Выбрать главу

Voorovergebogen liet Egwene haar armen rusten op de zijkant van de koperen kuip. Terwijl Chesa haar rug boende, liet Egwene haar gebabbel over zich heen komen. Ze had gedroomd van een bad, maar nu ze echt in het naar bloemen geurende sop zat, voelde het vreemd aan na de zweettent van de Aiel. Ze had haar eerste stappen als Amyrlin gezet, haar zwakke leger opgesteld en de aanval ingezet. Ze herinnerde zich wat ze Rhuarc eens had horen zeggen; dat na het begin van de strijd een krijgsleider de gebeurtenissen niet meer in de hand had. Dus kon ze nu alleen nog afwachten. ‘Desondanks,’ zei ze zachtjes, ‘denk ik dat de Wijzen trots op me zouden zijn.’

38

Een plotselinge kou

De bloedhete zon klom nog steeds achter Mart omhoog en hij was blij dat zijn breedgerande hoed zijn gezicht wat schaduw bood. Dit Altaraanse bos was zo kaal als in de winter en zag er nu nog meer winters uit door de dorre naaldbomen, lederbladbomen en andere eeuwig groene bomen en de verschrikkelijk kale eiken, essen en zoetgombomen. Het moest nog middag worden en het zou dus nog heter worden en het leek nu al op een rit door een oven. Zijn jas had hij op zijn zadeltassen gelegd, maar zijn bezwete hemd van fijn linnen plakte aan hem vast. Pips’ hoeven knisperden op dode varens en gevallen bladeren die een dikke laag op de bladaarde vormden. De Bond reed over een krakende bosbodem. Er lieten zich weinig vogels zien, er was wat gefladder tussen de takken en geen enkele eekhoorn. Er waren wel vliegen en bijters, alsof het hartje zomer was en niet de maand van het Lichtfeest en de jaarwisseling. Het verschilde eigenlijk niet van wat hij eerder langs de Erinin had opgemerkt, maar deze omgeving verontrustte hem. Was de hele wereld echt aan het verbranden? Aviendha beende naast Pips mee, met de bepakking op haar rug en schijnbaar onbezorgd over stervende bomen of steekvliegen. Ze maakte ondanks haar rok aanzienlijk minder herrie dan het paard. Haar ogen zochten de omringende bomen af, alsof ze er niet op vertrouwde dat de verkenners en de flankdekking een hinderlaag zouden voorkomen. Ze had elk aanbod om mee te rijden afgeslagen. Hij had dat trouwens ook wel verwacht, denkend aan wat de Aiel van rijden vonden, maar ze veroorzaakte evenmin overlast, tenzij het wetten van haar mes bij elke stop als zodanig kon worden beschouwd. Er was natuurlijk dat voorval met Olver geweest. Rijdend op de hoogbenige ruin die Mart tussen de hulppaarden had gevonden, bleef Olver haar behoedzaam opnemen. Hij had de tweede nacht geprobeerd haar met zijn mesje dood te steken, schreeuwend dat de Aiel zijn vader hadden vermoord. Natuurlijk pakte ze hem het mes gewoon af, maar zelfs nadat Mart zijn polsen had vastgehouden en had geprobeerd het verschil tussen de Shaido en de Aiel uit te leggen – iets waarvan Mart ook betwijfelde of hij het fijne ervan begreep – keek Olver haar voortdurend woest aan. Hij hield niet van Aiel. Wat Aviendha betrof: ze voelde zich niet op haar gemak bij Olver, wat Mart onbegrijpelijk vond. De bomen waren zo hoog dat er best een briesje onder de takken door had kunnen dringen, maar de banier van de Rode Hand hing volkomen slap, evenals de twee die hij te voorschijn had laten halen nadat Rhand hen door een poort naar een nachtelijk weiland had laten stappen. De banier van de Draak, de rood met gouden vorm verborgen achter de witte plooien, en de banier met het gelukkig eveneens onzichtbare, oeroude Aes Sedai-teken dat de Bond Altors banier noemde. Een grijze, oudere vaandrig droeg de Rode Hand, een man met dicht bij elkaar staande ogen en zelfs meer littekens dan Daerid, die erop stond de banier inderdaad een deel van een dag te dragen, wat maar weinig vaandeldragers deden. Talmanes en Daerid hadden gezorgd voor tweehandmeesters voor de andere banieren. Jongemannen met frisse gezichten die zich standvastig genoeg hadden betoond voor wat verantwoordelijkheid.

