Выбрать главу

De herbergier richtte zijn blik op Rhand en Bashere. Voornamelijk op Bashere. Beide mannen waren aan hun kledij te zien mannen van gewicht, maar Bashere was verreweg de oudere en dus waarschijnlijk de belangrijkste. ‘Welkom, mijn heer, mijne heren. Wat mag ik u aanbieden? Ik heb wijnen uit Morland, maar ook Andoraanse brandewijn uit...’

Rhand negeerde de man. Wat afweek van de honderden andere gelagkamers in Caemlin waren de gasten. Op dit tijdstip kon je enkele mannen verwachten, maar die waren er niet. In plaats daarvan waren de meeste tafels bezet door eenvoudig geklede jonge vrouwen, meisjes eigenlijk, die zich met de theemok in de hand op hun bankjes omdraaiden om de nieuwaangekomenen aan te gapen. Meerderen keken met open mond naar de lange Bael. Niet allen staarden echter naar de Aiel, en het waren vooral de tien meisjes die hém aangaapten waardoor Rhands ogen zich hadden opengesperd. Hij kende hen. Niet allemaal even goed, maar hij kende ze wel. Een in het bijzonder trok zijn aandacht.

‘Bode?’ zei hij ongelovig. Het meisje met die grote starende ogen – wanneer was ze zo oud geworden dat ze haar haren mocht vlechten? – was Bodewin Cauton, de zus van Mart. En daar zat de dikke Hilde Barran naast de magere Jerilin Alcaar en de leuke Marisa Ahan die haar handen tegen de wangen had geslagen zoals ze altijd deed als ze verrast was. Verder de mollige Emma Lewin, Elise Marwin en Darje Kanwin en... Ze kwamen uit Emondsveld en omstreken. Terwijl zijn ogen snel langs de andere tafeltjes gleden, besefte hij dat de anderen ook meisjes uit Tweewater waren. De meesten in ieder geval – hij zag een Domani en nog een of twee die van ergens ver weg waren, maar elke rok en elk hemd had hij elke dag op de Brink van Emondsveld kunnen tegenkomen. ‘Wat in het Licht doen jullie hier?’

‘We zijn op weg naar Tar Valon,’ wist Bode ondanks haar openhangende mond uit te brengen. Het weinige dat ze met Mart gemeen had, zat in de ondeugende rimpeltjes rond haar ogen. Haar verbijstering hem hier te zien ging snel over in een brede glimlach van opgetogen verbazing. ‘Om Aes Sedai te worden, net als Egwene en Nynaeve.’

‘We kunnen jou hetzelfde vragen,’ bracht de slanke Larine Ayellin naar voren, haar dikke vlecht opzettelijk achteloos over een schouder schikkend. Ze was de oudste van de meisjes, ruim drie jaar jonger dan hijzelf, maar de enige naast Bode die een vlecht droeg. Ze had altijd een vrij hoge dunk van zichzelf gehad en ze was zo knap dat alle jongens haar daar graag gelijk in gaven. ‘Heer Perijn heeft nog geen twee woorden over je verteld, alleen dat je avonturen aan het beleven was en dat je mooie jassen droeg. Ik zie dat dat waar is.’

‘Is alles goed met Mart?’ vroeg Bode opeens bezorgd. ‘Is hij bij jou?

Moeder maakt zich zoveel zorgen over hem. Hij zou nog vergeten om schone kousen aan te trekken als iemand hem er niet aan herinnert.’

‘Nee,’ zei Rhand langzaam. ‘Hij is niet hier, maar hij maakt het goed.’

‘We hadden jou nauwelijks in Caemlin verwacht,’ piepte Janse Torfin met haar hoge stemmetje. Ze kon amper veertien zijn. Ze was de jongste, tenminste van de meisjes van Emondsveld. ik wed dat Verin Sedai en Alanna Sedai het leuk zullen vinden. Ze vragen ons altijd van alles over jou.’

Dus dat waren de twee Aes Sedai. Hij kende Verin, een Bruine zuster, meer dan oppervlakkig. Hij wist echter niet wat hij van haar aanwezigheid hier moest denken. Dat was trouwens amper belangrijk. Deze meisjes kwamen van thuis. ‘Dus alles is goed in Tweewater? En in Emondsveld? Perijn is toch blijkbaar goed aangekomen. Wacht eens! Héér Perijn?’

Dat gooide alle sluizen open. De andere meisjes uit Tweewater hadden meer belangstelling om van terzijde de Aiel op te nemen, vooral Bael, en enkelen hadden ook oog voor de Saldeanen, maar de meisjes uit Emondsveld kwamen rond Rhand staan, terwijl ze probeerden hem alles tegelijk te vertellen, verward, door elkaar heen, onderbroken door vragen over hemzelf en over Mart, over Egwene en Nynaeve, waarvan hij de meeste niet eens binnen een uur kon beantwoorden, zelfs niet als ze hem de kans hadden gegeven.

Tweewater was overvallen door Trolloks, maar heer Perijn had ze verdreven. Ze vertelden zoveel over de grote veldslag, allemaal tegelijk, dat het moeilijk was meer bijzonderheden op te vangen, behalve dat er een veldslag was geweest. Iedereen had natuurlijk meegevochten maar door heer Perijn was iedereen gered. Het was altijd héér Perijn en elke keer dat hij enkel Perijn zei, werd hij nadrukkelijk verbeterd, als iemand die hobbelpaard zei en paard had moeten zeggen. Ondanks het verslaan van de Trolloks zat er iets straks om Rhands borst. Hij had hen in de steek gelaten. Als hij meegegaan was, zou er niet zo’n lange lijst doden met zoveel bekende namen zijn geweest. Maar dan zou hij de Aiel niet achter zich hebben gehad, had Cairhien hem niet toebehoord voor zover je dat kon zeggen, en had Rahvin waarschijnlijk een verenigd Andor tegen hem en Tweewater op laten trekken. Voor elke genomen beslissing moest een prijs worden betaald. Er was een prijs voor wie hij was. Andere mensen brachten die op. Hij moest zichzelf eraan herinneren dat het een veel lagere prijs was dan die ze zonder hem zouden hebben betaald. Dat gegeven hielp echter niet veel.