Выбрать главу

Er ontsproot groen gras rondom Rhands voeten. De gardisten sprongen achteruit en legden hun handen op hun zwaarden toen een golf van leven zich vanuit Rhand uitspreidde. De bruine en gele bladeren kregen kleur alsof er verf overheen was gegoten, kwamen overeind en rekten zich uit alsof ze hadden geslapen.

De hele open plek in de tuin werd groen. ‘Hij is nog afgeschermd!’ riep de sul’dam. ‘Geëerde, hij is nog afgeschermd!’

Mart huiverde, en toen merkte hij iets op. Het was heel zacht, slechts heel vaag te horen.

‘Sta je nou te zingen?’ fluisterde Mart tegen Rhand.

Ja... het was onmiskenbaar. Rhand zóng, binnensmonds, heel zachtjes. Marl tikte met zijn voet, ‘Ik zou durven zweren dat ik dat deuntje ergens van ken, een keer heb gehoord... Is dat Meisjes aan de waterkant?’

‘Je helpt niet,’ fluisterde Rhand. ‘Hou je mond.’

Rhand zong door. Het groen verspreidde zich naar de bomen en de sparren strekten hun takken. De andere bomen begonnen ineens bladeren te krijgen – het waren inderdaad perzikenbomen – en maakten een versnelde groei door terwijl het leven er weer in stroomde.

De wachters keken om zich heen, draaiend om hun as om alle bomen tegelijk te kunnen zien. Selucia was ineen gekrompen. Tuon bleef rechtop staan, met haar blik op Rhand gericht. De bange sul’dam en damane moesten uit hun concentratie zijn gebracht, want de boeien die Mart vasthielden verdwenen.

‘Verloochen je mijn recht?’ vroeg Rhand. ‘Ontken je dat mijn aanspraken op dit land duizenden jaren ouder zijn dan die van jou?’ ‘Ik...’ Tuon haalde diep adem en keek hem opstandig aan. ‘Jij hebt het land gebroken, in de steek gelaten. Daarom kan ik je recht verloochenen.’

Op de bomen achter haar ploften bloesems tevoorschijn als vuurwerk, wit en donkerroze. Ze werden omringd door uitbarstingen van kleur. Bloemblaadjes spreidden zich uit, maakten zich los van de bomen, werden gevangen door de wind en wervelden over de open plek.

‘Ik heb je laten leven,’ zei Rhand tegen Tuon, ‘terwijl ik je binnen een oogwenk had kunnen vernietigen. Ik heb je laten leven omdat je de burgers onder je bewind een beter bestaan bood, hoewel je niet vrij van blaam bent voor de wijze waarop je sommige lieden hebt behandeld. Je bewind is zo dun als papier. Je houdt dit land alleen maar bij elkaar dankzij de kracht van staal en damane, maar je thuisland staat in brand.

Ik ben hier niet gekomen om je te vernietigen of te beschimpen. Ik kom met een aanbod van vrede, Keizerin. Ik ben gekomen zonder legers, zonder geweld. Ik ben gekomen omdat ik geloof dat je me nodig hebt, net zoals ik jou nodig heb.’

Rhand stapte naar voren en toen, hoe opmerkelijk ook, zakte hij op zijn knie, boog zijn hoofd en stak zijn hand uit. ‘Ik reik je de hand als bondgenoot. De Laatste Slag is begonnen. Sluit je bij me aan en vecht met me mee.’

Het werd stil op de open plek. De wind ging liggen, het gerommel van de donder stierf weg. Perzikbloesems dwarrelden op het nu groene gras. Rhand bleef waar hij was, met uitgestoken hand. Tuon staarde naar die hand alsof het een slang was.

Mart kwam snel naar voren. ‘Mooie truc,’ zei hij zachtjes tegen Rhand. ‘Een heel aardige truc.’ Hij stapte naar Tuon toe, pakte haar bij de schouders en draaide haar opzij. Selucia stond met open mond te kijken. Karede was er al niet veel beter aan toe. Van hen viel geen hulp te verwachten.

‘Hé, luister,’ zei Mart zachtjes tegen haar. ‘Hij is een goeie kerel. Hij heeft soms wat ruwe kantjes, maar je kunt op zijn woord vertrouwen. Als hij je een verdrag aanbiedt, zal hij zich eraan houden.’ ‘Dat was een heel indrukwekkend toneelstukje,’ zei Tuon zachtjes. Ze trilde een beetje. ‘Wat is hij?’

