Terwijl ze zijn gezichtsuitdrukking opvatten als verdriet voor de lange rij doden in Tweewater haastten de meisjes zich over leukere zaken te vertellen. Blijkbaar was Perijn met Faile getrouwd. Rhand wenste hem in gedachten veel geluk en vroeg zich af hoe lang het gevonden geluk zou duren. De meisjes vonden het romantisch en prachtig en leken het alleen te betreuren dat er geen tijd was geweest voor de gebruikelijke trouwfeesten. Ze waren een en al lof voor Faile, waren zelfs een tikkeltje jaloers op haar, maar lieten ook hun grote bewondering blijken, zelfs Larine.
Er waren ook Witmantels geweest en Padan Fajin was bij hen geweest, de oude marskramer die vroeger ieder voorjaar naar Emondsveld was gekomen. De meisjes wisten niet zeker of de Witmantels vrienden of vijanden waren, maar Rhand dacht dat met Fajin niemand meer hoefde te twijfelen. Fajin was een Duistervriend, misschien nog erger dan een Duistervriend, die alles zou doen om Rhand, Mart en Perijn kwaad te doen. Vooral Rhand. Mogelijk was het ergste nieuws dat niemand wist of hij dood was. In ieder geval waren de Witmantels vertrokken, de Trolloks weg en stroomden er vluchtelingen over de Mistbergen die allerlei nieuwigheden meebrachten, van vreemde gebruiken tot handel in planten, zaden en kleren. Een van de andere meisjes was een Domani, twee kwamen uit Tarabon en drie van de Vlakte van Almoth.
‘Larine had iets van de Domani gekocht,’ lachte de kleine Janse met neergeslagen ogen, ‘maar haar moeder stuurde haar terug naar de naaister.’ Larine hief haar hand, maar besloot wijzer te zijn en schikte slechts snuivend haar vlecht. Janse giechelde.
‘Wie maalt er om kleren?’ riep Susa Alseen uit. ‘Rhand vindt kleren helemaal niet belangrijk!’ Susa was altijd een wispelturig meisje en een opgewonden standje geweest en nu stond ze op haar tenen op en neer te wippen. ‘Alanna Sedai en Verin Sedai hebben iedereen de proef afgenomen. Nou ja, bijna iedereen...’
‘Cilia Kole wilde de proef ook doen,’ zei Marge Eldin, een iel meisje. Rhand herinnerde zich niet veel van haar, alleen dat ze voortdurend met haar neus in een boek zat, zelfs op straat. ‘Ze stond erop! Ze slaagde, maar ze vertelden haar dat ze te oud was om novice te worden.’ Susa sprak dwars door Marge heen. ‘... En we zijn allemaal geslaagd...’
‘We zijn de hele tijd onderweg geweest en na Wittebrug vaak ook ’s avonds,’ bracht Bode naar voren. ‘Het is fijn een poosje op dezelfde plek te blijven.’
‘Heb jij Wittebrug gezien, Rhand?’ zei Janse door Bodes woorden heen. ‘Die witte brug?’
‘... En we gaan naar Tar Valon om Aes Sedai te worden,’ besloot Susa met een woeste blik op Bode, Marge en Janse. ‘In Tar Valon.’
‘Maar we gaan nog niet meteen naar Tar Valon.’ De stem bij de voordeur trok de aandacht van de meisjes, maar de twee Aes Sedai die net binnenstapten, wuifden de vragen terloops opzij. De Aes Sedai letten alleen op Rhand. Het waren twee heel verschillende vrouwen, ondanks de gemeenschappelijke trekken in hun gezicht. Beiden konden van elke leeftijd zijn, maar Verin was klein en gezet, had een vierkant gezicht en een tikkeltje grijs in het haar, terwijl de andere, die Alanna moest zijn, donker was en slank; een knappe, vosachtige vrouw met golvend zwart haar en een driftig vonkje in haar ogen, die wat rood waren alsof ze had gehuild, hoewel Rhand amper kon geloven dat een Aes Sedai huilde. Haar rijrok was van grijze zijde met groene banen en leek net schoon te zijn aangetrokken, terwijl Verins lichte bruine stof wat verkreukeld leek. Ook al besteedde Verin weinig aandacht aan haar kleren, haar donkere ogen waren scherp genoeg. Die hielden Rhand vast als een mossel tegen een klif. Twee mannen in onbestemd groene jassen volgden hen de gelagkamer in; de een vierkant en grijsharig, de ander een lange donkere man, slank en gespannen als een zweep. Beiden hadden een zwaard opzij en hun vloeiende manier van bewegen wees erop dat het zwaardhanden waren, ook al zou er geen Aes Sedai in de buurt zijn. Ze negeerden Rhand volledig en hielden de Aiel en Saldeanen in het oog met een stilte die sprak van een nog ingehouden snelle beweging. Wat de Aiel betrof, zij bewogen eigenlijk niet echt, maar het leek of de sluier elk moment omhoog kon gaan, zowel bij de Speervrouwen als de Meshanden. De vingers van de jonge Saldeanen zweefden opeens vlak boven het gevest. Alleen Bael en Bashere leken op hun gemak. De meisjes viel niets op, alleen dat de Aes Sedai er waren, maar de dikke herbergier voelde de stemming aan en begon in zijn handen te wringen. Ongetwijfeld had hij een verwoeste gelagkamer, zo niet de gehele herberg, in gedachten. ‘Er komen geen moeilijkheden,’ zei Rhand luid en effen, ter wille van de herbergier en van de Aiel. Ter wille van iedereen, hoopte hij. ‘Geen moeilijkheden, tenzij jij ze begint, Verin.’ Verschillende meisjes keken hem met grote ogen aan omdat hij zo tegen een Aes Sedai durfde te praten, en Larine snoof luid.
