Выбрать главу

De vraag had Alanna niet mogen verrassen, maar dat was wel het geval. Ze aarzelde, trok toen een stoel naar achter en ging zitten, waarbij ze haar rok schikte voor ze antwoord gaf. ‘Het was verstandig dat te doen, nu hij zo vlak bij ons stond. Het had al heel lang geleden moeten gebeuren. Jij kon het niet of wilde het niet.’ Net als de meeste Groenen vond ze het licht vermakelijk dat de andere Ajahs volhielden dat iedere zuster maar één zwaardhand mocht hebben. Wat de Groenen vonden van de Roden, die er geen hadden, kon maar beter niet hardop gezegd worden. ‘Ze zouden bij de eerste de beste gelegenheid allemaal gebonden moeten worden. Ze zijn te belangrijk om los te laten lopen, hij op de eerste plaats.’ Opeens bloeide een rode blos op haar wangen op; het zou nog behoorlijk lang duren voor ze weer volledig haar gevoelens beheerste.

Verin wist wat de blos veroorzaakte. Alanna had zich duidelijk versproken. Ze hadden Perijn vele lange weken onder ogen gehad, terwijl zij de meisjes uit Tweewater de proef afnamen, maar Alanna had al heel snel het onderwerp van hem te binden, niet meer aangesneden. De reden was even eenvoudig als Failes verhitte belofte dat als Alanna ooit zoiets deed, zij Tweewater niet levend zou verlaten. Faile had het wel ver buiten het gehoor van Perijn uitgesproken. Als Faile meer had geweten van de band tussen een Aes Sedai en een gaidin, zou het dreigement niets hebben uitgehaald. Niettemin had haar onwetendheid, zo niet iets anders, Alanna’s handen gebonden. Heel waarschijnlijk was het haar ergernis hierover; plus de wankele toestand van haar zenuwen, wat tot haar binding van Rhand had geleid, zonder zijn toestemming nog wel. Dat was al honderden jaren niet meer gebeurd. Nou ja, dacht Verin grimmig. In mijn tijd heb ik ook enkele gebruiken gebroken. ‘Verstandig?’ vroeg ze glimlachend om de doorn uit haar woorden te halen. ‘Je praat als een Witte zuster. Goed. Nu je hem hebt, wat ga je met hem doen? Als ik aan zijn lessen aan ons denk, herinner ik me dat ik als klein meisje een verhaal bij het kampvuur hoorde over een vrouw die een leeuw zadelde en hem een teugel aanlegde. Ze vond het een heerlijk en prachtig ritje, maar ontdekte dat ze nooit meer af kon stijgen en nooit meer slapen.’

Rillend wreef Alanna over haar armen, ik kan nog steeds niet geloven dat hij zo sterk is. Hadden we ons maar eerder gekoppeld. En ik probeerde het... het lukte me niet... Hij is zo sterk!’ Verin voorkwam met moeite dat ze ook huiverde. Ze hadden zich niet eerder kunnen koppelen, tenzij Alanna een koppeling had voorgesteld voor ze hem bond. Verin wist niet wat dat voor gevolgen zou hebben gehad. In ieder geval was het een reeks nare ogenblikken geweest. Vanaf de ontdekking dat ze hem niet van de Ware Bron konden afsnijden tot het minachtende gemak waarmee hij hen had afgeschermd en hun verbindingen met saidar als een wollen draadje had doorgesneden. Van allebei. Tegelijk. Opmerkelijk. Hoeveel zusters zouden er nodig zijn om hem af te schermen en in bedwang te houden? Alle dertien? Dat was slechts de gewoonte, maar bij hem zou het nodig kunnen zijn. Dat was in ieder geval een overweging voor een andere keer. ‘En dan hebben we nog de zaak van het pardon.’

Alanna’s ogen werden groter. ‘Dat geloof je toch zeker niet! Bij iedere valse Draak waren er verhalen dat hij geleiders bijeenriep en die waren allemaal even vals. Ze wilden de macht alleen voor zichzelf, niet hem met anderen delen.’

‘Hij is geen valse Draak,’ zei Verin kalm, ‘en dat kan weleens alles op z’n kop zetten. Als één gerucht waar is, dan kan een ander dat ook zijn en het pardon lag na Wittebrug op ieders tong.’

‘Zelfs als het zo is, dan is er misschien niemand gekomen. Geen enkele nette man wil geleiden. Als het er meer zijn dan een handjevol, zouden we elke week valse Draken hebben gehad.’

