Выбрать главу

Wat het ook was, hij wilde het weten. Het Licht mocht weten wat de Aes Sedai van plan waren – naar de Toren gaan of naar Egwenes stel dat zich schuilhield – maar hij moest het weten. Er waren te veel Aes Sedai en ze waren veel te gevaarlijk om te negeren. Hoe zou de Toren reageren wanneer Elaida van zijn pardon hoorde? Of een andere Aes Sedai? Hadden ze het al vernomen?

Toen ze de deuren aan het einde van de gang naderden, wilde hij Bael vragen om een Aes Sedai naar het paleis te halen. Hij kon twee geleidsters aan als het erop aankwam, zolang ze hem niet onverhoeds aanvielen. Maar het had geen zin om gevaar te lopen tot hij wist wie ze waren en hun plannen kende.

Trots vervult me. Ik ben ziek van de trots die me vernietigde’. Rhand struikelde. Dat was vandaag de eerste keer dat Lews Therins stem had gesproken – en het sloot te goed aan bij zijn gedachten over Aes Sedai om zich er lekker bij te voelen – maar dat was niet de reden dat hij zijn woorden inslikte en stokstijf stilstond. Door de hitte stonden de deuren open waardoor hij een van de paleistuinen kon zien. De bloemen waren verdwenen en de rozen en wittester zagen er verlept uit, maar rond de spetterende, wit marmeren fontein in het midden van de tuin rezen de lommerrijke bomen nog op, al hadden ze weinig bladeren. Een vrouw in een ruim vallende bruin wollen rok en een los wit algoedhemd stond met een grijze sjaal over de armen gewikkeld naast de fontein. Ze staarde verbaasd naar het water, zoals ze vaak deed bij water dat slechts voor het fraaie vertoon diende. Rhands ogen zogen de lijnen van Aviendha’s gezicht op, de golven rossige haren die vanaf de opgerolde grijze sjaal rond haar hoofd op haar schouders vielen. Licht, wat was ze mooi. Ze stond naar het spetterende water te kijken en had hem nog niet gezien. Hield hij van haar? Hij wist het niet. In zijn hoofd en zijn dromen was zij verwikkeld met Elayne en zelfs met Min. Hij besefte echter terdege dat hij gevaarlijk was. Hij had geen enkele vrouw iets te bieden. Slechts pijn en verdriet.

Ilyena, huilde Lews Therin. Ik heb haar vermoord! Het Licht vertere me voor eeuwig!

‘Twee Aes Sedai die op zo’n manier opduiken... Het kan wellicht belangrijk zijn,’ zei Rhand kalm. ik denk dat ik die herberg maar eens opzoek om te zien waarom ze hier zijn.’ Bijna iedereen hield eveneens stil, maar Enaila en Jalani keken elkaar aan en liepen recht langs hem heen naar de tuin. Hij verhief zijn stem iets meer en zei aanzienlijk strenger: ‘De Speervrouwen komen met mij mee. Wie de rok van koppelaarster wil aantrekken, mag hier blijven.’

Enaila en Jalani verstarden en draaiden zich fel om, zodat ze hem konden aankijken. Verontwaardiging schitterde in hun ogen. Het was maar goed dat Somara vandaag geen lijfwacht was, want die zou misschien toch zijn doorgelopen. Sulins vingers flitsten de handspraak van de Speervrouwen rond. Haar onbekende tekens onderdrukten de verontwaardiging en bezorgden de twee Speervrouwen vuurrode wangen. De Aiel hadden allerlei handseinen, wanneer je maar beter heel stil kon zijn. Elke stam had een eigen reeks tekens; ieder krijgsgenootschap eveneens, afgezien van de algemene tekens die iedere Aiel kende. Alleen de Speervrouwen hadden het ontwikkeld tot een volledige taal. Rhand had zich al omgedraaid voor Sulin was uitgesproken. Die Aes Sedai konden Caemlin even snel verlaten als ze waren aangekomen. Hij wierp een blik over zijn schouder. Aviendha stond nog naar het water te staren; ze had hem niet gezien. Hij ging sneller lopen. ‘Bashere, kun je iemand vooruitsturen om de paarden gereed te maken? Bij de Zuidstalpoort.’ De hoofdpoort van het paleis kwam uit op het Koninginnenplein, dat nu vol zou staan met mensen die een glimp van hem hoopten op te vangen. Het zou hem ontzettend veel tijd en geluk kosten voor hij zich daar een weg doorheen kon banen. Bashere wenkte en een van de jongere Saldeanen schoot weg, met de glijdende pas van een man die meer aan het zadel was gewend. ‘Een man dient te weten wanneer hij zich van een vrouw moet terugtrekken,’ zei Bashere tegen niemand in het bijzonder, ‘maar een wijs man weet dat hij haar soms onder de ogen dient te komen.’

