Mart ging tussen hen vandaan en stak beide handen naar hen op. ‘Wacht even! Allebei ophouden. Luister naar me!’
Iets greep Mart vast en sleepte hem de lucht in. ‘Kappen, Rhand!’ riep hij.
‘Dat doe ik niet,’ zei Rhand, en er verscheen een fronsrimpel op zijn voorhoofd. ‘Ach. Ik ben afgeschermd.’
Marts ogen werden groot terwijl hij in de lucht hing. Hij voelde aan zijn borst. Het medaillon. Waar was zijn medaillon?
Mart staarde naar Tuon. Ze keek heel even beschaamd en haar hand ging naar de zak van haar gewaad. Ze haalde er iets zilverkleurigs uit, misschien met de bedoeling het medaillon te gebruiken als bescherming tegen Rhand, hoewel Mart er nog steeds niet zeker van was of het even goed tegen mannen zou werken als tegen vrouwen.
Geweldig, dacht Mart kreunend. Ze had hem de ketting afgedaan terwijl hij sliep, en hij had het niet eens gemerkt. Geweldig, verdomme.
De Luchtwevingen zetten hem naast Rhand neer. Karede was teruggekeerd met een sul’dam en damane. Alle drie oogden ze verhit, alsof ze hard hadden gerend. De damane was degene die Mart had opgetild.
Tuon bekeek Rhand en Mart en begon toen met scherpe hand-taalgebaren te overleggen met Selucia.
‘Je wordt bedankt,’ mompelde Mart tegen Rhand. ‘Wat ben je toch een verrekt goeie vriend.’
‘Ik ben ook blij om jou weer te zien,’ zei Rhand met een flauwe glimlach om zijn lippen.
‘Daar gaan we,’ zei Mart zuchtend. ‘Je hebt me alweer in de nesten gewerkt. Dat doe je nou elke keer.’
‘O ja?’
‘Ja. In Rhuidean en de Woestenij, in de Steen van Tyr... in Tweewater. Je beseft toch wel dat ik naar het zuiden ben gegaan, in plaats van naar je feestje met Egwene in Merrilor te komen, om aan je te ontsnappen?’
‘Dacht je dat je bij me weg kon blijven?’ vroeg Rhand glimlachend. ‘Dacht je dat echt?’
‘Ik kon het verdomme proberen. Niet rottig bedoeld, Rhand, maar jij gaat waanzinnig worden en zo. Het leek me goed als je één vriend minder in de buurt had om te vermoorden. Je weet wel, om je wat moeite te besparen. Wat heb je trouwens met je hand gedaan?’ ‘Wat heb jij met je oog gedaan?’
‘Een ongelukje met een kurkentrekker en dertien kwade herbergiers. Die hand?’
‘Verloren bij het vangen van een Verzaker.’
‘Vangen?’ zei Mart. ‘Je wordt zacht.’
Rhand snoof. ‘Jij hebt het zeker beter gedaan.’
‘Ik heb een gholam gedood,’ zei Mart.
‘Ik heb Illian bevrijd van Sammael.’
‘Ik ben getrouwd met de Keizerin van de Seanchanen.’
‘Mart,’ zei Rhand, ‘wil je nou écht een wedstrijdje opscheppen doen tegen de Herrezen Draak?’ Hij zweeg even. ‘En trouwens, ik heb saidin gereinigd, dus ik win.’
‘Ach, dat stelt niet zo heel veel voor,’ zei Mart.
‘Hoezo, dat stelt niet zoveel voor? Het is het belangrijkste wat er sinds het Breken is gebeurd!’
‘Bah. Jij en je Asha’man zijn al gek,’ zei Mart, ‘dus wat maakt het nog uit?’ Hij keek opzij. ‘Je ziet er fraai uit, trouwens. Je zorgt zeker beter voor jezelf, de laatste tijd.’
‘Dus het kan je tóch wat schelen.’
‘Natuurlijk wel,’ gromde Mart, die weer naar Tuon keek. ‘Ik bedoel, je moet jezelf toch in leven houden, hè? Je gevechtje leveren tegen de Duistere en ons allemaal redden? Fijn om te zien dat je er klaar voor lijkt te zijn.’
‘Ik ben blij dat te horen,’ zei Rhand glimlachend. ‘Geen grappen over mijn mooie jas?’
‘Wat? Grappen? Ben je nou nog steeds op je pik getrapt omdat ik je een paar jaar geleden een beetje pestte?’
‘Pestte?’ zei Rhand. ‘Je hebt wekenlang niet met me willen praten.’
‘Hé, luister. Zo erg was het niet. Dat deel herinner ik me nog wel.’ Rhand schudde zijn hoofd alsof hij het niet begreep. Verrekte ondankbaar, dat was hij. Mart was vertrokken om Elayne te halen, zoaIs Rhand had gevraagd, en dit was dan zijn dank. Goed, Mart was daarna een beetje afgeleid geraakt. Maar hij had het toch gedaan?
