Ja, er stond iemand bovenop. Meerdere figuren. Vuurbollen begonnen op de Grenslanders af te komen terwijl ze wegreden, en bliksems flitsten door de hemel. Lan voelde zich ineens net een doelwit op een oefenveld voor boogschutters.
‘Deeper!’
‘Het is de M’Hael!’ riep Deeper uit.
Taim was al ongeveer een week niet meer bij het vijandelijke leger geweest, maar nu was de man kennelijk terug. Het was onmogelijk om er zeker van te zijn, vanwege de afstand, maar te oordelen naar de wijze waarop de man snel achter elkaar met wevingen smeet, was hij ergens boos over.
‘Kom mee!’ riep Lan.
‘Ik kan hem aan,’ zei Deeper. ‘Ik kan...’
Lan zag een lichtflits, en ineens steigerde Mandarb. Hij vloekte en probeerde de vlekken voor zijn ogen weg te knipperen. Er was ook iets mis met zijn oren. Mandarb bokte en danste onrustig heen en weer. De hengst was niet gemakkelijk van zijn stuk te brengen, maar een bliksemflits die zo dichtbij kwam zou elk paard de stuipen op het lijf jagen. Een tweede bliksemflits smeet Lan uit het zadel. Hij kwam grommend op de grond terecht, maar diep vanbinnen wist hij wat hij moest doen. Toen hij zich herpakt had, kwam hij duizelig overeind, met zijn zwaard in de hand. Hij kreunde en wankelde.
Handen grepen hem vast en sleurden hem in een zadel. Prins Kaisel, zijn gezicht met bloed besmeurd van de gevechten, hield Mandarbs teugels vast. Lans wachter zorgde ervoor dat hij stevig op zijn paard zat terwijl ze wegreden.
Terwijl ze vluchtten, ving hij nog een glimp op van Deepers gemangelde en verscheurde lijk.
17
Ouder, verweerder
‘...Was tevergeefs, Majesteit,’ zei de stem die Mart uit zijn sluimering wekte.
Er prikte iets in Marts gezicht. Dit was de allerslechtste matras waar hij ooit op had geslapen. Hij nam zich voor die herbergier op zijn falie te geven en zijn geld terug te eisen.
‘De huurmoordenaar is heel moeilijk te volgen,’ vervolgde die zagende stem. ‘Mensen die hem tegenkomen, herinneren zich hem niet. Als de Prins van de Raven ons kan vertellen hoe we dat schepsel kunnen volgen, zou ik het heel graag horen.’
Waarom had de herbergier die mensen zijn kamer in gelaten? Mart werd langzaam wakker en liet een heerlijk zorgeloze droom over Tuon achter. Hij opende dikke ogen en keek op naar een bewolkte hemel. Dat was helemaal niet de zoldering van een herberg.
Bloed en as, dacht Mart kreunend. Ze waren in slaap gevallen in de tuin. Hij ging zitten en merkte dat hij helemaal naakt was, op zijn halsdoek na. Zijn kleding en die van Tuon lagen onder hen uitgespreid. Hij had met zijn gezicht in het onkruid gelegen.
Tuon zat naast hem en trok zich niets aan van het feit dat ze spiernaakt was terwijl ze met een doodswachtgardist sprak. Musenge zat op zijn knie, met zijn hoofd gebogen en zijn blik op de grond gericht, maar dan nog!
‘Licht!’ riep Mart uit terwijl hij naar zijn kleren graaide.
Tuon zat op zijn hemd en keek hem geërgerd aan toen hij probeerde het onder haar vandaan te trekken.
‘Geëerde,’ zei de gardist tegen Mart, met zijn blik neergeslagen. ‘Ik groet u bij uw ontwaken.’
‘Tuon, wat zit je daar nou?’ wilde Mart weten, die eindelijk zijn hemd onder dat prachtige achterwerk vandaan kreeg.
‘Als mijn gemaal,’ zei Tuon streng, ‘mag je me Fortuona of Majesteit noemen. Ik zou het echt niet leuk vinden om je te moeten laten terechtstellen voordat je me een kind schenkt, want ik ben best aan je gehecht. Wat die wachter aangaat, hij is van de doodswacht, en die hebben de opdracht om me te allen tijde te bewaken. Ik heb ze ook vaak bij me als ik in bad zit. Dat is hun plicht, en zijn gezicht is afgewend.’
Mart kleedde zich snel aan.
Zij begon zich ook aan te kleden, maar lang niet zo snel als hem lief was. Hij vond het niet prettig dat een wachter naar zijn vrouw loerde. Rondom de plek waar ze hadden geslapen, stonden kleine blauwe sparren, een zeldzaamheid hier in het zuiden, misschien gekweekt omdat ze zo uitheems waren. Hoewel de naalden bruin verkleurden, boden ze enige mate van beschutting. Achter de sparren stonden nog andere bomen. Perziken, dacht Mart, hoewel het zonder de bladeren moeilijk vast te stellen viel.