‘Jongemannen jagen op schaduwen,’ merkte Bael lankmoedig op. ‘Hij vlucht voor het maanlicht en steekt zich uiteindelijk met zijn eigen speer in de voet.’ Enkele Aiel grinnikten, zowel Speervrouwen als Meshanden. Vooral de ouderen.

Geërgerd keek Rhand weer om. ik zie hier niemand die de rok past.’ Tot zijn verrassing lachten de Speervrouwen en Meshanden opnieuw, nu wat luider. Misschien kreeg hij de Aielhumor onder de knie. Het was zoals hij had verwacht toen hij uit de Zuidstalpoort een van de kronkelige Binnenstadstraten inreed. Jeade’ens hoeven kletterden op de straatstenen, terwijl de hengst ronddartelde. De laatste rijd kwam de appelschimmel nog maar zelden de stal uit. Er waren meer dan voldoende mensen op straat, maar lang niet de massa’s die hij aan de andere kant van het paleis kon verwachten en ieder hield zich met zijn eigen zaken bezig. Desondanks werden ze nagewezen en fluisterden de mensen gebogen met elkaar. Enkelen konden Bashere misschien herkennen – in tegenstelling tot Rhand ging hij regelmatig de stad in – maar iedereen die uit het paleis kwam, vooral onder begeleiding van een groep hollende Aiel, moest belangrijk zijn. Het gefluister en gewijs bleven hen volgen.

Ondanks de toeschouwers probeerde Rhand de schoonheid van de door Ogier gebouwde Binnenstad in zich op te nemen. De paar kansen op ongestoord genot die hij kreeg, waren heel kostbaar. Straten liepen in een boog van het glanzend witte koninklijke paleis weg en volgden min of meer de omtrek van de heuvels als vormden ze een deel van het land. Overal rezen slanke torens op, met kleurrijke tegels of koepels van goud, scharlakenrood of wit, fonkelend in het zonlicht. Hier was een uitkijkpunt vrijgelaten voor een uitzicht over een park met bomen, elders leidde een hoogte de ogen over de stad naar de heuvelige steppen en wouden achter de hoge met zilver gestreepte, witte muur rond Caemlin. De Binnenstad was zo aangelegd dat hij een genot en verrukking om te zien was. Volgens de Ogier waren alleen Tar Valon en het fabelachtige Manetheren mooier en indrukwekkender, maar veel mensen, waaronder veel Andoranen, geloofden dat Caemlin even schoon was als die twee steden.

