Nynaeve wist een glimlach op te brengen voor Nildra en mompelde iets, ze wist niet wat, en beende toen weg naar de gemeenschappelijke keuken om een ochtendmaaltijd te vinden. Alweer Mijrelle. Ze vroeg zich af of de Groene het om een of andere reden persoonlijk op haar voorzien had, en of ze voor altijd met een verkrampte maag opgezadeld zou zijn, omdat ze Moghedien vasthield. Sinds ze de vrouw met de a’dam getemd had, at ze ganzenmunt alsof het snoepjes waren. Het was niet moeilijk om thee met honing en een ovenvers broodje te krijgen, maar toen ze die eenmaal had, at ze het al lopend op. Het zweet parelde op haar gezicht. Zelfs op dit vroege tijdstip werd de hitte al erger en de lucht droog. De rijzende zon vormde een koepel van gesmolten goud boven het woud.
De stoffige straten waren vol, zoals altijd wanneer er genoeg daglicht was om bij te zien. Aes Sedai gleden kalm voorbij en negeerden stof en hitte. Hun gezichten waren raadselachtig, zoals hun taken dat waren. Vaak werden ze op de hielen gevolgd door zwaardhanden, wolven met koude ogen die vergeefs voorgaven getemd te zijn. Overal waren er krijgslieden, die gewoonlijk in troepen marcheerden of reden, hoewel Nynaeve niet begreep waarom ze het overvolle dorp in mochten, terwijl ze kampementen in de bossen hadden. Er renden kinderen rond, die de krijgslieden vaak nadeden met stokken als zwaarden en pieken. In het wit geklede novices liepen haastig door de menigte heen, belast met een of ander werkje. Dienaren liepen wat langzamer: vrouwen met armen vol beddengoed voor Aes Sedai of manden met brood van de keukens, mannen bij ossenkarren vol brandhout, mannen die kisten sleepten of hele schapen over hun schouders naar de keukens droegen. Salidar was er niet op berekend om zoveel mensen onderdak te bieden; het dorp kon elk moment uit zijn voegen barsten. Nynaeve bleef doorlopen. Behalve als een Aanvaarde novices les gaf, mocht ze het grootste deel van de dag voor haarzelf studeren, alleen of met een Aes Sedai, maar een Aanvaarde die niets leek uit te voeren kon door iedere Aes Sedai worden opgepikt. Ze was niet van plan om de hele dag een Bruine zuster te helpen met het bijhouden van boeken of een Grijze met haar aantekeningen over te schrijven. Ze haatte overschrijven, met al dat geklak na een inktvlek en al dat gezucht omdat haar handschrift niet zo netjes was als dat van een klerk. Dus liep ze tussen de mensenmenigte en het stof door op zoek naar Siuan en Leane. Ze was boos genoeg om zonder Moghedien te geleiden. Elke keer als ze de zware gouden ring tussen haar borsten voelde, dacht ze: Hij moet in leven zijn. Ook al is hij mij vergeten. Licht, laat hem gewoon in leven zijn. Dat laatste maakte haar natuurlijk nog bozer. Als al’Lan Mandragoran ook maar aan vergeten durfde te denken, zou ze hem nog wat leren. Hij moest in leven zijn. Zwaardhanden stierven vaak wanneer zij wraak namen voor hun Aes Sedai. Het stond even onwrikbaar vast als het opkomen van de zon dat niemand en niets een zwaardhand die zich wilde wreken konden tegenhouden. Er bestond voor Lan echter geen enkele manier om Moiraine te wreken, net zomin als wanneer ze van haar paard zou zijn gevallen en haar nek had gebroken. Zij en Lanfir hadden elkaar gedood. Hij móést in leven zijn. En waarom zou zij zich schuldig voelen over Moiraines dood? Het was waar, het had Lan bevrijd, maar Nynaeve was niet bij haar dood betrokken geweest. Maar toch was haar eerste gedachte na het bericht van Moiraines dood een van korte vreugde geweest, Lan was nu immers vrij voor haar, geen verdriet om Moiraine. Ze schaamde zich nog steeds, en dat maakte haar bozer dan ooit.
