Выбрать главу

‘Deeper,’ vroeg Lan toen ze de achterste gelederen bereikten. ‘Hoe gaat het met Andère?’

‘Hij heeft een paar gebroken ribben, een gebroken arm en een hoofdwond,’ antwoordde Deeper. ‘Ik zou ervan opkijken als hij nu tot tien kan tellen, maar ik heb wel erger gezien. Ik zal die hoofdwond meteen Helen. De rest kan wachten.’

Lan knikte en hield zijn rijdier in. Een van zijn wachters – een norse man genaamd Benish met een Tarabonse sluier voor, hoewel hij daarboven een hadori droeg – hielp Andère van Mandarbs rug te tillen. Ze hielden hem overeind bij Deepers paard. De eenbenige Asha’man boog zich opzij uit de verschillende riemen die hem in het zadel hielden, legde zijn hand op Andères hoofd en concentreerde zich.

De versufte blik verdween uit Andères ogen en het bewustzijn keerde terug. Toen begon hij te vloeken.

Het komt wel goed met hem, dacht Lan, die zich weer omdraaide naar het slagveld. Het Schaduwgebroed begon zich terug te trekken. De zon ging bijna onder.

Prins Kaisel kwam naar Lan toe draven. ‘Die Saldeaanse vlag heeft de rode streep van de koningin,’ zei hij. ‘Ze rijdt weer met ze mee, Lan.’

‘Ze is hun koningin. Ze mag doen wat ze wil.’

‘Je zou met haar moeten praten,’ zei Kaisel hoofdschuddend. ‘Het hoort niet, Lan. Andere vrouwen uit het Saldeaanse leger beginnen nu ook met de soldaten mee te rijden.’

‘Ik heb Saldeaanse vrouwen zien oefenen,’ zei Lan, nog kijkend naar het slagveld. ‘Als ik zou moeten wedden op een wedstrijd tussen zo’n vrouw en een man uit een willekeurig leger in het zuiden, zou ik altijd op de Saldeaanse wedden.’

‘Maar...’

‘Deze oorlog is alles of niets. Als ik alle vrouwen in de Grenslanden kon verzamelen en een zwaard kon geven, zou ik het doen. Voorlopig neem ik er genoegen mee dat we geen stomme dingen doen, zoals geoefende en hartstochtelijke soldaten het vechten verbieden. Als jij echter besluit niet zo verstandig te zijn, dan mag je ze gerust vertellen wat je ervan vindt. Ik beloof dat ik je een mooie begrafenis zal geven zodra ik je hoofd van hun staak mag halen.’

‘Ik... Ja, heer Mandragoran,’ zei Kaisel.

Lan pakte zijn kijkglas en overzag hel slagveld.

‘Heer Mandragoran?’ begon Kaisel. ‘Denkt u echt dat deze strategie zal lukken?’

‘Er zijn te veel Trolloks,’ zei Lan. ‘De legers van de Duistere fokken ze al jaren, kweken ze als onkruid. Trolloks eten veel meer dan mensen. Inmiddels moeten ze alles in de Verwording hebben opgegeten dat eetbaar was. De Schaduw heeft elk beetje voedsel verbruikt dat ze hadden om dit leger te maken, omdat ze erop rekenden dat de Trolloks de lijken van de gesneuvelden konden eten.’

En inderdaad, nu de strijd was gestaakt, zwermden de Trolloks over het veld in een gruwelijke strooptocht. Ze hadden het liefst mensenvlees, maar ze aten ook hun eigen gesneuvelden. Lan was vier dagen lang voor hun leger uit gevlucht, zonder ze lichamen te geven waar ze zich mee konden voeden.

Dat was alleen maar gelukt omdat ze Fal Dara, Fal Moran en andere steden in westelijk Shienar in brand hadden gestoken. De zoektocht naar voedsel in die steden had de Trolloks vertraagd, waardoor Lans leger de aftocht beter had kunnen stroomlijnen.

De Shienaranen hadden ook niets eetbaars in de omringende steden achtergelaten. Vier dagen zonder eten. De Trolloks werden niet bevoorraad. Dan zouden ze nu wel uitgehongerd zijn. Lan keek naar hen door zijn kijkglas. Veel van die schepsels wachtten niet eens op de kookpotten. Ze waren meer dier dan mens.

Ze zijn veel meer Schaduw dan dier óf mens, dacht Lan, die zijn kijkglas liet zakken. Zijn strategie was morbide, maar hopelijk werkzaam. Zijn mannen zouden vechten, en er zouden slachtoffers vallen. Die slachtoffers zouden het aas vormen voor de echte strijd.

‘Nu,’ fluisterde Lan.