De smetteloos witte muren van de Binnenstad duidden de grens aan met de omringende Nieuwe Stad. De koepels en torenpieken daar trachtten even hoog de hemel in te rijzen als die op de hogere heuvels van de Binnenstad. Hier vulden enorme mensenmassa’s de smallere straten en zelfs de brede lanen, met in het midden een strook grond met bomen, waren vol voetgangers, ossenkarren, paard-en-wagens, mensen te paard, in koetsen en draagstoelen. De lucht was een en al geroezemoes, alsof het een enorme bijenkorf was. Het was hier moeilijker om door te rijden hoewel de menigte wel uiteenschoof. Ze wisten evenmin wie hij was als de mensen in de Binnenstad, maar niemand wilde de voortbenende Aiel voor de voeten lopen. Het kostte met zoveel mensen slechts meer tijd. Er waren allerlei mensen. Boeren in ruw wollen kleren, kooplieden in jassen of kledij van verfijnder snit. Ambachtslieden waren druk met hun handel en straatverkopers prezen luid hun waren op bladen en trekkarren aan. Ze verkochten van alles, van spelden en linten tot aan vruchten en vuurwerk; die laatste twee even kostbaar. Een speelman in zijn lapjesmantel stond vlak naast drie Aiel te kijken naar de messen en dolken op een tafel voor de winkel van een messenmaker. Twee magere kerels met zwarte haren in vlechten en hun zwaarden op de rug – Jagers naar de Hoorn, bedacht Rhand – stonden te babbelen met een aantal Saldeanen, terwijl ze naar een fluit spelende vrouw en een man met een trommel op de straathoek luisterden. De Cairhienin, kleiner en bleker, vielen goed op tussen de Andoranen, evenals de donkerder getinte Tyreners, maar Rhand zag ook Morlanders in lange jassen, Altaranen in ingewikkeld bewerkte vesten, Kandoranen met hun vorksikjes en zelfs een tweetal Domani met oorringen en lange dunne snorren. Een ander soort mensen viel eveneens op. De zwervers in verfrommelde jassen en gekreukelde gewaden, vaak onder het stof, die met hun ogen knipperend rondstaarden en zichtbaar geen enkel idee hadden waar ze heen gingen en wat ze zouden doen. Dit slag mensen was tot het uiterste gegaan om te vinden wat ze zochten. Hem. De Herrezen Draak. Hij had geen idee wat hij met hen aan moest, maar ze waren hoe dan ook zijn verantwoordelijkheid. Het deed er niet toe dat hij hun niet had gevraagd hun leven opzij te zetten; dat hij niet had gewild dat ze alles in de steek lieten. Ze hadden het gedaan. Om hem. En als ze zouden zien dat hij hier was, zouden ze de Aiel onder de voet lopen en hem gretig in stukken scheuren om hem even aan te kunnen raken. Hij voelde de angreaal van het kleine dikke mannetje in zijn jaszak. Dat zou mooi zijn, als hij gedwongen werd de Ene Kracht tegen mensen te gebruiken die alles voor hem hadden opgegeven. Daarom waagde hij zich zelden in de stad. Dat was één reden tenminste. Hij had gewoon veel te veel te doen om zomaar eens een ritje te maken. De herberg waar Bael hem heenbracht, aan de westelijke kant van de stad, heette Culains Hond en bestond uit twee verdiepingen van steen onder een rood pannendak. In de bochtige straat weken de voorbijgangers naar beide kanten opzij en sloten zich weer tot een menigte aan achter Rhands groep toen die bleef staan. Opnieuw raakte Rhand de angreaal aan – twee Aes Sedai behoorde hij aan te kunnen zonder hierop terug te hoeven vallen – voor hij afsteeg en naar binnen stapte. Natuurlijk pas na drie Speervrouwen en een stel Meshanden, uiterst gespannen en met hun hand al aan de sluier. Hij kon nog eerder een kat laten zingen. Twee Saldeanen bleven bij de paarden achter en Bashere en de anderen volgden hem op de voet naar binnen, samen met Bael. De andere Aiel volgden ook, behalve zij die buiten de bewaking op zich namen. Wat ze binnen zagen, had Rhand niet verwacht. De gelagkamer was eender aan honderden andere in Caemlin. Grote vaten bier en wijn vormden een hoge stapel voor een kale gewitte muur. Daarop stonden kleinere vaten brandewijn waarop een grijs gestreepte kat zich had uitgestrekt. Er waren een paar stenen haarden schoongeveegd, en drie of vier in schorten gestoken vrouwen schoven tussen de tafels en banken door op de kale houten vloer onder een zoldering met dikke balken. De herbergier, een man met een rond gezicht en drie kinnen, een wit schort strak rond de dikke buik, snelde naderbij, zijn handen afdrogend en de Aiel opnemend. Hij liet slechts weinig van zenuwen blijken. Caemlin had geleerd dat de Aiel niet zouden plunderen of alles wat ze zagen in brand zouden steken. De Aiel ervan overtuigen dat Andor niet veroverd was en dat ze niet hun vijfde deel konden nemen, was een veel lastiger uit te voeren voorstel geweest – maar dat wilde nog niet zeggen dat herbergiers gewend waren een twintigtal Aiel tegelijk in hun zaak te hebben.