‘Hij is ta’veren, Alanna. Hij trekt aan wat hij nodig heeft.’ Alanna’s mond bewoog heftig en haar handen lagen gebald met witte knokkels op tafel, leder draadje Aes Sedai-kalmte was verdwenen en ze beefde zichtbaar. ‘We kunnen nooit toestaan dat... Geleiders los in de wereld! Als het waar is, moeten we het tegenhouden. Dat moeten we!’ Ze stond op het punt met flitsende ogen weer op te springen. ‘Voor we kunnen beslissen wat we eraan doen,’ zei Verin kalm, ‘dienen we te weten waar hij ze heeft ondergebracht. Het koninklijk paleis lijkt me, maar het kan moeilijk zijn dat vast te stellen, nu de Binnenstad voor ons verboden gebied is. Ik stel me het zo voor...’ Alanna boog zich gespannen naar haar toe.

Er moest veel worden uitgewerkt, hoewel het meeste later aan bod kon komen. Heel wat vragen moesten nog beantwoord worden... later. Was Moiraine dood en zo ja, hoe was ze gestorven? Waren er opstandelingen en welk standpunt moesten zij en Alanna tegenover hen innemen? Moesten ze proberen Rhand aan Elaida uit te leveren of aan die opstandelingen? Waar bevonden die zich? Die kennis zou waardevol zijn, los van die eerdere vragen. Hoe zouden ze gebruikmaken van de zeer breekbare strop die Alanna om Rhands nek had gelegd? Moest een van hen of moesten ze beiden Moiraines rol overnemen? Voor het eerst sinds Alanna’s gevoelens over Owein naar het oppervlak waren gekropen, was Verin blij dat ze die zo lang had onderdrukt dat ze ijl waren geworden. In haar verwarde toestand was Alanna meer geneigd haar leiding te volgen en Verin wist precies hoe sommige vragen moesten worden beantwoord. Ze dacht niet dat Alanna enkele antwoorden graag wilde horen. Het was het beste dat ze die pas vernam als het te laat was om ze te wijzigen.

Rhand galoppeerde als een razende naar het paleis terug en liep zelfs langzaam uit op de rennende Aiel. Hij negeerde hun geroep, zoals hij de opgestoken vuisten negeerde van mensen die gedwongen waren uit Jeade’ens pad te springen en de wirwar van omgevallen draagstoelen en koetsen die in zijn spoor met de wielen van de marktkarren in aanraking waren gekomen. Bashere en de Saldeanen konden hem op hun kleinere paardjes net bijhouden. Hij wist niet eens goed waarom hij zo’n haast had – het nieuws dat hij gehoord had was niet zo dringend – maar terwijl zijn armen en benen wat minder beverig werden, besefte hij meer en meer dat hij zich nog steeds van Alanna bewust was. Hij kon haar vóélen. Het leek of ze zijn hoofd was binnengekropen en zich daar gevestigd had. Als hij haar kon voelen, kon zij hem dan net zo voelen? Wat kon ze nog meer doen? Wat nog meer? Hij moest uit naar buurt zien te komen.

Trots, kakellachte Lews Therin en ditmaal bracht Rhand de stem niet tot zwijgen.

Hij had een andere bestemming dan het paleis in gedachten, maar reizen vereiste dat je de plek die je verliet zelfs nog beter kende dan de plek waar je heen ging. Bij de zuidstal gooide hij de teugels van de hengst naar de in een leren vest gestoken paardenknecht en rende verder. Door zijn lange benen liep hij uit op de Saldeanen in de gangen, waar bedienden hem met open mond aankeken, bogen en stilstonden terwijl hij langssnelde. In de Grote Zaal greep hij saidin aan, opende het gat in de lucht en sprong het open veld bij de boerderij op, waarna hij de Bron losliet.

Eindelijk kon hij rustig ademhalen. Hij zakte door zijn knieën op de dode bladeren. De hitte onder de kale takken beukte op hem neer; hij had de noodzakelijke aandacht ervoor al een hele tijd vergeten. Hij kon haar nog steeds voelen, maar het was hier zwakker – als je de zekerheid dat zij zich daar in die richting bevond, zwak kon noemen. Hij had haar met gesloten ogen kunnen aanwijzen. Heel even greep hij saidin weer aan, die woede van vuur, ijs en bitter slijm. Hij hield een zwaard in zijn handen, een zwaard gemaakt van vuur, van Vuur, met een zwarte reiger op de licht gebogen kling, al herinnerde hij zich niet daaraan te hebben gedacht. Vuur, maar het lange gevest lag koel en stevig in zijn handpalmen. De leegte maakte geen verschil, de Kracht maakte geen verschil. Nog steeds was Alanna daar, ineengedoken in een hoekje van zijn gedachten, hem in de gaten houdend.