Выбрать главу

Perijns hand verstrakte zich om de schede van zwijnenleer. ‘Ik haal hem terug,’ gromde hij. Danel en de andere mannen uit Tweewater konden door de langzamere karren nog maar halverwege Cairhien zijn. Maar daarbuiten leefden nog de wolven. ‘Al ga ik alleen, ik haal hem terug.’

‘Niet alleen,’ merkte Loial even grimmig op als rotsstenen. ‘Zolang ik er ben, nooit alleen, Perijn Aybara.’ Opeens bewogen zijn oren verlegen; hij leek altijd beschaamd, wanneer iemand zag dat hij dapper was. ‘Mijn boek krijgt immers geen mooi eind als Rhand gevangen in de Toren zit. En ik kan toch niet hier in het Zonnepaleis over zijn redding schrijven.’

‘Je zult niet de enige zijn, Ogier,’ zei Dobraine. ik kan morgen vijfhonderd betrouwbare mannen in het zadel hebben. Ik weet niet wat we tegen zes Aes Sedai kunnen doen, maar ik heb een eed gezworen.’ Kijkend naar Sulin voelde hij aan de das die hij nog steeds in zijn hand had. ‘Maar in hoeverre kunnen we op die wilden rekenen?’

‘In hoeverre kunnen we op boomdoders rekenen?’ wilde Sorilea weten met een stem als van taai gelooid leer. Ze schreed onaangekondigd binnen. Rhuarc die grimmig rook, was bij haar en werd gevolgd door Amys. Haar al te jonge gezicht stond even koel als dat van een Aes Sedai, wat slecht bij haar witte haren paste. Nandera rook naar moordlustige razernij en had een pakje grijsbruine kleren bij zich.

‘Weten jullie het dan?’ vroeg Perijn ongelovig.

Nandera gooide Sulin de kleren toe. ‘De hoogste tijd dat je je toh ingelost zag. Ruim vier weken, anderhalve maand. Zelfs gai’shain zeggen dat je trots te groot is.’ De twee vrouwen verdwenen de slaapkamer in.

Een lichte ergernis van Faile dreef in Perijns neusgaten. ‘Handtaal van de Speervrouwen,’ mompelde ze zo zacht dat alleen hij het opving. Hij keek haar dankbaar aan, maar ze leek weer alleen oog te hebben voor het steenbord. Waarom hield ze zich erbuiten? Ze gaf goede raad en hij zou haar heel dankbaar zijn voor elke raad die ze aanbood. Ze zette een steen en keek fronsend naar Loial die alleen op Perijn en de anderen lette.

Perijn probeerde niet te zuchten en zei effen: ‘Het kan me niet schelen wie wie vertrouwt. Rhuarc, ben je bereid je Aiel in te zetten tegen de Aes Sedai? Het zijn er zes. Honderdduizend Aiel zouden hen bezig kunnen houden.’ Hij knipperde met zijn ogen bij het noemen van het aantal. Tienduizend man werd als een groot leger beschouwd, maar Rhand had het aantal genoemd en na wat Perijn in de nabije heuvels had gezien, geloofde hij het ook. Verrast merkte hij dat Rhuarc aarzelde. ‘Zoveel is niet mogelijk,’ zei het stamhoofd langzaam, en hij zweeg even voor hij verder sprak. ‘Vanmorgen zijn er lopers aangekomen. De Shaidostam trekt met zijn hoofdmacht vanuit Therins Dolk op naar het zuiden, recht naar het hart van Cairhien. Wellicht heb ik er genoeg om hen tegen te houden – ze lijken niet allemaal op te trekken – maar als ik zoveel speren uit dit land meevoer, zal alles wat we hebben bereikt ongedaan worden gemaakt. Op z’n minst zullen de Shaido deze stad hebben geplunderd voor wij terug zijn. Niemand weet hoe ver ze hebben gereisd, in andere landen wellicht, en hoeveel ze als gai’shain hebben meegevoerd.’ Hij rook bij zijn laatste woorden heel sterk naar walging, maar Perijn begreep er niets van. Het belangrijkste was toch dat Rhand, de Herrezen Draak, gevangen naar Tar Valon werd gebracht? Wat deed het er dan toe hoeveel land opnieuw veroverd moest worden? Een veel pijnlijker gedachte stak aarzelend de kop op: hoeveel mensen stierven er?

Sorilea had Perijn strak staan opnemen. De ogen van de Wijzen gaven Perijn het gevoel dat hij als een kapotte ploeg uit elkaar werd genomen, waarbij iedere pen werd bekeken en onderzocht om te zien of hij hersteld of vervangen moest worden. ‘Vertel hem alles, Rhuarc,’ zei ze scherp.

Amys legde een hand op Rhuarcs arm. ‘Hij heeft het recht dat te weten, schaduw van mijn hart. Hij is Rhand Altors naastbroeder.’ Ze zei het zacht en rook heel vastberaden.

Rhuarc keek de Wijzen hard aan en Dobraine verachtelijk. Ten slotte strekte hij zich in zijn volle lengte uit. ‘Ik kan alleen Speervrouwen en siswai’aman meenemen.’ Aan zijn stem en geur te merken, zou hij liever een arm kwijt zijn dan dit toe te geven. ‘Te veel anderen zullen niet met Aes Sedai de speren willen dansen.’ Dobraines lippen krulden verachtelijk.