‘Luister,’ zei Mart heel zachtjes, trekkend aan de boeien van Lucht die hem vasthielden. ‘Ik red ons hier wel uit, Rhand. Ik ben met haar getrouwd. Laat mij het woord maar doen, en...’
‘Dochter van Artur Haviksvleugel,’ zei Rhand tegen Tuon. ‘De tijd snelt naar het einde van alles toe. De Laatste Slag is begonnen en de draden worden geweven. Weldra begint mijn laatste beproeving.’
Tuon stapte naar voren, terwijl Selucia nog een paar laatste snelle vingerbewegingen naar haar maakte. ‘Jij wordt naar Seanchan gebracht, Herrezen Draak,’ zei Tuon. Haar stem klonk beheerst, ferm.
Mart glimlachte. Licht, wat was ze een goede Keizerin. Maar ze had niet mijn medaillon hoeven pikken. Daar moesten ze het nog maar eens over hebben. Aangenomen dat hij dit overleefde. Ze zou hem toch niet écht laten terechtstellen?
Nogmaals verzette hij zich tegen zijn onzichtbare boeien.
‘O ja?’ vroeg Rhand.
‘Je hebt jezelf aan me uitgeleverd,’ antwoordde Tuon. ‘Dat is een voorteken.’ Het leek haar bijna te spijten. ‘Je dacht toch niet echt dat ik je zou laten wegwandelen? Je bent een vorst die zich tegen me heeft verzet, en dus moet ik je in ketenen hullen, zoals ik ook bij de anderen heb gedaan die ik hier heb aangetroffen. Jij betaalt de prijs voor de vergeetachtigheid van je voorouders. Je had je geloften niet moeten vergeten.’
‘Ik begrijp het,’ zei Rhand.
Eigenlijk, dacht Mart, slaagt hij er aardig in als koning te klinken. Licht, met wat voor mensen had Mart zich omringd? Waar waren de mooie dienstertjes en slempende soldaten gebleven?
‘Vertel me eens iets, Keizerin,’ zei Rhand. ‘Wat zouden jullie hebben gedaan als jullie waren teruggekeerd naar deze kust en hadden ontdekt dat de legers van Artur Haviksvleugel nog steeds regeerden? Stel dat we onze geloften niet waren vergeten, dat we die trouw waren gebleven? Wat dan?’
‘Dan zouden we jullie als broeders hebben verwelkomd,’ antwoordde Tuon.
‘O?’ vroeg Rhand. ‘En zou je hebben gebogen voor de troon hier? Haviksvleugels troon? Als zijn rijk nog standhield, zou het worden geregeerd door zijn erfgenaam. Zou je hebben geprobeerd die te overheersen, of zou je zijn bewind hebben aanvaard?’
‘Dat is niet het geval,’ zei Tuon, maar ze scheen zijn woorden intrigerend te vinden.
‘Nee, dat is waar,’ gaf Rhand toe.
‘Volgens je eigen argument moet je je aan ons onderwerpen.’ Ze glimlachte.
‘Ik heb dat argument niet gemaakt,’ zei Rhand, ‘maar laten we het erover hebben. Waarom eis je deze landen op?’
‘Omdat ik de enige wettige erfgenaam van Artur Haviksvleugel ben.’
‘En waarom maakt dat uit?’
‘Dit is zijn rijk. Hij is de enige die het verenigd heeft, hij is de enige leider die het met roem en grootsheid heeft geregeerd.’
‘En daar vergis je je,’ zei Rhand, nu zachter. ‘Aanvaard je mij als de Herrezen Draak?’
‘Dat moet je wel zijn,’ zei Tuon langzaam, alsof ze een valstrik vermoedde.
‘Dan aanvaard je ook wie ik ben,’ zei Rhand, en nu werd zijn stem luid, ferm. Als een strijdhoorn. ‘Ik ben Lews Therin Telamon, de Draak. Ik regeerde over deze landen, verenigd, in de Eeuw der Legenden. Ik was leider van alle legers van het Licht, ik droeg de ring van Tamyrlin. Ik was de eerste onder de Dienaren, de hoogste van de Aes Sedai, en ik kon de Negen Staven van het Domein hanteren.’
Rhand stapte naar voren. ‘Ik had de trouw en verbondenheid van alle zeventien generaals van de Dageraadpoort. Fortuona Athaem Devi Paendrag, mijn gezag overstijgt dat van jou!’
‘Artur Haviksvleugel...’
‘Mijn gezag overstijgt dat van Haviksvleugel! Als je beweert te regeren uit naam van hij die overwon, dan moet je buigen voor mijn eerdere aanspraken. Ik overwon vóór Haviksvleugel, hoewel ik daar geen zwaard voor nodig had. Je bent hier op mijn land, Keizerin, omdat ik het duld!’
In de verte rommelde de donder. Mart merkte dat hij trilde. Licht, dit was gewoon Rhand. Gewoon Rhand... toch?
Tuon ging met grote ogen achteruit en haar lippen weken vaneen. Haar gezicht was vervuld van afgrijzen, alsof haar eigen ouders voor haar ogen terechtgesteld werden.