Выбрать главу

De meisjes uit Tweewater wisselden verwarde blikken uit, terwijl Rhand achter de Aes Sedai aanliep. Onder steeds luider gemompel sloot hij de deur. Het was een klein vertrek, maar met glanzend gewreven stoelen in plaats van bankjes. Er stonden tinnen kandelaars op een glimmende tafel en een met wijnranken gesneden haardmantel. De twee vensters waren dicht, en niemand maakte aanstalten er een te openen. Hij vroeg zich af of ze merkten dat hij even weinig last van de hitte had als zij zelf.

‘Gaan jullie hen naar de opstandelingen brengen?’ vroeg hij meteen. Met een frons streek Verin haar rok goed. ‘Je weet er aanzienlijk meer van dan wij.’

‘Wij hoorden pas in Wittebrug van de gebeurtenissen in de Toren.’ Alanna’s stem klonk koel, maar haar vurige ogen bleven op hem gericht. ‘Wat weet jij van de... opstandelingen?’ Er was grote afkeer in dat woord te horen.

Dus ze hadden de geruchten voor het eerst in Wittebrug opgevangen en waren haastig hierheen gereisd, waarbij ze alles voor de meisjes hadden verzwegen. En aan de verbazing van Bode en de anderen te horen was het besluit niet naar Tar Valon te gaan nog heel vers. Blijkbaar hadden ze die ochtend een bevestiging van het een en ander gekregen.

‘Ik neem aan dat jullie me niet vertellen wie jullie faktoor in Caemlin is.’ Ze keken hem enkel aan, waarbij Verin haar hoofd schuin hield. Vreemd dat de blikken van een Aes Sedai vroeger zo verontrustend waren geweest, zo verstild kalm wat er ook gebeurde, zo alwetend. Nu gaf de strakke blik van een Aes Sedai, zelfs van twee, hem geen onrustig gevoel meer in zijn maag. Trots, lachte Lews Therin als een krankzinnige, en Rhand onderdrukte een grimas. ‘Mij is verteld dat er opstandelingen bestaan. Jullie hebben niet ontkend dat je weet waar ze zitten. Ik wil hun geen kwaad doen, verre van dat. Ik heb reden aan te nemen dat ze me misschien willen steunen.’ Hij verzweeg de voornaamste reden waarom hij het wilde weten. Misschien had Bashere gelijk, misschien had hij de steun van de Aes Sedai nodig, maar hij wilde het vooral weten omdat hem was gezegd dat Elayne bij hen was. Hij had haar nodig om Andor vreedzaam voor zich te winnen. Alleen daarom zocht hij haar. Dat was de enige reden. Hij was voor haar even gevaarlijk als voor Aviendha. ‘Omwille van de liefde van het Licht, als jullie het weten, vertel het me dan.’

‘Als we het echt wisten,’ antwoordde Alanna, ‘zouden we niet het recht hebben dat aan iemand te vertellen. Als ze mochten beslissen jou te steunen, dan kun je er zeker van zijn dat ze je zullen opzoeken.’

‘Als het hun schikt,’ zei Verin, ‘niet als het jou schikt.’ Hij glimlachte grimmig. Hij had dit alles kunnen verwachten of nog wel minder. Moiraines raad op de dag van haar dood overheerste zijn gedachten. Vertrouw geen enkele vrouw die de stola draagt. is Mart bij je?’ vroeg Alanna alsof ze alleen daaraan dacht. ‘Als ik wist waar hij is, waarom zou ik het jullie dan vertellen? Eromheen blijven draaien?’ Ze vonden dat blijkbaar niet erg grappig. ‘Het is dwaas ons als vijanden te behandelen,’ mompelde Alanna die naar hem toeschoof. ‘Je ziet er moe uit. Krijg je wel genoeg rust?’ Hij stapte weg van haar opgeheven hand en ze bleef staan. ‘Net als jij Rhand, wil ik niemand kwaad doen. Niets wat ik hier wil doen, zal je ook maar enig nadeel berokkenen.’

Omdat ze het zo openlijk had gezegd moest het waar zijn. Hij knikte en ze hield haar hand tegen zijn hoofd. Zijn huid prikkelde iets terwijl ze saidar omhelsde en de vertrouwde warme rimpeling trilde door hem heen terwijl het voelde of ze keek hoe het met zijn gezondheid was. Alanna knikte tevreden. En opeens werd de warmte hitte, werd die een felle hitteflits, alsof hij een hartenklop lang midden in een bulderende oven stond. Zelfs toen het voorbij was, voelde hij zich vreemd. Hij was zichzelf als nooit eerder bewust, zich bewust van Alanna. Hij zwaaide heen en weer, een licht hoofd, slappe spieren. Een echo van verwarring en ongemak kaatste luid van Lews Therin terug. ‘Wat heb je gedaan?’ wilde hij weten. Woedend greep hij saidin. De kracht ervan hield hem overeind. ‘Wat heb je gedaan?’ Iets’ klopte tegen zijn stroom naar de Ware Bron. Ze probeerden hem af te schermen! Hij weefde zijn eigen schilden en klapte ze neer. Hij was echt ver gekomen en had veel geleerd sinds zijn laatste ontmoeting met Verin. Verin wankelde en zocht met haar hand steun op de tafel en Alanna gromde alsof hij haar een stomp had gegeven. ‘Wat heb je gedaan?’ Zelfs in zijn kille gevoelloze leegte klonk zijn stem raspend. ‘Zeg het me! Ik heb niet beloofd jullie geen kwaad te doen. Als jullie het me niet vertellen...’