Heer Agelmar zag het ook. De hoorns werden geblazen en een gele streep licht vloog de lucht in. Lan wendde Mandarb. Het paard snoof. Het was moe, maar Lan ook. Allebei konden ze nog wel een strijd aan. Ze moesten wel.

‘Tai’shar Malkier!’ brulde Lan, die zijn zwaard liet zakken en zijn leger weer het slagveld op leidde. Alle vijf de Grenslanderlegers stormden samen op de wanordelijke horde Schaduwgebroed af. De Trolloks hadden alle gelederen verlaten en vochten om de lijken.

Toen Lan op ze af denderde, hoorde hij de Myrddraal brullen in een poging de Trolloks weer tot de orde te roepen. Het was veel te laat. Veel van de uitgehongerde beesten keken niet eens op totdat de legers al bijna bij hen waren.

Toen Lans troepen ze raakten, had dat een heel ander effect dan de vorige keer. Eerder was hun aanval vertraagd door de gesloten gelederen van de Trolloks en hadden ze er maar een meter of tien in kunnen doordringen voordat ze gedwongen waren de zwaarden en bijlen op te nemen. Nu waren de Trolloks verspreid. Lan gaf de Shienaranen het teken om als eerste toe te slaan. Hun voorhoede was zo dicht dat je moeite zou hebben een opening van meer dan twee passen tussen de paarden te vinden.

Daardoor hadden de Trolloks geen ruimte om te vluchten of dekking te zoeken. De ruiters vertrappelden ze met een gedonder van hoeven en kletterende pantsers, doorboorden Trolloks met hun lansen, vuurden korte bogen af en hakten met tweehands zwaarden om zich heen. De Shienaranen, met hun helmen met open vizier en pantsers van vlakke platen, vielen fel aan.

Lan kwam er met zijn Malkierse cavalerie achteraan. Ze staken het veld achter de Shienaranen schuin over om de Trolloks te doden die de eerste aanval hadden overleefd. Zodra zij langs waren, zwenkten de Shienaranen naar rechts om zich te verzamelen voor een volgende bestorming, maar de Arafellers drongen zich achter hen naar voren en sloegen nog meer gaten in de gelederen van het Schaduwgebroed. Na hen kwam een golf van Saldeanen, die net als de Malkieri het veld schuin overstaken, en toen kwamen de Kandori vanuit de andere richting.

Zwetend – met een vermoeide zwaardarm – wendde Lan zijn paard en bereidde zich opnieuw voor. Toen pas besefte hij dat prins Kaisel zelf de banier van Malkier droeg. Kaisel was nog jong, maar zijn hart zat op de juiste plek. Hoewel hij wel een beetje dom was waar het op vrouwen aankwam. Licht, maar dat zijn we allemaal, in meer of mindere mate, dacht Lan. Nynaeves gevoelens, die van ver weg door de binding kwamen, stelden hem gerust. Hij voelde niet veel op zo grote afstand, maar ze leek vastberaden.

Terwijl Lan zijn tweede bestorming inzette, begon de grond onder zijn mannen ineens te ontploffen. De Gruwheren hadden eindelijk in de gaten gekregen wat er gebeurde en waren teruggekomen naar het front. Lan stuurde Mandarb om een krater heen die vlak voor hem in de grond werd geslagen en zand over hem heen sproeide. Het verschijnen van de Gruwheren was zijn teken om de aanvallen af te breken. Dit was bedoeld geweest als snelle, harde uitval en aftocht. Als hij het tegen de Gruwheren wilde opnemen, zou hij al zijn geleiders moeten inzetten, en dat wilde hij niet.

‘Bloed en bloedas!’ vloekte Deeper toen Lan om een volgende ontploffing heen reed. ‘Heer Mandragoran!’

Lan draaide zich om. Deeper hield zijn paard in.

‘Rij door, man,’ zei Lan, die Mandarb inhield. Hij gebaarde zijn mannen dat ze moesten doorrijden, hoewel prins Kaisel en Lans slag-veldwachter samen met hem stopten.

‘O, Licht,’ zei Deeper, die ergens naar keek.

Lan wendde Mandarb. Om hen heen lagen dode en stervende, jankende en kermende Trolloks. Links van hem begon de massa Schaduwgebroed zich nu pas op te stellen. Ze zouden snel weer een verenigd front hebben, en als Lan en de anderen niet opschoten, stonden ze zo meteen alleen tegenover ze op het slagveld.

Deeper staarde naar een gestalte die boven op een soort grote belegeringsmachine stond. Het ding had een vlak wagenbed en was ongeveer twintig voet hoog. Een groep Trolloks duwde de kar op grote houten wielen naar voren.