Terwijl Mart Pips aanspoorde te volgen liet Vanin zijn grijsbruine paard terugvallen en mompelde: Tets aan Aes Sedai vragen is nooit een goed idee. Ik had je de weg kunnen wijzen.’ Hij gebaarde met zijn hoofd naar een stenen vierkant gebouw van twee verdiepingen hoog. ‘Ze noemen het de Kleine Toren.’ Mart trok ongerust zijn schouders op. De Kleine Toren? En ze hadden iemand die ze de Amyrlin Zetel noemden? Hij betwijfelde of de vrouw Elaida had bedoeld. Opnieuw had Rhand het mis. Dit stel was zeker niet bang. Ze waren te opgeblazen gek om bang te zijn.
Voor het stenen gebouw zei de magere Aes Sedai gebiedend: ‘Wacht hier,’ en ze verdween naar binnen.
Aviendha liet zich op de grond glijden en Mart volgde snel. Hij wilde klaarstaan als ze probeerde weg te glippen. Hij wilde eerst de kans om met die zogenaamde Amyrlin te kletsen en was niet van plan haar zomaar te laten gaan om Elayne de hals te laten afsnijden, zelfs al kostte het hem wat bloed. Ze bleef echter kalm staan, staarde recht voor zich uit, had de vingers verstrengeld voor haar buik en de omslagdoek rond de ellebogen hangen. Ze leek volkomen op haar gemak, maar hij dacht dat ze net zo goed zeer bevreesd kon zijn. Als ze iets van verstand bezat, was ze dat. Ze hadden een menigte aangetrokken. Aes Sedai begonnen zich te verzamelen, sloten hen in tegen de voorgevel van hun Kleine Toren, en loerden in stilte naar hem. De kring vrouwen werd steeds groter. Eigenlijk leken er net zoveel naar Aviendha te kijken als naar hem, maar hij voelde alle kille, onleesbare ogen. Hij kon nog net voorkomen dat hij aan de zilveren vossenkop onder zijn hemd voelde.
Een Aes Sedai met een eenvoudig gezicht duwde zich naar voren en voerde een slanke jonge vrouw met grote ogen met haar mee. Hij herinnerde zich Anaiya nog vaag, maar ze leek amper belangstelling voor hem te hebben. ‘Weet je het zeker kind,’ vroeg ze de novice. De mond van de jonge vrouw verstrakte iets, maar ze liet zeker geen ergernis in haar stem doorklinken. ‘Hij lijkt nog te gloeien, te glanzen. Ik zie het echt. Ik weet alleen niet waarom.’
Anaiya glimlachte opgetogen ‘Hij is ta’veren, Nicola. Je hebt je eerste Talent ontdekt. Je kunt ta’veren zien. Nu terug naar je klas. Snel. Je wilt niet achter komen.’ Nicola maakte een snelle knix en werkte zich na een laatste blik op Mart weer door de omringende groep Aes Sedai. Daarna richtte Anaiya haar blik op hem. Zo’n Aes Sedai-blik die bedoeld was om een man van zijn stuk te brengen. Hij raakte inderdaad behoorlijk van slag. Natuurlijk kenden sommige Aes Sedai hem, soms beter dan hem lief was. Nu hij erover nadacht, leek hij zich te herinneren dat Anaiya een van hen was, maar ze hoefde dat alles niet hardop te zeggen, niet in aanwezigheid van het Licht mocht weten hoeveel vrouwen met kille Aes Sedai-ogen. Zijn handen streken over de schacht van zijn speer. Vossenkop of niet, er stonden nu meer dan genoeg om hem gewoon op te tillen en mee te dragen. Vervloekte Aes Sedai! Vervloekte Rhand!
Hij kon Anaiya’s belangstelling echter maar kort vasthouden. Ze stapte naar Aviendha en zei: ‘Hoe heet jij, kind?’ Het klonk heel aardig, maar ze verwachtte een antwoord en wel meteen. Aviendha keek haar vierkant aan; ze was een hoofd groter en gebruikte elk haartje van dat voordeel, ik ben Aviendha van de Bitterwatersibbe van de Taardad Aiel.’ Anaiya’s mond vertrok door haar weerspannige toon tot een glimlach.
Mart vroeg zich af wie het eerst haar ogen zou neerslaan, maar voor hij met zichzelf een weddenschap kon afsluiten, kwam er een andere Aes Sedai bij. Deze vrouw had een gezicht met ingevallen wangen waardoor ze de indruk van ouderdom gaf, ondanks haar gladde huid en glanzende bruine haar. ‘Besef je dat je kunt geleiden, kind?’
‘Dat weet ik,’ zei Aviendha kort en ze klemde haar mond weer dicht, alsof ze niet van plan was meer te zeggen. Ze bekeek nauwlettend haar omslagdoek, maar ze had al te veel gezegd. De Aes Sedai verzamelden zich om haar heen en lieten Mart verder met rust. ‘Hoe oud ben je, kind?’
