Iedere man in Illian die zonder erover te struikelen een speer kan vasthouden, blijkbaar,’ zei Tolmeran met een nors gezicht. Hij was evenzeer op de strijd met Illian gebrand als de andere Tyreners – de twee naties haatten elkaar sinds hun ontstaan uit de brokstukken van Artur Haviksvleugels rijk en hun geschiedenis was een lange lijst van om het minste of geringste uitgebroken oorlogen – maar hij leek wat minder dan de andere Hoogheren aan te nemen dat iedere veldslag met een goede aanval gewonnen kon worden, iedere verkenner die terug weet te komen, geeft door dat de kampementen groter zijn en de verdediging is versterkt.’
‘We dienen nu op te trekken, mijn heer Draak,’ zei Weiramon nadrukkelijk. ‘Het Licht brande mijn ziel, maar ik kan de Illianers te pakken nemen met de broekriem om hun enkels. Ze zitten daar vast! U weet dat ze amper paarden bezitten! Ik stamp ze tot de laatste man fijn en dan ligt de weg naar de stad voor ons open.’ Net als in Tyr en Cairhien had de stad de natie zijn naam geschonken, ik mag blind worden, mijn heer Draak, als ik uw banier niet binnen een maand, op z’n hoogst twee maanden, boven Illian laat wapperen.’ Met een blik op de Cairhienin dwong hij zich moeizaam eraan toe te voegen: ‘Semaradrid en ik zullen het doen.’ Semaradrid maakte een kleine buiging. Heel klein.
‘Nee,’ zei Rhand kortaf. Weiramons plan zou een regelrechte ramp betekenen. Er lag ruim tweehonderdvijftig span tussen het kamp en de grote heuvelforten van Sammael. Tweehonderdvijftig span over een steppe waar men een heuveltop van vijftig voet hoog noemde en enkele struiken een woud. Sammael had ook verkenners; elke rat of raaf kon er een zijn. Twaalf of dertien dagen voor de Tyreners en Cairhienin als ze geluk hadden. De Aiel konden de afstaand in barre nood misschien in vijf dagen afleggen – één of twee verkenners verplaatsten zich sneller dan een heel leger, zelfs bij de Aiel – maar zij maakten geen deel uit van Weiramons grote plan. Lang voor Weiramons aankomst bij de Doirlon-heuvels, zou Sammael klaar staan om de Tyreners te verpletteren, niet andersom. Een dwaas plan. Zelfs nog dwazer dan het plan dat Rhand uiteen had gezet. ‘Ik heb jullie je bevelen gegeven. Jullie houden hier stand tot Mart aankomt en het bevel op zich kan nemen. Ook dan verzet niemand een voet, tot ik van mening ben dat we voldoende mannen hebben. Er zijn er nog meer onderweg, Tyreners, Cairhienin en Aiel. Ik ben van plan Sammael volkomen te verpletteren, Weiramon, hem voor altijd te vermorzelen en Illian onder het banier van de Draak te brengen.’ Dit laatste was in ieder geval waar. ik zou heel graag hier bij jullie willen blijven, maar Andor vergt nog al mijn aandacht.’
Weiramons gezicht leek op een verweerde steen, Semaradrids grijns kon de wijn in zijn bokaal verzuren tot azijn en Tolmeran keek zo door en door nietszeggend dat zijn afkeuring even duidelijk was als een stomp in je gezicht. Bij Semaradrid was het het uitstel dat hem zorgen baarde. Hij had er verscheidene malen op gewezen dat er wel elke dag meer mannen in het kampement kwamen, maar dat er ook meer forten in Illian werden opgetrokken. Ongetwijfeld was Weiramons plan op zijn aandringen opgesteld, hoewel hij een beter plan zou kunnen maken. Tolmerans twijfel betrof Mart. Ondanks alles wat hij van de Cairhienin had gehoord over Marts krijgskennis, dacht Tolmeran dat het slechts dwaas gevlei was voor een boer die toevallig de vriend van de Herrezen Draak was. Het waren eerlijke bedenkingen en Semaradrid had volkomen gelijk. Indien het voorgelegde plan meer was geweest dan een nieuw afleidingskunstje. Het was niet waarschijnlijk dat Sammael alleen op zijn spiedende ratten en raven afging. Rhand hield er rekening mee dat er in het kamp ook verspieders van de andere Verzakers zaten en waarschijnlijk van de Aes Sedai. ‘Het zal zijn zoals u wenst, mijn heer Draak,’ zei Weiramon gewichtig. De man was dapper in de strijd, maar verder een volslagen blinde dwaas die slechts kon denken aan de roem van een stormaanval, zijn haat jegens Illian, zijn verachting voor Cairhien en voor de wilde Aiel. Rhand was er zeker van dat Weiramon voor hem de juiste man op de juiste plaats was. Tolmeran en Semaradrid zouden zich niet in beweging zetten zolang Weiramon het bevel voerde.