Plotseling zag ze Mijrelle op straat naar haar toelopen, met de geelblonde Croi Makin, een van haar drie zwaardhanden, naast haar. Hij was nog jong, maar zo hard als steen. De Aes Sedai had een vastberaden uitdrukking op haar gezicht, en er was niets te zien van de gevolgen van de nacht. Er was ook niets wat aangaf dat Mijrelle haar zocht, maar Nynaeve dook snel in een groot stenen gebouw dat ooit een van Salidars drie herbergen was geweest. De brede gelagkamer was leeg en ingericht als een soort ontvangstkamer. De gepleisterde muren en plafond waren opgeknapt, er waren een paar fleurige wandkleden opgehangen en er lagen een paar kleurige kleden op de vloer, die misschien niet meer zo ruw leek maar nog steeds moeilijk in de was kon worden gezet. De beschaduwde ruimte leek waarachtig koel in vergelijking tot de straat. Nou ja, koeler. De ruimte was ook in gebruik. Logain stond vrijmoedig voor een grote haard, de panden van zijn met goud geborduurde rode jas achter zich geschoven, waakzaam gadegeslagen door Lelaine Akashi. Haar met blauwe franje versierde stola gaf aan dat het om een vormelijke aangelegenheid ging. Zij was een slanke vrouw met een waardige houding, die soms een warme glimlach te voorschijn kon toveren. Ze was een van de drie Gezetenen voor de Blauwe Ajah in de Zaal van de Toren in Salidar. Vandaag viel haar doordringende blik het meest op, terwijl zij Logains gehoor opnam. Dat bestond uit twee mannen en een vrouw, gestoken in schitterende, geborduurde gewaden en met gouden sieraden om. Ze waren alle drie enigszins vergrijsd. Een van de mannen was bijna kaal en had een vierkant geknipte baard en een grote snor als om dat goed te maken. Het waren machtige Altaraanse edellieden die gisteren met een groot gevolg waren aangekomen, en elkaar met minstens evenveel achterdocht bejegenden als de Aes Sedai die een legermacht binnen Altara opbouwden. Altaranen waren trouw aan een heer of een vrouwe of een stad, waardoor weinig trouw voor het land Altara overbleef. Weinig edelen betaalden schatting of trokken zich iets van hun koningin in Ebo Dar aan, maar een leger in hun midden vonden ze wel degelijk van belang. Het Licht mocht weten hoe zij de geruchten over de draakgezworenen opvatten. Maar op dit ogenblik vergaten ze om elkaar hooghartig of Lelaine uitdagend aan te kijken. Hun ogen waren strak op Logain gericht, alsof hij een enorme, felgekleurde adder was. Om het plaatje te voltooien stond daar de koperkleurige Burin Shaeren, die uit een ontwortelde stronk leek gehouwen. Hij hield zowel Logain als de bezoekers in de gaten. Een man die zich klaar hield om in een oogwenk heftig en gewelddadig in beweging te komen. Lelaines zwaardhand was er slechts deels om Logain in de gaten te houden -uiteindelijk werd Logain geacht uit eigen vrije wil in Salidar te zijn – maar vooral om hem te beschermen tegen zijn bezoekers en een mes in zijn hart.
Wat Logain betrof: hij leek onder al die blikken op te leven. Hij was een grote man met krullend haar dat tot op zijn brede schouders viel. Hij was donker en knap, zij het met een hard gezicht, en leek op een trotse, zelfverzekerde adelaar. Maar het was de belofte van wraak die zijn ogen liet fonkelen. Als hij het niet iedereen die hij wilde, betaald kon zetten, kon hij tenminste op een paar wraak nemen. ‘Zes Rode zusters vonden mij in Cosamelle, ongeveer een jaar voor ik mijzelf uitsprak,’ zei hij bij de binnenkomst van Nynaeve. ‘De leider werd Javindhra genoemd, hoewel er eentje die Barasine heette ook flink wat afpraatte. En ik hoorde Elaida noemen, alsof zij ervan af wist. Ze troffen me in mijn slaap aan en ik dacht dat het met me gedaan was toen ze me afschermden.’