‘Je hebt veel kracht opgedaan, maar als novice zou je nog zoveel kunnen leren.’
‘Sterven er veel Aielvrouwen aan een verterende ziekte wanneer ze nog wat jonger zijn dan jij?’
‘Hoe lang kun je al...’
‘Je kunt...’
‘Je zou echt...’
‘Je moet...’
Nynaeve verscheen zo onverwachts in de deuropening dat ze uit het niets leek te verschijnen. Ze plantte haar vuisten in de zij en keek Mart strak aan. ‘Wat doe jij hier, Martrim Cauton? Hoe ben je hier gekomen? Ik veronderstel dat ik niet echt mag hopen dat je niets te maken hebt met dat leger draakgezworenen dat op ons afstormt.’
‘Eigenlijk,’ zei hij droog, ‘staan ze onder mijn bevel.’
‘Onder jouw...’ Nynaeve bleef met open mond staan kijken, gaf haar schouders een ruk en trok aan haar blauwe gewaad, alsof het niet goed zat. Ze droeg een lagere halslijn dan hij ooit eerder bij haar had gezien, laag genoeg om iets van haar borsten te tonen, met geborduurde gele krullen rond de halslijn en aan de zoom. Heel anders dan wat ze thuis in Tweewater had gedragen. ‘Nou, kom met me mee,’ zei ze scherp. ‘Ik breng je naar de Amyrlin.’
‘Mart Cauton,’ riep Aviendha, een tikkeltje ademloos. Ze keek zoekend tussen de Aes Sedai rond. ‘Mart Cauton.’ Enkel die twee woorden, maar voor een Aiel leek ze buiten zichzelf te zijn. De Aes Sedai om haar heen gingen gewoon, onvermoeid en wijs, met kalme stemmen door.
‘Voor jou is het het beste...’
‘Je dient te overwegen...’
‘Je kunt je amper voorstellen...’
Mart grijnsde. Misschien zou ze dadelijk haar dolk trekken, maar hij betwijfelde of dat in zo’n menigte veel zou helpen. Ze zou zeker niet snel op jacht kunnen naar Elayne. Zich afvragend of hij haar bij terugkeer in witte kledij zou aantreffen, gooide hij de speer naar Vanin. ‘Ga maar voor, Nynaeve. Laten we die Amyrlin van jou eens opzoeken.’
Ze keek hem streng fronsend aan en leidde hem naar binnen, terwijl ze aan haar vlecht rukte en half en half in zichzelf liep te mopperen. ‘Dus hier heeft Rhand mee te maken, nietwaar? Ik weet dat het zo is. Op de een of andere manier. Iedereen de stuipen op het lijf jagen. Pas jij maar heel goed op, generaalheer Cauton of ik zweer je dat je liever weer betrapt zou worden bij het stelen van blauwbessen. Mensen zoveel angst aanjagen! Zelfs een man moest verstandiger zijn! Hou op met dat gegrijns, Mart Cauton! Ik weet niet wat ze met jou gaat doen.’ Binnen zaten Aes Sedai aan tafels. Het voelde aan als een gelagkamer, zelfs met die zorgvuldige Aes Sedai die schreven of bevelen afgaven. Ze keken hem en Nynaeve amper aan, terwijl ze door de ruimte liepen. Voor hem leek het echter een soort beestenspul van vrouwen. Een Aanvaarde beende mopperend weg, en geen enkele Aes Sedai zei iets. Hij was eens in de Toren geweest – en het was hem gelukt die tijd zo kort mogelijk te houden – maar hij wist dat de Aes Sedai zaken niet op deze manier regelden.
Achter in het vertrek duwde Nynaeve een deur open die betere dagen had gekend. Alles in dit dorp had betere dagen gekend. Mart volgde haar... en bleef stokstijf staan. Binnen stond Elayne, mooi als altijd met haar goudblonde haren, maar ze speelde weer tot aan haar kruin de hoge edelvrouwe. Ze droeg een gewaad van groene zijde met een hoge hals van kant en toonde een van die neerbuigende glimlachjes en opgetrokken wenkbrauwen. Egwene zat er ook, achter een tafel met een vragende glimlach op haar gezicht. En een stola met zeven kleurstroken over haar lichtgele gewaad. Hij keek snel naar buiten en klapte de deur dicht voor een Aes Sedai naar binnen kon gluren. ‘Misschien vinden jullie dit grappig,’ gromde hij terwijl hij zo snel hij kon over het tapijt verder stapte, ‘maar ze villen je als ze dit zien. Hiermee laten ze je nóóit gaan, niemand van jullie, als ze...’ Hij griste de stola van haar schouders en trok haar haastig de stoel uit. De zilveren vossenkop tegen zijn borst werd ijskoud.