Nog steeds was hij vervuld met saidin. Zachtjes wikkelde hij Bode en Larine in stromen Lucht en tilde hen op tot hun schoenen vlak boven de vloer bungelden.
‘Ik ben de Herrezen Draak. Een ontkenning verandert daar niets aan. Een vurige wens verandert daar niets aan. Ik ben niet de man die jullie van Emondsveld kennen. Begrijp je het nu? Begrijp je het?’ Hij besefte dat hij schreeuwde en hij klemde zijn tanden op elkaar. Zijn maag voelde loodzwaar en hij beefde. Waarom had Alanna dat gedaan? Welk Aés Sedai-plannetje broeide achter dat knappe gezicht? Vertrouw niemand van hen, had Moiraine gezegd. Een hand raakte zijn arm aan en met een ruk keek hij om. ‘Laat ze alsjeblieft zakken,’ zei Alanna. ‘Alsjeblieft. Ze zijn bang.’ Ze waren meer dan bang. Uit Larines gezicht leek al het bloed weggetrokken en haar mond stond zo wagenwijd open dat hij niet verder open kon; alsof ze wilde gillen en niet meer wist hoe. Bode snikte zo hard dat ze trilde. Ze waren niet de enigen. De andere meisjes uit Tweewater stonden op een hoopje zo ver mogelijk bij hem vandaan; de meesten huilden. De dienstmeiden hielden elkaar vast en huilden ook. De herbergier was met grote staarogen door zijn knieën gezakt en gorgelde wat onsamenhangende klanken.
Rhand zette de twee meisjes weer op de vloer en liet snel saidin los. ‘Het spijt me. Ik wilde jullie niet bang maken.’ Zodra ze konden bewegen, vluchtten Bode en Larine weg en klampten zich stevig aan de andere meisjes vast, ‘Bode? Larine? Het spijt me. Ik zal jullie geen kwaad doen, dat beloof ik.’ Ze keken hem niet aan. Niemand deed dat, behalve Sulin en de andere Speervrouwen met nietszeggende gezichten en lege ogen vol afkeurende blikken.
‘Wat gedaan is gedaan,’ zei Bashere en hij zette zijn pul neer. ‘Wie weet? Misschien is het zo het beste.’
Rhand knikte langzaam. Dat was het waarschijnlijk. Het was het beste als ze uit zijn buurt wilden blijven. Het beste voor hen. Hij wilde alleen maar dat hij nog wat langer over thuis had kunnen praten, terwijl hun ogen alleen Rhand Altor zagen. Zijn knieën beefden nog van de binding, maar toen hij eenmaal verderliep, hield hij niet meer in tot hij in het zadel op Jeade’en zat. Het was maar beter dat ze bang van hem waren. Het was maar beter dat hij Emondsveld vergat. Hij vroeg zich af of die berg ooit een tijdje lichter zou worden of steeds maar zwaarder en zwaarder zou wegen.
11
Lessen en leraren
Rhand was amper buiten of Verin liet haar lang ingehouden adem ontsnappen. Ze had Siuan en Moiraine een keer verteld hoe gevaarlijk hij was. Geen van beiden had geluisterd en nu waren ze een klein jaar verder, was Siuan gesust en waarschijnlijk dood, terwijl Moiraine... De straten gonsden van de praatjes over de Herrezen Draak in het koninklijk paleis, de meeste heel ongeloofwaardig en geen enkel geloofwaardig gerucht noemde een Aes Sedai. Moiraine had misschien besloten hem het idee te geven dat hij op eigen benen stond, maar ze zou hem nooit de kans geven zo ver van haarzelf vandaan te komen, niet nu hij tot zo’n grote macht steeg. Niet op het moment wanneer het gevaar dat hij was zo groot was gegroeid. Had Rhand zich tegen haar gekeerd, met meer geweld dan hij zojuist had getoond? Sinds hun laatste ontmoeting was hij zichtbaar ouder geworden. Zijn gezicht toonde tekenen van strijd. Het Licht wist dat er reden genoeg voor was, maar kon het ook een gevecht zijn voor zijn geestelijk evenwicht? Goed. Moiraine dood, Siuan dood, de Witte Toren verdeeld en Rhand waarschijnlijk op het randje van krankzinnigheid. Verins tsk klonk vol ergernis. Als je voor gevaren stond, kreeg je soms de rekening op je neus wanneer je die het minst verwachtte, op de meest onverwachte manier. Wat haarzelf betrof, had ze bijna zeventig jaar heel fijntjes en nauwkeurig gehandeld, en dat alles kon nu door het optreden van één jongeman voor niets zijn geweest. Maar ze had al zo lang geleefd, al zoveel meegemaakt, dat ze zich niet aan wanhoop overgaf. De eerste dingen eerst: zorg voor wat je nu kunt doen, voordat je je te veel zorgen maakt over iets dat mogelijk nooit plaatsvindt. Die les had men in haar hoofd gestampt, maar ze had hem heel duidelijk ter harte genomen.
Het voornaamste was nu de meisjes te kalmeren. Ze stonden nog steeds als een kudde schapen bij elkaar, huilend en elkaar vasthoudend, terwijl ze hun gezichten verborgen hielden. Ze begreep het wel; zijzelf stond niet voor het eerst tegenover een geleider, nog wel de Herrezen Draak zelf, maar haar maag ging ook tekeer als een schip op zee. Ze begon met troostende woordjes, klopte de een op de schouder, streek een ander over de haren en probeerde heel moederlijk te praten. Ze probeerde hen ervan te overtuigen dat Rhand echt was weggegaan, wat in de meeste gevallen inhield dat ze hen ervan moest overtuigen hun ogen open te doen. Het duurde echter heel lang voor er een betrekkelijke kalmte ontstond en het gesnik minder werd. Maar Janse bleef op schrille toon vragen of iemand haar kon vertellen dat Rhand gelogen had, dat het allemaal een speelmanskunstje was geweest, terwijl Bode even snerpend haar broer wilde opzoeken en redden – Verin zou er heel wat voor over hebben gehad om te weten waar Mart was – en Larine snufte dat ze nu onmiddellijk uit Caemlin dienden te vertrekken.
