Выбрать главу

Theodrins huis stond een honderd pas verder in de straat, maar Nynaeve liep een erf op naast een huis met rieten dak, twee huizen voorbij de vroegere herberg. Daarachter lag een klein stukje grond vol verdord onkruid, omgeven door een gammele houten schutting, maar er zat een poort in die aan een enkel, bijna doorgeroest scharnier hing. Dat knarste onheilspellend toen ze het poortje openduwde. Ze keek haastig om zich heen – er stond niemand in het raam en niemand kon haar vanaf de straat zien – hield haar rok bijeen en schoot het nauwe steegje in dat naar het kamertje leidde dat zij met Elayne deelde. Even aarzelde ze; ze veegde haar bezwete handpalmen aan haar rok af en herinnerde zich Birgittes woorden. Ze wist dat ze diep vanbinnen een bangerik was, hoezeer ze dat ook haatte. Eens had ze gedacht dat ze dapper genoeg was. Geen heldin als Birgitte, maar dapper genoeg. De wereld had haar anders geleerd. Alleen al de gedachte aan wat de zusters zouden doen als ze haar snapten, deed haar zowat omdraaien en naar Theodrin rennen. De kans dat ze echt een raam zou vinden in de kamer van de Gezetenen werd steeds kleiner. Onmogelijk klein. Ze probeerde haar mond te bevochtigen – hoe kon haar mond zo droog zijn als al het andere zo vochtig was? – en kroop dichterbij. Op een dag zou ze willen weten hoe het was om, in plaats van een bangerik, dapper te zijn als Birgitte of Elayne.

De ban prikte niet toen ze erdoorheen stapte. Ze voelde hem helemaal niet. Dat wist ze nu. Een ban aanraken deed geen kwaad. Ze drukte zichzelf plat tegen de ruwe stenen muur. Klimoptakjes die in de scheurtjes nestelden, sliertten langs haar gezicht. Langzaam schoof ze verder tot aan het dichtstbijzijnde raam, en draaide zich vervolgens bijna om om weg te sluipen. Het was potdicht. Al het glas was verdwenen en vervangen door oliedoek dat wat licht zou doorlaten, maar haar beslist niets zou tonen. Of iets laten horen; als er iemand aan de andere kant was, liet die in ieder geval niets horen. Ze haalde diep adem en schoof door naar het volgende raam. Ook hier was de ruit voor een deel vervangen, maar de rest toonde haar een sjofele tafel, die ooit fraai bewerkt was, vol papieren en inktpotten, een paar stoelen en een overigens lege kamer.

Ze mompelde een verwensing die ze ooit van Elayne had opgestoken – die meid kende een verrassende hoeveelheid – en tastte verder langs de ruwe steen. Het derde raam stond open. Ze drukte haar neus ertegenaan. En schoof met een ruk terug. Ze had niet echt geloofd iets te vinden, maar daarbinnen zat Tarna. Niet met de Gezetenen, maar met Sheriam en Mijrelle en de rest. Als haar hart niet zo had gebonsd, zou ze al voor het kijken hun mompelende stemmen hebben opgevangen. Ze knielde neer en schoof zo dicht mogelijk naar het openstaande raam zonder gezien te worden. De onderkant van het venster raakte haar hoofd.

‘... zeker van dat dit de boodschap is die jullie me mee willen geven?’ Die harde stem moest van Tarna zijn. ‘Je wilt meer tijd om erover na te denken? Waarover dan?’

‘De Zaal...’ begon Sheriam.

‘De Zaal’, zei de gezant van de Toren minachtend. ‘Denk niet dat ik blind ben voor waar de macht ligt. Die zogenaamde Zaal denkt dat wat jullie zes hun vertellen te denken.’

‘Het is de Zaal die om meer tijd gevraagd heeft,’ zei Beonin op besliste toon. ‘Wie kan zeggen tot welk besluit zij komen?’

‘Elaida zal moeten wachten op hun besluit,’ zei Morvrin, in een redelijke nabootsing van Tarna’s ijzige stem. ‘Kan ze niet nog een korte tijd wachten om te zien of de Toren niet weer één kan worden?’ Tarna’s antwoord was echter nog kouder, ik zal de boodschap van jullie... van de Zaal... aan de Amyrlin doorgeven. We zullen zien wat ze ervan denkt.’ Een deur ging open en met een harde klap weer dicht. Nynaeve had kunnen gillen van teleurstelling. Nu wist ze het antwoord, maar niet de vraag. Als Janya en Delana haar maar wat eerder hadden laten gaan. Nou ja, het was beter dan niets. Beter dan: ‘We zullen terugkeren en Elaida gehoorzamen.’ Het had geen zin hier te blijven en te wachten tot iemand naar buiten zou kijken en haar opmerken. Ze begon al weg te schuiven toen Mijrelle zei: ‘Misschien moeten we alleen maar een boodschap sturen. Misschien moeten we haar gewoon ontbieden.’ Nynaeve fronste de wenkbrauwen en bleef waar ze was. Wie?