‘Ze heeft je gebonden,’ zei Verin snel. Als haar kalme waardigheid aangetast was dan had ze die in een oogwenk weer bemanteld. ‘Ze heeft je gebonden en je tot haar zwaardhand gemaakt. Dat is alles.’ Alanna herstelde zich nog sneller. Afgeschermd keek ze hem kalm aan, met opgevouwen armen, er was iets van voldoening rond haar ogen te lezen. Voldoening! ik heb gezegd dat ik je niet zou verwonden en ik heb precies het tegenovergestelde gedaan van je te verwonden.’ Terwijl Rhand diep en diep ademhaalde, probeerde hij rustig te worden. Hij was er als een speelpop ingetuind. Woede kriebelde aan de buitenkant van de leegte. Kalm. Hij moest kalm zijn. Haar zwaardhand. Ze was dus een Groene zuster; al maakte dat geen enkel verschil. Hij wist maar weinig van zwaardhanden, zeker niet hoe hij de binding kon breken en of ze wel verbroken kon worden. Van Lews Therin voelde Rhand slechts een schok van verbijstering. Niet voor de eerste keer had Rhand graag gehad dat Lan na Moiraines dood niet was weg gegaloppeerd.

‘Jullie zeiden dat je niet naar Tar Valon zou gaan. Aangezien jullie blijkbaar niet weten waar de opstandelingen zitten, kun je dus beter hier in Caemlin blijven.’ Alanna wilde wat zeggen maar hij sprak onverstoorbaar verder. ‘Wees dankbaar dat ik niet besluit die schilden te verknopen en jullie in deze toestand te laten.’ Dat trok hun aandacht. Verins mond verstrakte en Alanna’s ogen pasten uitstekend bij de oven die hij zojuist had gevoeld. ‘Maar jullie blijven uit mijn buurt. Jullie allebei. Tenzij ik jullie ontbied, is de Binnenstad voor jullie gesloten. Probeer dat te doorbreken en ik scherm jullie echt voorgoed af en sluit jullie op in een kerker. Begrijpen we elkaar een beetje?’

‘Volmaakt.’ Ondanks haar ogen klonk Alanna’s stem ijskoud. Verin knikte slechts.

Rhand gooide de deur open en bleef opeens staan. Hij was de meisjes vergeten. Sommigen stonden met de Speervrouwen te praten, anderen namen de Aiel slechts fluisterend en nippend aan hun thee op. Bode en een handvol Emondsvelders ondervroegen Bashere, die een tinnen mok in zijn vuist hield en een voet op een bankje had gezet. Ze keken half vermaakt, half geschrokken. De openslaande deur trok alle ogen. ‘Rhand,’ riep Bode uit, ‘deze man zegt afschuwelijke dingen over jou.’

‘Hij zegt dat je de Herrezen Draak bent,’ griezelde Larine. De meisjes aan de andere kant van de gelagkamer hadden het blijkbaar niet opgevangen en zuchtten diep met open monden. ‘Dat ben ik,’ zei Rhand behoedzaam.

Larine snoof en sloeg haar armen over elkaar. ‘Zodra ik je zag, wist ik door je jas dat je een te groot hoofd hebt gekregen, door zo met een Aes Sedai weg te vluchten, zoals je hebt gedaan. Ik wist het al voor je zo oneerbiedig tegen Alanna Sedai en Verin Sedai sprak, maar ik wist niet dat je een stekeblind uilskuiken was geworden.’ In Bodes lach klonk meer afschuw dan vermaak. ‘Je zou zulke dingen niet moeten zeggen, Rhand, zelfs niet als grapje. Tham heeft je toch netter opgevoed. Jij bent Rhand Altor. Dus hou op met dat dwaze gedoe.’

Rhand Altor. Zo heette hij, maar hij wist amper wie hij was. Tham Altor had hem opgevoed, maar zijn echte vader was een stamhoofd van de Aiel geweest en nu reeds lang gestorven. Zijn moeder was een Speervrouw geweest, maar geen Aielse. Dat was vrijwel het enige dat hij zeker over zichzelf wist.