beter met haar vrije hand de rok op te lichten en grotere stappen te maken, zodat ze het niet hoefde te ontdekken. Haar werkvertrek, achter de wachtkamer, bleek iets kleiner te zijn dan haar slaapkamer, met twee vensters, een schrijftafel, een stoel met een rechte rug erachter en nog twee ervoor. Verder niets. De muurpanelen met wormgaatjes waren in de was gezet zodat ze dof glommen, maar de tafel was volkomen kaal en leeg. Op de vloer lag een stuk van een gebloemd tapijt.

‘Vergeef me als ik wat kortaf was, Moeder,’ zei Sheriam die haar arm losliet, ‘maar ik meende dat we elkaar even onder vier ogen moesten spreken voor u met een van de Gezetenen praat. Ze hebben allemaal aan uw toespraak gewerkt en...’

‘Ik weet dat ik een paar dingen heb veranderd,’ merkte Egwene met een opgewekte glimlach op, ‘maar ik voelde me zo’n idioot terwijl ik daar stond en dat alles moest zeggen.’ Hadden ze er allemaal aan meegewerkt? Geen wonder dat het had geklonken als de praat van een dikdoenerig oud kletswijf. Ze lachte bijna hardop, in ieder geval zei ik wat gezegd moest worden, de kern ervan. Elaida moet weg en ik zal ze leiden om dat klaar te spelen.’

‘Ja,’ zei Sheriam langzaam, ‘maar er zullen vragen worden gesteld over enkele andere... veranderingen. Theodrin en Faolain zullen zeker tot Aes Sedai worden verheven zodra we de Toren en de Eedstaf weer in handen hebben. Waarschijnlijk Elayne ook, maar Nynaeve kan nog geen kaarsje aansteken als ze niet eerst in ieders aanwezigheid aan haar vlecht rukt.’