‘Aha,’ zei Janya, en ze knipperde met de ogen alsof ze uit de vloer zelf waren gesprongen, ‘daar ben je.’
‘Vergeef me dat ik laat ben,’ zei Nynaeve haastig. Laat Nicola horen wat ze wilde. Delana staarde haar aan, niet Nicola. ik verloor de tijd uit het oog en...’
‘Het maakt niet uit.’ Delana’s stem was laag voor een vrouw. Haar uitspraak was een kelige weerklank van Uno’s Shienaraans. Voor zo’n omvangrijke vrouw klonk het vreemd melodieus, maar Delana was ook even vreemd sierlijk voor iemand die zo stevig was. ‘Nicola, weg met jou. Je doet werk voor Faolain tot je volgende les.’ Nicola verspilde geen tijd aan een knix en haastte zich naar buiten. Misschien had ze willen horen wat de Aes Sedai zouden zeggen over Nynaeves late komst, maar niemand stapte bij Aes Sedai over een grens. Het had Nynaeve niet kunnen schelen als Nicola ineens vleugels had gekregen. Ze was er net achter gekomen dat er geen inktpot stond op de tafel waar de Aes Sedai aan aten, geen zandpotje, geen pen, geen papier. Niets van wat ze nodig had. Werd ze verondersteld dat mee te nemen? Delana staarde haar nog steeds aan. De vrouw staarde niemand zo lang aan. Ze staarde nooit, tenzij ze een reden had. ‘Wil je misschien wat koele muntthee?’ vroeg Janya, en nu was het Nynaeves beurt om met de ogen te knipperen, ik geloof heus dat thee heel plezierig is. Ik vind altijd dat het gesprekken gemakkelijker maakt.’ De vogelachtige, kleine Bruine zuster wachtte niet op een antwoord maar liep naar een zijtafel om thee uit een blauw gestreepte pot in een paar niet bij elkaar passende kopjes te schenken. Een van de poten van het tafeltje was vervangen door een stuk steen. Aes Sedai mochten dan meer ruimte hebben, hun meubels waren net zo haveloos. ‘Delana en ik hebben besloten dat onze aantekeningen kunnen wachten tot een andere gelegenheid. Honing? Zelf geef ik de voorkeur aan zonder. Al die zoetigheid bederft de smaak. Jonge vrouwen willen altijd honing. Je hebt zulke geweldige dingen gedaan. Jij en Elayne.’ Een luid schrapen van de keel deed haar vragend naar Delana opzien. ‘O ja,’ zei Janya even later.
Delana had een van de stoelen bij de tafel tot midden op de kale vloer geschoven. Een stoel met een rieten zitting. Vanaf het moment dat Janya het woord gesprekken had laten vallen, had Nynaeve geweten dat het helemaal niet daarop zou lijken. Delana gebaarde naar de stoel. Nynaeve ging op het randje zitten en nam een kopje op een geschilferd schoteltje van Janya aan met een gemurmeld ‘dank u, Aes Sedai’. Ze hoefde niet lang te wachten.
‘Vertel ons over Rhand Altor,’ zei Janya. Ze had meer willen zeggen, maar Delana schraapte opnieuw haar keel. Janya knipperde, zweeg en nipte van haar thee. Delana keek haar even aan, zuchtte toen en geleidde de derde kop naar haarzelf toe. De kop zweefde door de kamer. Delana richtte haar blik weer op haar, op een manier alsof ze gaten in je hoofd kon boren. Janya leek in gedachten verzonken en haar niet eens te zien.
‘Ik heb u alles verteld wat ik weet,’ zei Nynaeve zuchtend. ‘Nou ja, aan de Aes Sedai.’ Ze had wel gemoeten. Niets van wat ze wist kon hem kwaad doen – niet meer dan weten wat hij was – en het kon helpen als ze de zusters kon tonen dat hij gewoon een man was. Niet een man die kon geleiden; alleen een man. Geen gemakkelijke taak, als het om de Herrezen Draak ging. ‘Meer weet ik niet.’
‘Zit niet te pruilen,’ zei Delana scherp, ‘En zit stil.’ Nynaeve zette het kopje op het schoteltje en veegde haar pols aan haar rok af.
‘Kind,’ zei Janya vol medeleven, ‘ik weet dat je gelooft alles wat je weet te hebben verteld, maar Delana... Ik kan niet geloven dat je iets met opzet zou achterhouden.’
‘Waarom niet?’ blafte Delana. ‘Geboren in hetzelfde dorp. Hem zien opgroeien. Ze kan hem meer trouw zijn dan de Witte Toren.’ Haar scherpe blik richtte zich weer op Nynaeve. ‘Vertel ons iets dat je niet eerder verteld hebt. Ik heb al je verhalen gehoord, meisje, dus ik zal het weten.’