De stad die buiten de tuinen langzaam ontwaakte, was hier amper te horen, en de lucht rook vaag naar de sparrennaalden. Het was zo warm dat buiten slapen niet onplezierig was geweest, hoewel Mart wel blij was dat hij zijn kleren weer aanhad.
Een officier van de doodswachtgarde naderde juist toen Tuon klaar was met aankleden. Hij kwam over krakende, dorre sparrennaalden aanlopen en maakte een diepe buiging voor haar. ‘Keizerin, we hebben mogelijk nog een huurmoordenaar gevangengenomen. Het is niet het schepsel van gisteravond, aangezien hij geen verwondingen heeft, maar hij probeerde het paleis binnen te glippen. We dachten dat u hem misschien zou willen zien voordat we met ons verhoor beginnen.’
‘Breng hem hier,’ zei Tuon, die haar gewaad gladstreek. ‘En laat generaal Karede komen.’
De officier trok zich terug en liep langs Selucia, die vlak bij het pad naar de open plek stond. Ze kwam naar hen toe en stelde zich naast Tuon op. Mart zette zijn hoed op en ging aan haar andere zijde staan, en hij zette de steel van de ashandarei in het dode gras.
Mart had medelijden met de arme dwaas die was gesnapt toen hij de tuin in wilde sluipen. Misschien was de man een huurmoordenaar, maar het kon ook een bedelaar of een stomkop op zoek naar opwin ding zijn. Of hij kon...
... de Herrezen Draak zijn.
Mart kreunde. Ja, dat was Rhand die over het pad werd geleid. Rhand oogde ouder, verweerder dan de vorige keer dat Mart hem had gezien. Al had hij de man natuurlijk onlangs nog wel gezien in die rottige visioenen. Hoewel Mart zichzelf had aangeleerd om niet aan Rhand te denken, zodat hij die kleuren niet hoefde te zien, óverkwam het hem af en toe nog wel.
Maar goed, Rhand in eigen persoon zien was anders. Het was al... Licht, hoe lang was het eigenlijk geleden? De laatste keer dat ik hem met eigen ogen zag, was toen bij me naar Salidar stuurde, achter Elayne aan. Dat leek een eeuwigheid geleden. Het was voordat hij naar Ebo Dar was gekomen, voordat hij de gholam voor het eerst had gezien. Vóór Tylin, vóór Tuon.
Mart fronste toen Rhand met zijn armen op zijn rug gebonden aan Tuon werd voorgeleid. Ze overlegde met Selucia, wiebelend met haar vingers in hun handtaal.
Rhand leek zich nergens zorgen om te maken. Zijn gezicht stond kalm. Hij droeg een mooie rood met zwarte jas, met een wit hemd eronder en een zwarte broek. Geen goud of juwelen, en helemaal geen wapen.
‘Tuon,’ begon Mart. ‘Dat is...’
Tuon wendde zich van Selucia af en zag Rhand. ‘Damane!’ blafte ze, waarmee ze Mart afkapte. ‘Haal mijn damane! Rennen, Musicar! Rénnen!’
De doodswachtgardist kwam struikelend in beweging en rende weg, roepend om de damane en om baandergeneraal Karede.
Rhand keek de man rustig na, ook al was hij vastgebonden. Hij heeft wel wat weg van een koning, dacht Mart terloops. Natuurlijk was Rhand waarschijnlijk waanzinnig. Dat zou verklaren waarom hij zo naar Tuon toe was gewandeld.
Of Rhand had zich gewoon voorgenomen om haar te doden. Boeien maakten geen enkel verschil voor een man die kon geleiden. Bloed en as, dacht Mart. Hoe ben ik hier nu weer in verzeild geraakt? Hij had zo zijn best gedaan om Rhand te ontlopen!
Rhand keek Tuon recht in de ogen. Mart haalde diep adem en sprong voor haar. ‘Rhand. Rhand, wacht even. Laten we rustig blijven.’
‘Hallo, Mart,’ zei Rhand vriendelijk. Licht, hij was waanzinnig! ‘Dank je wel dat je me naar haar toe hebt geleid.’
‘Jou naar haar toe...’
‘Wat is dit?’ wilde Tuon weten.
Mart draaide zich met een ruk om. ‘Ik... Echt, het is alleen maar...’
Met haar ogen had ze gaten in staal kunnen branden. ‘Jij hebt dit gedaan,’ zei ze tegen Mart. ‘Je bent hierheen gekomen, hebt me verleid, en toen heb je hem naar binnen gehaald. Zit het zo?’
‘Je moet het hem niet kwalijk nemen,’ zei Rhand. ‘Wij twee moesten elkaar weer ontmoeten. Je weet dat het waar is.’