Выбрать главу

Het andere was dat mensen wisten dat hij Rhands vriend was. Zelfs als hij niet door die poort was aangekomen, herkenden sommige Aiel en Tyreners hem nog van de Steen en het nieuws verspreidde zich. Heren en vrouwen die hij van zijn leven niet had gezien, stelden zich in de gang of in een hal aan hem voor. Hoogheren die in Tyr hun neus voor hem hadden opgehaald, spraken hem in Cairhien aan als een oude vriend. De meesten roken naar vrees en naar iets anders wat hij niet kon benoemen. Ze wilden allemaal hetzelfde, besefte hij. ‘Ik ben bang dat de Drakenheer mij niet altijd in vertrouwen neemt, mijn vrouwe,’ zei hij beleefd tegen een vrouw met kille ogen die Colavaere heette. ‘Wanneer hij dat doet, wilt u toch niet dat ik zijn vertrouwen beschaam.’ Haar glimlach leek van oneindig hoog te komen. Ze leek zich af te vragen of hij een passend kleedje voor de open haard zou zijn. Ze rook vreemd, hard en gladjes, en op de een of ander wijze... hoog.

‘Ik weet niet echt wat Rhand van plan is,’ vertrouwde hij Meilan toe. De man bleef langs zijn neus staren, maar glimlachte desondanks even vaak als Colavaere. Hij rook hetzelfde, bijna even sterk. ‘Misschien zou u het zelf kunnen vragen.’

‘Als ik het wist, kan ik het toch moeilijk de hele stad vertellen,’ zei hij tegen een witharige angsthaas met te veel tanden, een kerel die Maringil heette. Maar toen was hij al doodmoe van ai die pogingen hem uit te melken. Maringil scheidde dezelfde geur af en rook er net zo sterk naar als Colavaere en Meilan.

Deze drie gingen veel verder dan ieder ander en hij voelde de gevaarlijke geur tot in zijn botten, als een droge berg vlak voor een lawine. Doordat hij die jonge zotten in het oog diende te houden en door de lucht van de machtigen rook hij Berelains geurtje vaak pas als ze zo dichtbij was gekropen dat ze toe kon slaan. Nou ja, ze dreef meer als een zwaan in een rimpelloze vijver door de gangen, maar het voelde aan of hij overvallen werd.

Hij had het onnoemelijk vaak over Faile, maar Berelain leek het niet te horen. Hij vroeg haar op te houden en Berelain lachte, gaf een klopje op zijn wang en vroeg waarmee ze moest ophouden. En uitgerekend op dat ogenblik kwam Faile natuurlijk de volgende zijgang uit, net op het moment dat hij terugdeinsde. Op Faile moest het de indruk maken dat hij wegschoot omdat hij haar zag. Zonder enige aarzeling draaide Faile zich soepel op haar hakken om en stapte geen pas langzamer of sneller weer weg.

Hij holde achter haar aan, haalde haar in en liep in een pijnlijke stilte naast haar mee. Een man kon bij al die vreemden toch nauwelijks zeggen wat hij had te zeggen? Door al die lange gangen naar hun kamers bleef Faile glimlachen, maar duizenden doornen drongen diep in zijn neus door.

‘Het was helemaal niet wat het leek,’ zei hij zodra de deur dichtviel. Ze zei geen woord, haar wenkbrauwen rezen slechts in een stille vraag omhoog. ‘Nou ja, het was... Berelain gaf me een klopje op mijn wang’ – nog steeds glimlachend zakten haar wenkbrauwen dreigend omlaag en er verscheen felle razernij tussen de doorns – ‘en ze deed het zomaar. Ik heb haar niet aangemoedigd, Faile. Ze deed het zomaar.’ Hij hoopte dat ze iets zou zeggen, maar ze keek hem slechts strak aan. Ze leek te wachten. Waarop? Opeens kreeg hij een idee, en als zo vaak leek te gebeuren wanneer hij met haar sprak, greep hij het meteen aan. ‘Faile, het spijt me.’ Haar boosheid werd zo scherp als een scheermes. ‘Ik begrijp het,’ zei ze effen en ze gleed de kamer uit. Hij had nu dus dubbel misgekleund en zichzelf blijkbaar beter de mond kunnen snoeren, al begreep hij zijn fout niet. Hij had spijt betuigd voor iets dat hij niet eens had gedaan. Die middag ving hij een gesprek op van Bain en Chiad die – ongelooflijk maar waar – bespraken of ze Faile zouden helpen hem een pak rammel te geven! Hij kon er niet uit opmaken of Faile dat had voorgesteld – ze was woest, maar zó woest? – niettemin vermoedde hij dat het tweetal het opzettelijk liet horen, wat hem kwaad maakte. Zijn vrouw besprak blijkbaar hun persoonlijke zaken met hen, zaken die alleen man en vrouw aangingen. Het maakte hem nog kwader. Kletste ze bij de thee misschien ook nog over hun andere zaken? Die nacht trok Faile ondanks de hitte een dik wollen nachthemd aan, terwijl hij stomverbaasd toekeek. Toen hij bijna verlegen haar wang probeerde te kussen, mompelde ze dat ze een vermoeiende dag had gehad en draaide zich om. Ze rook woedend, scherp genoeg om een scheermes overlangs te splijten

