Выбрать главу

‘Afgesproken.’ Egwene spuwde op haar handpalm, stak die uit en even later spuwde Elayne op de hare. Grijnzend sloegen ze de handen ter bezegeling in elkaar.

Langzaam vervaagde de grijns. ‘Gaat dit over Rhand en zijn pardon, Egwene?’

‘Gedeeltelijk. Elayne, hoe kon de man zo...?’ Ze kon de zin niet afmaken; er bestond trouwens toch geen antwoord op. De ander knikte wat bedroefd. Begrijpend, instemmend, of wellicht allebei. De deur ging open en een forse vrouw in donkere wollen kleding verscheen met een zilveren dienblad in haar handen, waarop drie zilveren bekers stonden en een zilveren wijnkan met een hoge hals. Ze had een afgeleefd boers gezicht, maar haar donkere ogen glinsterden, terwijl ze beurtelings Elayne en Egwene opnam. Egwene verbaasde zich even dat de vrouw ondanks haar grauwe kleding een strakke zilveren ketting droeg, maar meteen erna verscheen Nynaeve die de deur dichtdeed. Ze moest er als de wind vandoor zijn gegaan, omdat ze nog tijd had gevonden een gewaad aan te schieten van donkerblauwe zijde waarop langs de hals en de zoom gouden krullen waren geborduurd. Het gewaad was niet zo laag uitgesneden als wat Berelain droeg, maar behoorlijk wat lager dan Egwene ooit van Nynaeve verwacht had. ‘Dit is Marigan,’ zei Nynaeve en ze schoof haar vlecht handig over de schouder. Haar gouden Grote Serpent-ring glansde aan haar rechterhand.

Egwene wilde vragen waarom ze die naam zo nadrukkelijk uitsprak, maar besefte opeens dat de ketting van ‘Marigan’ precies bij Nynaeves armband paste. Onwillekeurig bleef ze ernaar staren. De vrouw was zeker niet wat ze zich bij een Verzaker had voorgesteld. Dat zei ze ook en Nynaeve lachte. ‘Kijk maar, Egwene.’

Ze deed meer dan toekijken, ze omhelsde saidar en sprong bijna uit haar stoel. Zodra Nynaeve had gesproken had de gloed Marigan omhuld. Slechts kort, maar voor hij doofde, veranderde de vrouw in het eenvoudige wollen kleed volkomen. Eigenlijk waren het vrij kleine wijzigingen, maar alles tezamen maakte haar tot een andere vrouw, eerder mooi dan knap, maar zeker niet afgeleefd, een vrouw die trots en zelfs koninklijk was. De ogen bleven wel hetzelfde, glinsterend, maar hoe ze ook heen en weer schoten, Egwene kon best geloven dat het Moghedien was.

‘Hoe?’ vroeg ze slechts. Ze luisterde zorgvuldig terwijl Nynaeve en Elayne alles uitlegden over het weven van vermommingen en het omkeren van weefsels, maar bleef Moghedien aankijken. Die vrouw was trots en vol van zichzelf, verguld dat ze zichzelf weer was. ‘Maak het ongedaan,’ zei Egwene toen alles was uitgelegd. Opnieuw was de gloed van saidar enkele tellen zichtbaar en waren na het verdwijnen geen weefsels meer te zien. Moghedien werd weer de eenvoudige, afgeleefde boerenvrouw die een hard leven had geleid en er voor haar leeftijd ouder uitzag. Haar zwarte ogen glinsterden nog, vervuld met haat voor Egwene, maar mogelijk ook met afkeer van zichzelf.

Egwene besefte dat ze saidar nog steeds vasthield en voelde zich wat dwaas. Nynaeve noch Elayne hadden de Bron omhelsd. Maar ja, Nynaeve droeg de armband. Egwene stond op en bleef Moghedien aankijken. Ze stak haar hand uit en Nynaeve leek bijzonder gretig om het ding van haar pols af te schuiven, wat Egwene best kon begrijpen. Nynaeve overhandigde de armband en zei: ‘Zet het blad op tafel, Marigan. En gedraag je. Egwene heeft een tijd bij de Aiel gewoond.’ Egwene draaide de zilveren band om en om in haar handen en probeerde niet te rillen. Knap werk, zo knap verdeeld dat de armband bijna uit één stuk leek te zijn gemaakt. Ze had eens het andere eind van de a’dam gedragen. Een Seanchaans ding met een zilverige lijn tussen de ketting en de armband, maar toch hetzelfde. Haar maag speelde op, wat in de Zaal en buiten op straat voor al die mensen niet was gebeurd. Ze voelde kramp alsof haar maag het alsnog wilde klaarspelen. Vastbesloten klikte ze het zilver rond haar pols. Ze had enig idee wat ze kon verwachten, maar sprong desondanks bijna op van haar stoel. De gevoelens van de andere vrouw waren duidelijk herkenbaar, haar lichamelijke toestand, alles en alles in een afgeschermd gedeelte van Egwenes hoofd. Hoofdzakelijk bonzende vrees, maar Moghediens afschuw voor zichzelf, die ze meende gezien te hebben, werd veel sterker. Moghedien hield niet van haar huidige uiterlijk. Misschien vooral nu ze weer even zichzelf was geweest.

