‘Mijn wonderen?’ vroeg Rhand ongelovig.
Een gerimpelde, witharige bediende in een veel te groot livrei met een grote vaas in zijn handen probeerde buigend opzij te stappen. Hij struikelde en viel achterover. De lichtgroene vaas van papierdun Zeevolk-porselein vloog over zijn hoofd naar achteren en buitelde draaiend en stuiterend over de donkerrode vloertegels tot hij kaarsrecht tot stilstand kwam, zo’n dertig stappen verder de gang in. De oude man krabbelde verrassend kwiek op, snelde naar de vaas, pakte hem, liet zijn handen erover glijden en slaakte een uitroep van zowel ongeloof als opluchting dat hij geen barstje of scherfje kon ontdekken. De andere bedienden keken met even ongelovige open monden toe, voor ze met een schok zichzelf hervonden en hun taak afmaakten. Ze vermeden zo nadrukkelijk naar Rhand te kijken dat verschillenden vergaten te buigen of te knikken.
Bashere en Bael keken elkaar aan en Bashere blies zijn dikke snor omhoog.
‘Vreemd toeval dan,’ zei hij. ‘Elke dag duikt er een nieuw verhaal op over een kind dat uit een dertig voet hoog venster valt, op zijn hoofd terechtkomt en er nog geen blauwe plek aan overhoudt. Of over een grootmoeder die vlak voor een twintigtal op hol geslagen paarden belandt, maar op de een of andere manier stoten ze haar niet eens om, laat staan dat ze onder hun hoeven wordt vertrappeld. Een kerel gooide gisteren tweeëntwintig keer achter elkaar vijf kronen bij het dobbelen en ook dat schrijven ze op jouw rekening. Gelukkig maar voor hem.’
‘Men zegt,’ voegde Bael eraan toe, ‘dat er gisteren een mand met dakpannen van een dak viel, dat geen enkele pan op straat was gebroken, en dat ze in de vorm van het oude Aes Sedai-teken lagen.’ Hij wierp een blik op de bediende die met open mond de vaas tegen zijn borst klemde, terwijl ze langs hem liepen, ik twijfel er niet aan dat het inderdaad zo is gebeurd.’
Rhand liet zijn adem langzaam ontsnappen. Het andere soort wonderen noemden ze natuurlijk niet. De man die zomaar struikelde en zich aan zijn eigen halsdoek ophing omdat die achter een deurgrendel bleef haken. De losse daklei die met een rukwind werd weggetrokken, door een open raam naar binnen zeilde, een gang door, en vervolgens een vrouw doodde die met haar gezin zat te eten. Het soort dingen dat wel ooit eens ergens gebeurde. Maar dat soort dingen was in zijn nabijheid niet zeldzaam. Zowel slechte als goede gebeurtenissen kwamen even vaak voor. Beïnvloedde hij het toeval door zich op een paar span afstand te bevinden? Nee, als de draken op zijn onderarmen en de ingebrande reigers in zijn handpalmen verdwenen, zou hij nog steeds getekend zijn. Er bestond een gezegde in de Grenslanden: De plicht is zwaarder dan een berg, de dood lichter dan een veer. Als die berg eenmaal stevig op je schouders rustte, kon je hem onmogelijk van je afzetten. Er was trouwens toch niemand die hem verder kon dragen en het had geen zin daarover door te zeuren.
Hij maakte zijn woorden bruusk. ‘Hebben jullie de daders gevonden die die man hebben opgehangen?’ Bashere schudde het hoofd. ‘Zoek ze en zet ze vast voor moord. Ik wil dat hier een eind aan komt. Twijfel over mij is geen misdaad.’ De geruchten vermeldden dat de Profeet er wel een halsmisdaad van maakte, maar daar kon hij voorlopig niets aan doen. Hij wist niet eens waar Masema zat, ja ergens in Geldan of Amadicia. Als hij ondertussen niet ergens anders was heengetrokken. Toch maar weer een volgende aantekening in zijn hoofd. Hij moest de man vinden en op de een of andere manier laten inbinden. ‘Onafhankelijk van hoe ver die praatjes gaan?’ vroeg Bashere. ‘Er wordt gefluisterd dat je een valse Draak bent die met hulp van de Aes Sedai Morgase hebt omgebracht. Het volk wordt geacht tegen jou in opstand te komen om hun koningin te wreken. Er kunnen er meer zijn dan één toevallige fluisteraar. Het is niet duidelijk.’ Rhands gezicht werd hard. Met het eerste kon hij nog leven – hij moest wel. Er waren te veel afwijkende verhalen om ze allemaal te onderdrukken, hoe vaak hij het ook ontkende – maar hij kon geen gestook voor een opstand toestaan. Andor mocht zeker niet door een oorlog verdeeld worden. Hij zou Elayne een land geven dat net zo onberoerd was als het in zijn handen was gevallen. Als hij haar tenminste ooit zou vinden. ‘Zoek uit wie ermee is begonnen,’ zei hij ruw, ‘en gooi ze in de gevangenis.’ Licht, hoe kon je die persoon vinden? ‘Als ze om vergiffenis willen vragen, kunnen ze dat bij Elayne doen.’ Een jong dienstmeisje in een grof bruin gewaad dat een blauwe, met de hand geblazen glazen schaal afstofte, ving een blik van hem op en de schaal viel uit haar bevende handen in honderden scherven. Hij stuurde het lot niet altijd. ‘Is er ook nog goed nieuws? Ik kan wel wat gebruiken.’ De jonge vrouw bukte zich om bevend de scherven bijeen te rapen, maar Sulin keek haar even aan. Slechts kort, maar de vrouw sprong achteruit en drukte zich met grote ogen tegen een wandtapijt dat een luipaardenjacht weergaf. Rhand begreep het niet, maar sommige vrouwen leken banger voor een Speervrouw dan voor een Aielman. De jonge vrouw keek Bael aan alsof ze hoopte dat hij haar zou beschermen. Hij leek haar niet eens te zien.