Met die geur kon hij niet slapen en hoe langer hij naast haar lag en het plafond in de duisternis bekeek, hoe bozer hij werd. Waarom deed ze dit? Merkte ze dan niet dat hij alleen van haar hield? Had hij haar niet keer op keer bewezen dat hij in zijn leven alleen haar eeuwig vast wilde houden? Moest hij er de schuld van krijgen dat een gek mens het waanidee had met hem te willen vrijen? Hij hoorde haar eigenlijk over de knie te nemen om wat gezond verstand in haar te timmeren. Hij had dat echter al eens gedaan, toen ze hem een stomp meende te geven om iets te benadrukken. Uiteindelijk had hij er meer hartzeer aan overgehouden dan het haar pijn had gedaan. Hij had een hekel aan de gedachte dat Faile pijn leed. Hij wilde in vrede met haar leven. Alleen met haar.

Zodra zich het eerste grijs van de zesde ochtend in Cairhien achter de ramen vertoonde, nam hij een besluit. In de Steen had Berelain volgens hem met tientallen mannen lopen scharrelen. Wat zij in hem als geliefde vond, kon ze ook bij een ander vinden, als hij lange tijd uit zicht bleef. En als Berelain eenmaal een ander slachtoffer had gevonden, zou Faile wel verstandig worden. Het leek eenvoudig. Zodra hij wat kleren had aangeschoten verdween hij dus naar Loial, ontbeet en vergezelde hem naar de librije. En nadat hij die slanke Aes Sedai had gezien en Loial hem vertelde dat ze er elke dag was – hij was altijd een tikkeltje beschroomd bij een Aes Sedai; Perijn kon het niet schelen, al waren er vijftig -, snoof hij Gauls spoor op om hem te vragen of hij zin had te gaan jagen. Er waren natuurlijk niet veel herten of konijnen in de heuvels rond de stad over. Wat er nog leefde, leed evenzeer onder de droogte als de mensen, maar Perijns neus kon best een of meer konijnen vinden als ze echt op vlees uit waren. Hij legde zelfs geen enkele keer een pijl aan, maar stond erop buiten te blijven tot Gaul hem vroeg of hij van plan was in het licht van de maansikkel op vleermuizenjacht te gaan. Soms vergat Perijn dat andere mensen ’s nachts minder goed zagen dan hij. De volgende dag en elke dag daarna ging hij ook tot het donker jagen.

Het probleem was dat het eenvoudige plan volkomen fout leek te gaan. In de eerste nacht dat hij terug bij het Zonnepaleis kwam, de boog ontspannen over de schouder, zich prettig voelend na al dat lopen, ving hij bij toeval door wat tocht Berelains lucht op voordat hij nietsvermoedend de hoofdhal in stapte. Hij maande de Aielwachten hun mond te houden en sloop rond het paleis naar een dienstingang waar een kerel met dikke ogen hem na een harde roffel binnenliet. De avond erna wachtte Berelain hem op in de gang van hun kamers. Hij moest zich de halve nacht om de hoek schuilhouden voor ze het opgaf. Elke nacht stond ze ergens anders te wachten en hij snapte niet hoe ze een toevallige ontmoeting kon spelen wanneer slechts enkele bedienden wakker waren. Het was waanzin van de bovenste plank. Waarom viel ze niet op een ander? En als hij eindelijk de slaapkamer met zijn laarzen in de hand binnensloop, lag Faile al in dat vervloekte, dikke nachthemd te slapen. Elke nacht. Lang voor zijn zesde slapeloze nacht was hij bereid elke blunder toe te geven, al begreep hij nog steeds niet welke. Het had allemaal zo vervloekt eenvoudig geleken. Gunde ze hem nou maar één woordje, gaf ze maar één aanwijzing wat hij moest zeggen of doen. Maar het enige dat hij hoorde, waren zijn op elkaar geklemde tanden in de duisternis.