Выбрать главу

Verbitterd lachend liet hij de Kracht weer los en knielde neer. Hij was er zo zeker van geweest. Slechts twee Aes Sedai. Natuurlijk kon hij hen aan. Hij had Egwene en Elayne ook samen aangepakt. Wat konden ze hem aandoen? Hij besefte dat hij nog steeds lachte en leek niet te kunnen stoppen. Nou ja, het was leuk. Zijn domme trots. Overmoed. Hij was er al eerder door in problemen geraakt en anderen eveneens. Hij was er zo zeker van geweest dat hij en de Honderd Gezellen de Bres veilig konden dichten...

Bladeren ritselden toen hij zichzelf overeind dwong. ‘Dat was ik niet!’ zei hij schor. ‘Dat was ik niet. Ga m’n hoofd uit! Jullie allebei: donder op uit m’n hoofd!’ Lews Therins stem mompelde vaag in de verte. Alanna wachtte zwijgend af, geduldig, ergens achter in zijn hoofd. De stem leek bang van haar te zijn.

Opzettelijk sloeg Rhand de knieën van zijn broek schoon. Hij ging zich niet aan hen overgeven. Vertrouw geen enkele Aes Sedai; van nu af aan zou hij eraan denken. Een man zonder vertrouwen kan net zo goed dood zijn, giechelde Lews Therin. Hij zou zich niet overgeven. Rond de boerderij was niets veranderd. Niets en alles. De boerderij en de schuur waren hetzelfde; de kippen, geiten en koeien ook. Sora Gradi had hem met een kil nietszeggend gezicht vanuit een venster zien aankomen. Ze was nog maar de enige vrouw. Alle andere vrouwen en vriendinnen waren met de mannen die de proef van Taim niet hadden doorstaan meegegaan. Taim had de leerlingen in een vrijgemaakt stuk van harde, rode klei en armzalig onkruid achter de schuur bij elkaar gezet. Alle zeven. Afgezien van Sora’s man, Jur, waren na de eerste proeven slechts Damer Flinn, Eben Hopwil en Fedwin Mor overgebleven. De anderen waren nieuw en leken bijna even jong als Fedwin en Eben.

Behalve de witharige Damer zaten de leerlingen in een rij naast elkaar met hun gezicht de andere kant op. Damer stond fronsend voor hen, terwijl hij naar een steen keek van een hoofd groot die op dertig pas afstand lag.

‘Nu,’ zei Taim, en Rhand voelde hoe Damer saidin aangreep en onhandig Vuur en Aarde verweefde.

De steen ontplofte en Damer en de andere leerlingen gooiden zich plat op de grond om de rondvliegende scherven te ontwijken. Taim niet. De steensplinters kaatsten terug van het schild van Lucht dat hij op het laatste moment had opgericht. Terwijl Damer zijn hoofd behoedzaam ophief, veegde hij wat bloed weg van een lichte schram onder zijn linkeroog. Rhands mond verstrakte; het was slechts geluk dat hij door geen enkele rotssplinter was getroffen. Hij keek om naar de boerderij. Sora stond nog steeds naar hem te kijken en was blijkbaar niet verwond. De kippen waren amper gestopt met het rondkrabben in de aarde; ze leken eraan gewend te zijn.

‘Misschien zul je de volgende keer denken aan wat ik heb gezegd,’ zei Taim kalm, en hij liet zijn weefsel verdwijnen. ‘Scherm op als je toeslaat, anders kun je jezelf doden.’ Hij wierp een blik op Rhand alsof hij zich al die tijd van diens aanwezigheid bewust was geweest. ‘Ga hiermee door,’ zei hij de leerlingen en hij liep naar Rhand toe. Zijn gezicht met de haviksneus leek vandaag een gemeen trekje te hebben. Terwijl Damer in de rij ging zitten, stond de bolwangige Eben op. Hij trok zenuwachtig aan een groot oor, toen hij met Lucht een nieuwe steen van een stapel aan de rand van het veld optilde. Zijn stromen warrelden en hij liet de steen eenmaal vallen voor hij hem op zijn plaats had.

‘Is het wel veilig ze daarmee alleen te laten?’ vroeg Rhand toen Taim bij hem stond.

De tweede steen ontplofte net als de eerste, maar ditmaal hadden alle leerlingen schilden geweven. Evenals Taim die met het zijne ook Rhand omhulde. Zwijgend greep Rhand saidin weer aan, vormde zijn eigen schild en duwde dat van Taim weg. Taims mond vertrok tot die glimlach die geen glimlach was.

‘U hebt gezegd, mijn heer Draak, hun achter de broek te zitten, dus dat doe ik. Ik laat ze alles met de Kracht doen, de werkjes rond het huis, alles. De laatste nieuweling had gisteravond zijn eerste warme maaltijd. Als zij het eten niet zelf kunnen verhitten, eten ze het koud. De meeste dingen duren nu tweemaal zo lang als gewoon met de hand, maar ze leren de Kracht zo snel als ze kunnen, geloof me maar. Natuurlijk hebben we er nog niet zo erg veel.’