Verin nam een van de dienstmeiden terzijde. Een vrouw met een gewoon gezicht, die minstens twintig jaar ouder was dan ieder van de meisjes. Ze had grote ogen, al moest ze die telkens met haar schort droogwrijven, en ze beefde. Nadat ze haar naam had gevraagd, zei Verin: ‘Breng ze allemaal een beker lekkere verse thee, Azril, heet en met veel honing, en doe er wat brandewijn in.’ Ze nam de jongere vrouw even nadenkend op en voegde eraan toe: ‘Doe maar meer dan een beetje. In elke beker een stevige scheut.’ Dat zou wel helpen de zenuwen tot bedaren te brengen. ‘En neem zelf met de andere dienstmeiden ook wat.’ Azril snoof, knipperde met haar ogen en veegde haar gezicht af, maar maakte wel een knix. Nu ze aan haar gebruikelijke dagelijkse werk werd gezet, leek er een eind aan haar tranen te komen, zelfs aan haar vrees.
‘Breng de thee naar hun kamers,’ zei Alanna en Verin knikte instemmend. Wat slaap zou wonderen verrichten. Ze waren nog maar enkele uren op, maar de brandewijn zou het na hun lange zware reis wel klaarspelen.
Het bevel deed veel opwinding ontstaan.
‘We kunnen ons hier niet verbergen,’ wist Larine tussen haar gesnuf en gesnik uit te brengen. ‘We moeten vertrekken! Nu! Hij gaat ons dood maken!’
Bodewins wangen glinsterden vochtig, maar haar gezicht stond strak en vastberaden. Die Tweewaterse koppigheid zou meerdere meisjes nog eens grote problemen bezorgen. ‘We moeten Mart vinden. We kunnen hem niet hier achterlaten bij... bij een man die kan... Dat kunnen we niet! Ook al is het Rhand, dat kan niet!’ ik wil Caemlin zien!’ piepte Janse, al beefde ze als een riet. De rest sloot zich meteen bij dit drietal aan. Een bevende handvol ondersteunde, ondanks hun vrees, Janse; de meerderheid gaf hardnekkig de voorkeur aan vertrekken. Een jonge vrouw uit Wachtheuvel, een lang leuk meisje dat Elle heette, met blond haar ondanks haar afkomst, begon weer uit alle macht luid te grienen.
Verin kon zich nog net bedwingen om het hele stel geen enorme oorvijg te geven. De jongste mocht nog verontschuldigd worden, maar Larine en de anderen met vlechten in het haar werden geacht volwassen te zijn. De meesten waren niet eens aangeraakt en het gevaar was geweken. Aan de andere kant waren ze allemaal doodmoe. Rhands bezoek was een hele schok geweest en er stond hun in de naaste toekomst waarschijnlijk nog meer te wachten dus hield ze haar boosheid in toom.
Alanna niet. Zelfs in de Groene Ajah stond ze bekend om haar kwikzilveren karakter en dat was de laatste tijd nog erger geworden. ‘Jullie gaan nu naar je kamer,’ zei ze koel, maar dat was dan ook het enige koele aan haar uiterlijk. Verin zuchtte toen de ander Lucht en Vuur verweefde tot een droombeeld. In de gelagkamer snakte men naar adem en de reeds grote ogen leken uit hun kassen te rollen. Dit was eigenlijk helemaal niet nodig, maar de gewoonte stond amper toe dat je in het openbaar bij een medezuster ingreep en Verin vond de plotselinge stilte na de gierende uithalen van Elle wel een hele opluchting. Haar eigen zenuwen waren ook lang niet wat ze moesten zijn. De ongeoefende jonge vrouwen konden de stromen natuurlijk niet zien. Op hen maakte het de indruk dat Alanna met ieder woord groter werd. Haar stem nam ook in omvang toe, de toon bleef dezelfde, maar dreunde rond, passend bij haar zichtbare grootte. ‘Jullie zullen novices zijn en de eerste les die een novice dient te leren is een Aes Sedai te gehoorzamen. Onmiddellijk. Zonder te klagen en zonder tegen te stribbelen.’ Alanna stond onveranderd in het midden van de gelagkamer – voor Verin tenminste – maar het hoofd van het droombeeld raakte de plafondbalken. ‘En nu: snel! Wie niet in haar kamer is als ik bij vijf ben, zal het tot aan haar sterfdag betreuren. Een! Twee...’ Voor ze bij drie was, klauterden ze als gekken gillend de achtertrap op naar hun kamers. Het was een wonder dat niemand onder de voet werd gelopen. Alanna deed niet eens moeite hardop vier te zeggen. Terwijl het laatste meisje naar boven verdween, liet ze saidar los; het droombeeld verdween en ze knikte even voldaan. Verin verwachtte dat het nu veel moeite zou kosten de jonge vrouwen over te halen uit hun kamers te gluren. Dat was misschien maar goed ook. Zoals de zaken er nu bij stonden, wilde ze dat niemand de stad in glipte en weer teruggebracht moest worden.