‘Het hangt ervan af wat je onder goed nieuws verstaat.’ Bashere haalde zijn schouders op. ik heb gehoord dat Ellorien van Huis Traemane en Pelivar van Huis Coelan drie dagen geleden de stad zijn binnengekomen. Binnengeslopen zou je kunnen zeggen en geen van hen is volgens mij in de buurt van de Binnenstad geweest. Op straat wordt gezegd dat Dyelin van Huis Taravin zich op het platteland vlak bij de stad bevindt. Niemand heeft je uitnodiging beantwoord. Ik heb ook niets gehoord dat een van hen met de geruchten verbindt.’ Hij wierp een blik op Bael die kort zijn hoofd schudde.
‘Wij horen minder dan jij, Davram Bashere. Deze mensen spreken vrijer bij andere natlanders.’
In ieder geval was het goed nieuws. Dat waren de mensen die Rhand nodig had. Als ze geloofden dat hij de valse Draak was, kon hij er wel iets op verzinnen. Als ze geloofden dat hij Morgase had gedood... Nou ja, zoveel te beter als ze ter herinnering haar en haar geslacht trouw bleven. ‘Stuur ze een nieuwe uitnodiging voor een bezoek. Vermeld Dyelin er ook in; mogelijk weten zij waar ze is.’
‘Als ik zo’n uitnodiging verstuur,’ zei Bashere vol twijfel, ‘herinner ik ze er waarschijnlijk alleen maar aan dat er een Saldeaans leger in Andor is.’
Rhand aarzelde, knikte en grijnsde opeens. ‘Vraag vrouwe Arymilla ze te bezorgen. Ongetwijfeld grijpt ze die kans met beide handen aan om te laten zien hoe na zij me staat. Maar jij schrijft ze!’ Moiraines lessen in het Spel der Huizen kwamen wederom goed van pas. ik weet niet of het goed of slecht nieuws is,’ zei Bael, ‘maar de Roodschilden hebben me verteld dat twee Aes Sedai kamers in een herberg in de Nieuwe Stad hebben genomen.’ De Roodschilden hadden Basheres mannen geholpen bij het wachtlopen in Caemlin en deden het nu alleen af. Bael grijnsde even vanwege de boosheid op Basheres gezicht. ‘We horen minder, Davram Bashere, maar we zien wellicht meer.’ is een van hen onze kattenliefhebster?’ vroeg Rhand. De verhalen over een Aes Sedai in de stad bleven de ronde doen. Soms werden er twee vermeld, soms drie of een hele groep. Bashere en Bael hadden er echter nooit achter kunnen komen. Het bleven enkel verhalen over een Aes Sedai die honden en katten heelde, wat altijd verderop om de hoek gebeurde, en werden verteld door iemand die het in een herberg of bij de markt had opgevangen.
Bael schudde zijn hoofd, ik denk van niet. De Roodschilden zeiden dat deze twee blijkbaar midden in de nacht zijn aangekomen.’ Bashere keek belangstellend – hij miste zelden de kans om Rhand duidelijk te maken dat ze de Aes Sedai nodig hadden – maar Bael fronste lichtjes, zo licht, dat het slechts een Aiel zou opvallen. Aiel gingen heel behoedzaam om met Aes Sedai, zelfs terughoudend. Die paar woorden gaven Rhand genoeg stof om over na te denken. Alles kwam toch op hem neer. De twee Aes Sedai moesten een reden hebben om Caemlin in te komen, wanneer hun zusters na zijn komst de stad vermeden. De waarschijnlijkste reden was dat het iets met hem te maken had. Zelfs in heel veilige tijden reisden weinig mensen ’s nachts en dit waren geen beste tijden. Aes Sedai die in het duister aankwamen, probeerden misschien onopgemerkt te blijven en hij was uiteraard de persoon die niets mocht merken. Aan de andere kant waren ze misschien op doorreis. Wat een boodschap voor de Toren kon betekenen. Eerlijk gezegd was hijzelf, volgens hem, voor de Toren van het meeste belang. Of misschien waren ze onderweg om zich te voegen bij die Aes Sedai van wie Egwene volhield dat ze hem zouden steunen.