Rhand negeerde de daarin opgesloten vraag en keek rond. ‘Waar is Haslin? Toch niet opnieuw dronken? Ik heb je gezegd dat hij alleen ’s avonds wijn mag hebben.’ Henre Haslin was zwaardmeester geweest in de koninginnengarde, belast met de opleiding van nieuwe mannen, tot Rahvin de garde opnieuw was gaan indelen en iedere getrouwe van Morgase had weggezonden of naar de strijd in Cairhien had gestuurd. Haslin was te oud geweest voor nieuwe veldtochten, had zijn geld gekregen en was buiten de poorten gezet. Toen het nieuws van Morgases dood zich door Caemlin had verspreid, had hij een wijnvat opgezocht. Maar hij meende dat Rahvin – Gaebril voor hem – Morgase had gedood, niet Rhand, en hij kon hun leren vechten. Wanneer hij nuchter was.

‘Ik heb hem weggestuurd,’ zei Taim. ‘Wat heb je aan zwaarden?’ Een volgende rotssteen ontplofte. ‘Ik kan nog net voorkomen dat ik mezelf doodsteek, en ik heb zwaarden nooit gemist. Ze beschikken nu over de Kracht.’

Dood hem! Dood hem nu! Lews Therins stem weerkaatste hol door de leegte. Rhand onderdrukte de stem, maar hij kon de boosheid niet weerstaan die opeens een schelp leek te vormen rond de leegte waarin hij zich ophield. De leegte gaf zijn stem natuurlijk geen enkel gevoel. ‘Zoek hem op, Taim, en haal hem terug. Zeg hem dat je van mening bent veranderd. Zeg dat ook tegen de leerlingen. Zeg ze alles wat je verkiest, maar ik wil hem hier hebben om elke dag les te geven. Zij dienen deel uit te maken van de wereld, niet er los van te staan. Wat worden ze geacht te doen als ze niet kunnen geleiden? Toen jij afgeschermd was door de Aes Sedai, had je mogelijk nog steeds kunnen ontsnappen als je had geweten hoe je een zwaard moest gebruiken of met je handen moest vechten.’

‘Ik ben ontsnapt. Ik ben hier.’

‘Enkele volgelingen van jou hebben je bevrijd, heb ik gehoord, anders zou jij ook zijn gestild, net als Logain. Deze mannen krijgen geen volgelingen. Breng Haslin terug.’

De ander boog gladjes. ‘Zoals mijn heer Draak beveelt. Was dat het wat de heer Draak hierheen bracht? Haslin en zwaarden?’ Heel ver klonk er iets minachtends in door, maar Rhand negeerde het. ‘Er zijn Aes Sedai in Caemlin, dus geen uitstapjes naar de stad meer, noch van jou noch van de leerlingen. Het Licht mag weten wat er gebeurt als een van hen op een Aes Sedai stuit en zij ziet dat hij een geleider is.’ Of, wanneer hij haar herkende, zoals hij zeker zou doen. Hij zou waarschijnlijk willen vluchten of in paniek uithalen en beide dingen zouden hem verraden en tot zijn ondergang leiden. Voor zover Rhand kon zien, waren Verin en Alanna in staat elke leerling als een klein kind in te pakken.

Taim trok zijn schouders op. ‘Ze kunnen nu al het hoofd van een Aes Sedai op dezelfde manier aanpakken als die steen. Het weven wijkt maar een beetje af.’ Hij keek om en verhief zijn stem. ‘Aandacht, Adlie. Meer aandacht!’ De magere kerel die voor de andere leerlingen stond en bijna geheel uit armen en benen leek te bestaan, schrok, verloor de greep op saidin en greep opnieuw toe. Een volgende rotssteen ontplofte terwijl Taim zich tot Rhand wendde. ‘Trouwens, ik kan ze zelf voor je... verwijderen, als jij er niet toe in staat bent.’

‘Als ik hun dood wenste, zou ik hen wel hebben gedood.’ Hij meende het te kunnen, als ze probeerden hem te doden of te sussen. Hij hoopte van wel. Maar zouden ze zoiets proberen nu ze hem gebonden hadden? Dat was in ieder geval iets wat hij Taim niet wilde vertellen. Zelfs zonder het gemompel van Lews Therin stelde hij niet genoeg vertrouwen in de man om welke heimelijke zwakheid van hem dan ook toe te geven. Licht, wat voor soort greep heb ik me door Alanna laten opleggen? ‘Als de tijd komt om een Aes Sedai te doden, zal ik het je laten weten. Tot dan waagt niemand het ook maar te gaan schreeuwen, tenzij er een probeert hem te onthoofden. Feitelijk dienen jullie allemaal zo ver mogelijk van de Aes Sedai weg te blijven. Ik wil geen ongelukken en niets wat hen tegen me inneemt.’