Verin nam hem met haar kraalogen op. ‘Wie zijn wij dat we het jou moeilijk willen maken? Je bent ver gekomen sinds we elkaar voor het laatst hebben gezien.’
Hij wilde er niet zomaar over praten. ‘Als jullie hebben besloten niet naar Tar Valon te gaan, moeten jullie hebben gehoord dat de Toren verdeeld is.’ Dat veroorzaakte een opgewonden gemompel onder de meisjes die het dus nog niet wisten. De Aes Sedai lieten helemaal niets merken. ‘Weten jullie waar de tegenstandsters van Elaida zitten?’
‘Er zijn zaken die we onder vier ogen dienen te bespreken,’ zei Alanna kalm. ‘Baas Dilham, we hebben uw kleine eetzaal nodig.’ De herbergier struikelde bijna over zijn woorden bij zijn verzekering dat die haar ter beschikking stond.
Verin begaf zich naar een zijdeur. ‘Deze kant op, Rhand.’ Alanna keek hem met een vragend opgetrokken wenkbrauw aan. Rhand voorkwam nog net een wrange grijns. Ze waren nog geen tel binnen en hadden reeds de leiding genomen. Het leek of Aes Sedai dat even vanzelfsprekend deden als ademhalen. De meisjes uit Tweewater staarden hem aan, ieder op een eigen manier met hem meelevend. Ongetwijfeld dachten ze dat de Aes Sedai hem zouden villen als hij niet netjes sprak en keurig rechtop zat. Misschien dachten Verin en Alanna dat ook. Met een vlotte buiging gebaarde hij Alanna voor te gaan. Dus hij was heel ver gekomen, nietwaar? Ze hadden geen idee hoe ver.
Alanna erkende met een knikje zijn buiging, hield haar rok op en gleed achter Verin aan, maar werd onmiddellijk gevolgd door problemen. De twee zwaardhanden maakten aanstalten de Aes Sedai te volgen, maar nog voor ze een voet konden verzetten, schoven twee kil kijkende Sovin Nai naar voren om hen tegen te houden, terwijl Sulins vingers druk in handtaal bewogen, waarmee ze Enaila en een vierkante Speervrouw die Dagandra heette naar de deur stuurde waar de twee Aes Sedai heen liepen. De Saldeanen keken Bashere aan die naar hen gebaarde te blijven staan. Vervolgens keek hijzelf Rhand vragend aan. Alanna slaakte een geluidje van ergernis. ‘We gaan met hem praten, Ihvon. Alleen.’ De slanke zwaardhand fronste zijn wenkbrauwen, maar knikte toen langzaam.
Verin keek om, een beetje verbaasd, alsof ze diep in gedachten verzonken was. ‘Wat? O ja, natuurlijk. Tomas, hier blijven, alsjeblieft.’ De grijze zwaardhand leek te twijfelen en keek Rhand strak aan voor hij op zijn gemak tegen de muur naast de voordeur ging hangen. Als men tenminste van gemak kon praten bij een aangespannen strikdraad.
Toen pas ontspanden de Meshanden zich – voor zover een Aiel zich ooit ontspande.
‘Ik ga met ze praten. Alleen,’ zei Rhand en hij keek Sulin recht aan. Heel even dacht hij dat ze van plan was hem tegen te spreken. Met strakke kaakspieren flitste er tenslotte wat gebarentaal heen en weer tussen haar en Enaila en Dagandra. Het tweetal schoof weer terug terwijl ze hem aankeken en afkeurend hun hoofd schudden. Weer bewogen Sulins vingers en alle Speervrouwen lachten. Hij wou dat hij wist hoe hij de handtaal kon leren; Sulin was heel geschokt toen hij haar dat gevraagd had.