Egwene dacht aan de vrouw dié voor haar stond; een Verzaker; al eeuwenlang werd de naam gebruikt om kinderen angst aan te jagen. Een vrouw die zoveel misdaden had begaan dat ze wel honderdmaal gevonnist kon worden. Ze dacht aan de kennis in dat hoofd. Ze dwong zich te glimlachen. Het was geen prettige glimlach. Dat wilde ze ook niet, maar ze had niet gedacht er zo een te kunnen maken als ze het probeerde. ‘Ze hebben gelijk. Ik heb bij de Aiel gewoond. Dus als je erop rekent dat ik even aardig ben als Nynaeve of Elayne... Zet dat maar uit je hoofd. Een verkeerde beweging, en je smeekt om je dood. Maar ik ga je niet doden. Ik zal slechts een manier zoeken om dat gezicht blijvend te maken. Aan de andere kant, als je me meer ergert dan door een fout...’ Ze maakte haar wrede glimlach zo breed dat zelfs haar tanden te zien waren.

De vrees groeide buitensporig, zodat al het andere werd overstemd en tegen het scherm in haar hoofd spoelde. Voor de tafel staand hield Moghedien met witte knokkels haar rok vast en beefde zichtbaar. Nynaeve en Elayne keken Egwene aan alsof ze haar nooit eerder hadden gezien. Licht, verwachtten ze dat ze aardig zou zijn voor een Verzaker? Sorilea zou óf de vrouw buiten in de Woestenij vastbinden om haar gehoorzaamheid af te dwingen óf haar meteen de keel opensnijden.

Egwene stapte dichter naar Moghedien toe. De vrouw was langer, maar ze week krimpend terug tegen de tafel, waardoor de wijnbekers op het blad omvielen en de kan wankelde. Egwene maakte haar stem kil en had er niet veel moeite mee. ‘De dag dat ik een leugen van je ontdek, is de dag waarop ik jou terechtstel. Goed. Ik heb gedacht aan reizen van de ene plek naar de andere door laten we zeggen een gat te boren van hier naar elders. Een gat door het Patroon, zodat er geen afstand bestaat tussen het ene eind en het andere. Werkt dat inderdaad?’

‘Helemaal niet. Voor jou niet, voor geen enkele vrouw,’ zei Moghedien, ademloos en snel. De vrees die haar overheerste, was op haar gezicht af te lezen. ‘Zo reizen mannen.’

Het was duidelijk dat ze het over een verloren Talent had. ‘Als jij dat probeert, word je opgezogen... Ik weet niet waarin. De ruimte tussen de draden van het Patroon misschien. Ik denk niet dat je dat lang overleeft. Ik weet wel dat je nooit meer terug zou komen.’

‘Reizen!’ mompelde Nynaeve geërgerd. ‘We hebben nooit aan Reizen gedacht.’

‘Inderdaad.’ Elayne was net zo vergramd, ik vraag me af waar we nog meer niet aan hebben gedacht.’

Egwene negeerde hen. ‘Hoe dan?’ vroeg ze zachtjes. Een zachte stem was altijd beter dan schreeuwen.

Moghedien kromp ineen alsof ze wel had geschreeuwd. ‘Je maakt de twee plekken in het Patroon hetzelfde. Ik kan je laten zien hoe dat gaat. Het kost wat moeite door de... door de ketting, maar ik kan...’

‘Zo?’ vroeg Egwene terwijl ze saidar omhelsde en stromen Geest weefde. Ditmaal raakte ze de Dromenwereld niet aan, maar als het werkte, verwachtte ze iets soortgelijks. Ze kreeg echter iets heel anders. Het dunne geweven gordijn kreeg geen glinsterend gevolg, en het duurde maar een tel voor het samenklapte tot een rechte lijn die opeens een spleet van zilverblauw licht werd. De lichtspleet zelf verwijdde zich snel – of draaide zich denkelijk misschien om – tot... iets. Midden in de kamer was een... doorgang, zeker niet het mistige uitzicht op Tel’aran’rhiod, zoals ze de vorige avond buiten haar tent had gezien. Het was een opening naar een door de zon geteisterd land, waarbij zelfs het droge Salidar een bloeiende tuin leek. Stenen rotspieken en scherpe klippen rezen dreigend op boven een stoffige vlakte van gele klei, doorkliefd met barsten en bezaaid met enkele lage struiken die er zelfs op deze afstand stekelig uitzagen.

Egwenes mond viel bijna open. Dat was de Woestenij, halverwege de Koudrotsveste en de vallei van Rhuidean, een plek waar het zeer onwaarschijnlijk was dat iemand dit zou zien of gewond zou raken. Rhands voorzorg met zijn bijzondere kamer in het Zonnepaleis had haar aangeraden ook zoiets te doen – maar ze had slechts gehoopt het te bereiken en ze was er zeker van geweest dat ze het alleen door een schemerig gordijn zou zien.