‘De vormen moeten worden nageleefd,’ zei Morvrin grommend. ‘De juiste vormelijkheden moeten in acht worden genomen.’ Onmiddellijk daarop sprak Beonin ferm: ‘We moeten de letter van de wet naleven. De kleinste misstap zal tegen ons gebruikt worden.’

‘En als we een vergissing hebben gemaakt?’ Voor misschien het eerst van haar leven klonk Carlinya verhit. ‘Hoe lang moeten we nog wachten? Hoe lang durven we te wachten?’

‘Zo lang als nodig is,’ zei Morvrin.

‘Zo lang als we moeten.’ Dat was Beonin. ik heb niet al die tijd op een gezeglijk kind gewacht om nu alle plannen te laten varen.’ Op een of andere manier veroorzaakte dat een stilte, hoewel Nynaeve iemand opnieuw ‘gezeglijk’ hoorde mompelen, alsof ze het woord zelf onderzocht. Welk kind? Een novice of een Aanvaarde? Ze kon er geen touw aan vastknopen. Zusters wachtten nimmer op novices of Aanvaarden.

‘We zijn te ver gegaan om erop terug te komen, Carlinya,’ zei Sheriam ten slotte. ‘Of we brengen haar hier en zorgen ervoor dat ze doet wat ze doen moet, of we laten alles aan de Zaal over en hopen dat die ons niet tot rampspoed brengt.’ Uit haar toon viel op te maken dat ze dat laatste als een dwaze hoop beschouwde.

‘Eén foutje,’ zei Carlinya koud, kouder nog dan gewoonlijk, ‘en we eindigen allemaal met ons hoofd op een staak.’

‘Maar wie zal ze erop steken?’ vroeg Anaiya nadenkend. ‘Elaida, de Zaal, of Rhand Altor?’

De stilte duurde voort. Vervolgens ritselden er kleren, de deur ging open en weer dicht. Nynaeve waagde een snelle blik. De kamer was leeg. Ze maakte een geërgerd geluid. Dat ze van plan waren om te wachten was een schrale troost; het uiteindelijke antwoord kon van alles zijn. Anaiya’s opmerking gaf aan dat ze nog steeds net zozeer voor Rhand op hun hoede waren als voor Elaida. Misschien wel meer. Elaida verzamelde geen geleiders om zich heen. En wie was dat ‘gezeglijke’ kind? Nee, dat was niet belangrijk. Ze konden wel vijftig plannen hebben beraamd waar ze niets van wist.

De ban knipperde weg en Nynaeve sprong op. Ze had hier allang weg moeten zijn. Ze kroop overeind en klopte heftig al het stof van haar knieën toen ze van de muur wegstapte. Ze deed niet meer dan een enkele stap. Ze stond stil, nog steeds voorovergebogen met haar handen doodstil over de vlekken op haar rok, en staarde naar Theodrin. De Domaanse vrouw met haar appelwangen ontmoette haar blik en bleef zwijgen.

Haastig overwoog en verwierp Nynaeve de dwaze smoes dat ze zocht naar iets wat ze verloren was. In plaats daarvan richtte ze zich op en liep langzaam langs de ander, alsof er niets uitgelegd hoefde te worden. Theodrin liep zwijgend met haar mee, de handen gevouwen op haar middel. Nynaeve overwoog haar mogelijkheden. Ze kon Theodrin op het hoofd slaan en wegrennen. Ze kon weer op haar knieën vallen en smeken. Volgens haar waren beide ideeën waanzin, maar ze kon niets anders bedenken.

‘Heb je je kalm gehouden?’ vroeg Theodrin, recht voor zich uit kijkend.

Nynaeve schrok op. Dat was Theodrins opdracht geweest na de pogingen van gisteren om haar blok te doorbreken. Blijf kalm; denk alleen rustige, beheerste gedachten. ‘Natuurlijk,’ lachte ze zwakjes. ‘Wat kan er zijn om me van mijn stuk te brengen?’