Ze spraken nog lange tijd. Rhand luisterde en stelde zo nu en dan een vraag. Er kwam geen verder verzet, geen nieuwe raadgevingen over het inzetten van de aanval, in het geheel geen gedachtewisseling over de aanval. Rhands vragen aan Weiramon en de anderen betroffen wagens: wagens en hun lading. De Vlakte van Maredo telde weinig dorpen, die bovendien ver uiteenlagen, en er was geen stad, afgezien van Far Maddin in het hoge noorden. Er was amper genoeg akkerbouw om de bewoners daar te voeden. Uit Tyr zou een voortdurende stroom wagens en karren met voorraden, van broden tot hoefnagels, nodig zijn voor dit reusachtige leger. Behalve Tolmeran meenden de Hoogheren dat een leger alles kon meenemen wat het tijdens die tocht over de vlakte nodig had, waarna het in Illian van het land kon leven. Ze schenen de gedachte aantrekkelijk te vinden dat ze de landen van hun oeroude vijanden als een zwerm sprinkhanen konden leegplunderen. De Cairhienin hadden andere ideeën, Semaradrid en Meneril in ieder geval. Het waren niet alleen de gewone burgers geweest die in de Cairhiense burgeroorlog en tijdens de belegering van hun hoofdstad door de Shaido’s hongersnood hadden gekend. Hun ingevallen wangen spraken duidelijke taal. Illian was een welvarend land en zelfs de Doirlon-heuvels kenden boerderijen en wijngaarden, maar Semaradrid en Meneril wilden de magen van hun krijgslieden niet afhankelijk laten zijn van een onzekere bevoorrading, als er ook andere manieren bestonden. Rhand zelf wilde zoveel mogelijk voorkomen dat Illian geplunderd zou worden. Hij maakte het niemand eigenlijk lastig. Sunamon verzekerde hem dat de karren werden verzameld en hij had allang zijn lesje geleerd over wat er gebeurde als je Rhand het ene vertelde en het andere deed. In heel Tyr werden voorraden verzameld, ondanks het feit dat Weiramon ongeduldig grijnsde bij het hele idee en Torean zwetend mompelde over de kosten. Het belangrijkste was echter de voortgang van het plan – en dat vertraging werd voorkomen.
Het afscheid vereiste nog meer groots gepruttel en ingewikkelde buigingen, terwijl hij de sjoefa rond zijn hoofd draaide en de Drakenstaf weer oppakte. Er waren half gemeende uitnodigingen voor een banket en even onoprechte aanbiedingen om hem tot zijn vertrek gezelschap te houden, als hij niet van hun feest kon blijven genieten. Zowel de Tyreners als de Cairhienin vermeden het gezelschap van de Herrezen Draak even hard als maar mogelijk was zonder zijn gunst te verliezen, terwijl ze net deden of dat echt niet het geval was. Ze wilden zeker ergens anders zijn als hij geleidde. Ze brachten hem naar de uitgang van de tent en volgden hem natuurlijk nog enige stappen daarbuiten, maar Sunamon zuchtte hoorbaar toen hij hen achterliet, en Rhand hoorde Torean zelfs opgelucht giechelen. De stamhoofden gingen zwijgend met Rhand mee en de Speervrouwen buiten vormden samen met Sulin en de andere drie een kring rond de zes mannen. Ze liepen naar de groen gestreepte tent. Ditmaal klonken er slechts enkele toejuichingen, en de hoofden zeiden niets. In het paviljoen hadden ze zojuist even weinig gezegd. Toen Rhand daar een opmerking over maakte, zei Dhearic: ‘Die natlanders wensen niet naar ons te luisteren.’ Hij was een potige kerel, een duimpje kleiner dan Rhand, met een grote neus en goed zichtbare, lichtere lokken in het goudblonde haar. Zijn blauwe ogen stonden vol afkeer. ‘Zij horen alleen de wind.’
‘Hebben ze je iets verteld over die opstandelingen?’ vroeg Erim. Hij was langer dan Dhearic, had een vooruitstekende kin en bijna evenveel wit als rood in zijn haar.
‘Dat hebben ze,’ zei Rhand en Han keek hem gefronst aan. ‘Als je die Tyreners achter hun landgenoten aanstuurt, maak je een fout. Zelfs als je ze zou kunnen vertrouwen, denk ik niet dat ze het aan zouden kunnen. Stuur de speren. Eén stam is voldoende.’ Rhand schudde het hoofd. ‘Darlin en zijn opstandelingen kunnen wachten. Sammael is belangrijk.’