‘Hoeveel Cairhienin zullen tegen Aes Sedai willen strijden?’ vroeg Perijn kalm. ‘Tegen zes Aes Sedai en alleen met staal aan onze kant?’ Hoeveel Speervrouwen en van die sis-mannen kon Rhuarc bij elkaar krijgen? Deed er niet toe; de wolven waren er ook nog. Hoeveel wolven zouden er sterven?

De krulling verdween en Dobraine zei stijf: ‘Ik, heer Aybara. Ik en mijn vijfhonderd man, al zijn er zestig Aes Sedai.’

Zelfs Sorilea’s kakelende lach leek gelooid. ‘Wees niet bang voor Aes Sedai, boomdoder.’ Opeens danste tot ieders schrik een klein vlammetje vlak voor haar in de lucht. Ze kon geleiden! Ze liet het vlammetje even snel verdwijnen als er plannen werden ontworpen, maar het bleef in Perijns gedachten. Hoe klein, hoe zwak flakkerend ook, het had een oorlogsverklaring geleken die meer indruk maakte dan trompetgeschal, de opmaat tot een niets ontziende strijd.

‘Als je meewerkt,’ zei Galina alsof ze samen een kopje thee dronken, ‘zal het leven wat plezieriger voor je zijn.’

Het meisje staarde dof terug en verschoof op haar kruk, nog steeds met wat pijn. Ze zweette veel, hoewel ze geen jas droeg. De tent moest heet zijn, maar soms vergat Galina de hitte helemaal. Niet voor het eerst vroeg ze zich van alles af bij deze Min of Elmindreda, of hoe haar echte naam ook luidde. De eerste keer dat Galina haar had gezien, droeg ze jongenskleding en was ze in het gezelschap van Nynaeve Almaeren, Egwene Alveren en Elayne Trakand, maar die eerste twee hadden wat met Altor. De tweede keer was Elmindreda het soort vrouw geweest waar Galina een hekel aan had, een en al prulletjes en zuchtjes. In die dagen had ze onder de persoonlijke bescherming van Siuan Sanche gestaan. Wat Elaida bezield had om toe te staan dat ze de Toren verliet, kon Galina zich niet indenken. Wat voor kennis zat er in dat meisjeshoofd? Misschien zou Elaida haar niet meteen krijgen. Als ze in de Toren op de juiste manier werd gebruikt, zou het meisje Galina mogelijk in staat stellen Elaida als een zwaluw onder een netje te vangen. Zeker door Alviarin was Elaida een van die sterke en kundige Amyrlins geworden die elk touwtje vast in eigen hand hield. Door. haar in een kooitje te stoppen zou Alviarin zwakker worden. En als ze deze Min op de juiste manier gebruikte...

Galina voelde een verandering in de stromen en veerde op. ‘Ik praat weer verder als je tijd hebt gehad na te denken, Min. Bedenk maar eens goed hoeveel tranen een man waard is.’

Eenmaal buiten de tent snauwde Galina een magere zwaardhand die op wacht stond toe: ‘Hou haar deze keer goed in het oog.’ Carilo had bij het voorval van de vorige avond niet op wacht gestaan, maar die gaidin werden veel te veel vertroeteld. Als ze er dan toch waren, behoorden ze als soldaten te worden aangepakt, en verder niets. Ze negeerde zijn buiging en gleed weg van de tent op zoek naar Gawein. De jongeman was heel stil geweest na de gevangenname van Altor en veel te kalm. Ze wilde het plan niet laten mislukken omdat hij wraak voor zijn moeder probeerde te nemen. Ze zag Gawein echter te paard aan de rand van het kamp zitten praten met een groepje van die jongens die zich de Jongelingen noemden.

Ze hadden vandaag vroeg moeten stoppen en de middagzon vormde lange schaduwen van de tenten en de wagens naast de weg. Een vlakte met lage heuvels omringde het kamp en slechts hier en daar waren een paar kleine bosjes zichtbaar. Drieëndertig Aes Sedai, negen Groenen, slechts dertien Roden en de rest van Alviarins Witte Ajah, met hun bedienden en zwaardhanden zorgden voor een behoorlijk groot kamp en dat nog zonder Gawein met zijn soldaten. Een aantal zusters stond buiten of keek uit hun tent, omdat ze net als Galina hetzelfde hadden gevoeld. Alle aandacht was gericht op de zeven Aes Sedai bij een in koper beslagen kist die zo was geplaatst dat elk beetje zonnewarmte erop viel. Zes zaten op krukken en de zevende was Erian. Nadat Altor er de vorige avond weer was ingestopt, was ze niet ver van de kist geweken. Hij had er eenmaal uit mogen komen, nadat de stad achter hen uit het zicht was verdwenen, maar Galina vermoedde dat Erian zou voorstellen hem de rest van de reis in die kist te laten maken. De Groene ging tegenover haar staan, zodra ze aan kwam lopen. Gewoonlijk was Erian heel knap, haar gezicht een prachtig ovaal, maar nu waren haar wangen rood bevlekt, zoals ze na de vorige avond voortdurend waren geweest, en haar lieve donkere ogen waren rood omrand. ‘Hij probeerde opnieuw door het schild heen te breken, Galina.’ Woede mengde zich met verachting voor de dwaasheid van die man, waardoor haar stem dik en schor klonk. ‘Hij moet weer gestraft worden. Ik wil degene zijn die hem straft.’