Ze trokken nu drie dagen door Altara, drie dagen in een bos zonder één draakgezworene te zien – niemand anders ook trouwens – en Mart hoopte dat die eenzaamheid zou blijven bestaan tot ze bij Salidar kwamen. Afgezien van de Aes Sedai zat hij met de moeilijkheid hoe hij Aviendha uit de buurt van Elaynes keel kon houden. Hij twijfelde eigenlijk weinig over de reden dat ze haar mes steeds weer aanscherpte. De snede glinsterde als edelstenen. Hij was heel bang dat hij uiteindelijk de Aielse onder bewaking mee naar Caemlin zou moeten voeren, waarbij de vervloekte erfdochter bij elke stap van de reis de strop voor haar zou eisen. Rhand met zijn vervloekte vrouwen! Alles wat de Bond ophield en hem van de rotzooi die hij in Salidar verwachtte, weghield, kwam Man uitstekend uit. Vroeg stoppen en laat wegrijden hielpen ook. Net als de bevoorradingswagens achter hen, die in het bos nog slechter konden doorrijden, maar de Bond kon bijna niet trager. Het zou niet lang duren, of Vanin vond iets.

Alsof de gedachte de man had opgeroepen, verscheen de dikke verkenner tussen de bomen, gevolgd door vier ruiters. Hij was er met zes man voor de dageraad op uit getrokken.

Mart hief een gebalde vuist, wat stoppen aangaf, en door de colonne trok wat gemompel. Zijn eerste bevel na de poort was geweest: geen trommels, geen trompetten, geen fluiten en geen bloedliedjes. Er waren aanvankelijk misschien enkele ontevreden gezichten geweest, maar na de eerste dag in het bos, waar je nooit verder en vaak minder dan zo’n honderd pas ver kon zien, maakte niemand meer bezwaar. Mart liet zijn speer op het zadel rusten en wachtte tot Vanin naast hem de teugels aantrok en terloops met zijn knokkels langs het voorhoofd streek. ‘Gevonden?’

De kalende man boog zich in het zadel opzij om door een gat van een ontbrekende tand te spuwen. Hij zweette zo erg dat hij leek te smelten. ‘Ik heb ze gevonden. Acht of tien span naar het westen. Er zijn zwaardhanden in het bos. Ik heb gezien dat ze Mar vastgrepen. Hij verscheen in zo’n mantel gewoon uit het niets en maaide hem met één klap uit het zadel. Sloeg hem behoorlijk, maar heeft hem niet gedood. Ik vermoed dat Ladwin om dezelfde reden niet zal opdagen.’

‘Dus ze weten dat we hier zijn.’ Mart snoof diep de lucht op door zijn neus. Hij rekende er niet op dat die twee mannen iets voor de zwaardhanden zouden verzwijgen, laat staan voor een Aes Sedai. Nou ja, de Aes Sedai moesten het vroeg of laat toch horen. Hij had het alleen graag wat uitgesteld. Hij sloeg naar een blauwvlieg, maar die zoemde weg, een rode plek op zijn pols achterlatend. ‘Hoeveel?’ Weer spoog Vanin. ‘Meer dan ik ooit had gedacht te zien. Ik ben het dorp in gelopen en in alle hoeken en gaten zag ik Aes Sedai-gezichten. Twee-, driehonderd. Misschien wel vierhonderd, ik wilde niet al te opvallend tellen.’ Voor die schok was verwerkt, had de man nog een andere klaar. ‘Ze hebben ook een leger. Voornamelijk in kampen naar het noorden. Meer man dan jij hebt. Wellicht tweemaal zoveel.’ Tijdens dit gesprek waren Talmanes, Nalesean en Daerid er zwetend bij komen staan, terwijl ze vliegen en bijters wegsloegen. ‘Hebben jullie dat gehoord?’ vroeg Mart en ze knikten kort. Dat hij geluk had in de strijd was fijn, maar nu stond het een tegen twee, terwijl ze daar nog eens enkele honderden Aes Sedai bij mochten tellen. Zoiets maakte aan elk geluk een eind. ‘We zijn niet hier om te vechten,’ opperde hij, maar hun gezichten bleven lang. Die opmerking maakte hem ook niet echt blij, want waar het op aankwam was of de Aes Sedai wilden dat hun leger moest vechten.

‘Bereid de Bond voor op een aanval,’ beval hij. ‘Ruim zoveel mogelijk grond en gebruik stammen om versperringen op te richten.’ Talmanes vertrok zijn gezicht bijna even erg als Nalesean. Ze zaten in de strijd liever te paard zodat ze zich konden bewegen. ‘Denk na! Op dit ogenblik kunnen zwaardhanden ons al in het oog houden.’ Verbaasd zag hij dat Vanin knikte en betekenisvol naar rechts keek. ‘Als ze zien dat we ons voor de verdediging klaarmaken, hebben we duidelijk niet de bedoeling aan te vallen. Misschien besluiten ze dan ons met rust te laten, maar als dat niet gebeurt, zijn we er tenminste klaar voor.’ Dat drong door, sneller tot Talmanes dan tot Nalesean. Daerid had vanaf het begin instemmend staan knikken.

Nalesean rukte even aan zijn geoliede baardje en mompelde. ‘Wat ben je van plan daarna te gaan doen? Gewoon zitten wachten?’