‘Probeer het, kind. Ik weet zeker dat je Delana niet boos wilt maken. Waarom...’ Janya zweeg door een schrapende keel. Nynaeve hoopte dat haar kletterende theekopje de Aes Sedai duidelijk maakte dat ze net zo erg van streek was. Ze was hier angstig naartoe gesleept – nee, niet angstig, maar minstens bezorgd over hoe boos ze wel mochten zijn, en nu dit. Als je met Aes Sedai te maken had, leerde je heel goed te luisteren. Je mocht mogelijk nog steeds niet vatten wat ze echt bedoelden, maar je kansen waren beter als je niet met een half oor luisterde, zoals de meeste mensen gewoon waren. Geen van beiden had echt gezegd dat ze dachten dat Nynaeve iets achtergehouden had. Ze waren er gewoon op uit om haar bang te maken, in de hoop dat ze misschien iets anders konden losmaken. Ze was niet bang van hen. Niet erg. Ze was woedend.
‘Als jongen,’ zei ze nadenkend, ‘slikte hij straf zonder tegenstribbelen, als hij dacht dat hij die verdiende. Maar als hij dat niet dacht, bleef hij ertegen vechten.’
Delana snoof. ‘Dat heb je aan iedereen verteld die maar wou luisteren. Iets anders. Snel!’
‘Je kunt hem ergens toe brengen, of hem ergens van overtuigen, maar hij laat zich niet opdrijven. Hij zet zich schrap als hij denkt dat...’
‘Dat ook.’ Delana boog zich met de handen in de heupen voorover tot haar hoofd op gelijke hoogte was. Nynaeve wenste bijna dat het weer Nicola was die haar aanstaarde, iets dat je niet aan iedere kok en wasvrouw in Salidar verteld hebt.’
‘Probeer het, kind,’ zei Janya. Wonder boven wonder liet ze het daarbij.
Ze drongen diep in haar door. Janya was meelevend en gaf voorzichtige duwtjes; Delana boorde meedogenloos diep. Nynaeve bracht iedere flard naar boven die ze zich kon herinneren. Het schonk haar geen uitstel; ieder beetje was al zo vaak verteld dat ze het aan de toon al herkende. Wat Delana haar vriendelijk duidelijk maakte. Nou, niet zo vriendelijk. Tegen de tijd dat Nynaeve eindelijk een slokje thee kon nemen, proefde het verschaald aan, en de zoetheid liet haar tong bijna krullen. Janya geloofde kennelijk echt dat jonge vrouwen van veel honing hielden. De ochtend ging langzaam voorbij, heel langzaam. ‘Dit brengt ons nergens,’ zei Delana ten slotte. Ze keek dreigend naar Nynaeve alsof het allemaal haar schuld was.
‘Mag ik dan gaan?’ vroeg Nynaeve vermoeid. Ieder druppeltje zweet op haar huid en in haar kleren leek uit haar te zijn gewrongen. Ze voelde zich slap. Ze wilde die twee koele Aes Sedai-gezichten graag een mep geven.
Delana en Janya keken elkaar aan. De Grijze haalde haar schouders op en liep naar het tafeltje voor nog een kop thee. ‘Natuurlijk mag je dat,’ zei Janya.
‘Ik weet dat het moeilijk voor je is, maar het is echt nodig dat wij Rhand Altor beter kennen dan hij zichzelf kent, als we moeten beslissen wat het beste is. Anders kan alles in een grote ramp eindigen. O ja, natuurlijk. Je hebt het heel goed gedaan, kind. Maar ja, ik verwachtte ook niet minder van je. Iedereen die met jouw belemmering zulke ontdekkingen doet... Ja, ik verwacht van jou niet anders dan het beste. En dan te bedenken...’
Het kostte haar veel tijd om alles op te noemen, waarna Nynaeve eindelijk naar buiten mocht strompelen. Wat ze met knikkende knieën klaarspeelde. Iedereen had het over haar. Natuurlijk. Ze had naar Elayne moeten luisteren en al die zogenaamde ontdekkingen aan haar moeten overlaten. Moghedien had gelijk. Vroeg of laat zouden ze gaan onderzoeken hoe ze het voor elkaar kreeg. Dus ze moesten beslissen wat het beste was. Ze had nergens uit kunnen opmaken wat zij met Rhand van plan waren.
Een blik op de zon, die bijna recht boven haar stond, zei haar dat ze al laat was voor haar afspraak met Theodrin. Deze keer had ze tenminste een goede verontschuldiging.
Theodrins huis – van haar en meer dan twintig andere vrouwen – lag achter de Kleine Toren. Nynaeve vertraagde haar pas toen ze ter hoogte van de vroegere herberg kwam. Het groepje zwaardhanden aan de voorzijde, bij Garet Brin, gaf aan dat de bijeenkomst nog steeds voortduurde. Een restje van haar boosheid stelde haar in staat om de ban te zien; een bijna vlakke koepel die voor het grootste deel uit Vuur en Lucht bestond, met iets van Water, en in haar ogen over het hele gebouw trilde, met een knoop die het geheel bijeenhield op een zo uitnodigende manier. Als ze die knoop aanraakte zou ze net zo goed haar huid aan een leerlooier kunnen aanbieden; er waren meer dan genoeg Aes Sedai in de drukke straten. Zo nu en dan liepen een paar zwaardhanden door de trillende koepel heen, die voor hen onzichtbaar was, als er een groepje opbrak en zich een ander vormde. Dezelfde waakban waar Elayne niet doorheen kon dringen. Een schild tegen afluisteren. Met de Kracht.