‘Ik mag branden als ik het weet,’ zei Mart. ‘Luister, Tuon. Ik ben met Rhand opgegroeid. Ik sta voor hem in.’

‘Er zit iets duisters in die man, Martrim. Ik zag het al toen ik hem de vorige keer ontmoette.’

‘Kijk me aan, Tuon. Kijk me aan.’

Ze keek hem in de ogen.

‘Je kunt Rhand Altor vertrouwen met de hele wereld,’ zei Mart. ‘En als je hém niet kunt vertrouwen, vertrouw mij dan. Hij is onze enige keus. We hebben geen tijd om hem mee te nemen naar Seanchan, zelfs als het daar geen chaos was.

Ik ben lang genoeg in de stad geweest om een kijkje te nemen bij je legers. Als je de Laatste Slag wilt leveren én je thuisland wilt heroveren, zul je een stabiele uitvalsbasis hier in Altara nodig hebben. Neem zijn aanbod aan. Hij heeft dit land zojuist opgeëist. Nou, laat hem je grenzen beschermen zoals ze nu liggen en maak het bekend bij de anderen. Misschien luisteren ze. Laat hem wat druk van je schouders wegnemen. Behalve natuurlijk als je het tegen de Trolloks, de naties van dit land én de opstandelingen in Seanchan tegelijk wilt opnemen.’

Tuon knipperde met haar ogen. ‘Onze legers.’

‘Wat?’

‘Je noemde ze mijn legers,’ zei ze. ‘Het zijn ónze legers. Jij bent nu een van ons, Martrim.’

‘Nou, ja, dat zal ook wel. Luister, Tuon. Je moet dit doen. Alsjeblieft.’

Ze draaide zich om en keek naar Rhand, op zijn knieën te midden van een patroon van perzikbloesems dat van hem uit leek te stralen. Niet één blaadje was op hem gevallen.

‘Wat is je aanbod?’ vroeg Tuon.

‘Vrede,’ zei Rhand. I lij stond op, met zijn hand nog uitgestoken. ‘Vrede gedurende honderd jaar. I.anger, als ik het kan regelen. Ik heb de andere vorsten overgehaald om een verdrag te tekenen en samen tegen de legers van de Schaduw te strijden.’

‘Ik wil mijn grenzen veiligstellen,’ zei Tuon.

‘Altara en Amadicia zijn van jou.’

‘Tarabon en de Almothvlakte ook. Die heb ik nu. Ik laat me daar niet vandaan jagen door je verdrag. Wil je vrede? Geef mij dan dit.’ ‘Tarabon en de helft van de Almothvlakte,’ zei Rhand. ‘De helft die je al in handen hebt.’

‘Ik wil alle vrouwen aan deze kant van de Arythische Oceaan die kunnen geleiden als damane hebben,’ zei Tuon.

‘Ga niet te ver, Keizerin,’ zei Rhand droogjes. ‘Ik... Ik zal je laten doen wat je wilt in Seanchan, maar je moet wél alle damane afstaan die je hebt veroverd terwijl je in dit land was.’

‘Dan zullen we het niet eens worden,’ besloot Tuon.

Mart hield zijn adem in.

Rhand aarzelde en liet zijn hand zakken. ‘Het lot van de hele wereld kan hiervan afhangen, Fortuona. Alsjeblieft.’

‘Als het zo belangrijk is,’ zei ze ferm, ‘dan kun je op mijn eis ingaan. Ons eigendom is van ons. Wil je een verdrag? Dan krijg je het op deze voorwaarde: we houden de damane die we al hebben. In ruil daarvoor zal ik je in vrijheid laten vertrekken.’

Rhand grimaste. ‘Je bent al even erg als een vrouw van het Zeevolk.’

‘Ik hoop dat ik erger ben,’ zei Tuon met vlakke stem. ‘De wereld is jouw last, Draak, niet de mijne. Ik geef om mijn eigen rijk. Ik zal grote behoefte hebben aan die damane. Kies nu. Je zei het zelf aclass="underline" je hebt weinig tijd.’

Rhands gezicht betrok, maar toen stak hij zijn hand uit. ‘Laat het gebeuren. Het Licht zij ons genadig, laat het gebeuren. Ik zal deze last er ook nog bij dragen. Je mag de damane houden die je al hebt, maar je mag geen damane onder mijn bondgenoten veroveren terwijl we in de Laatste Slag strijden. En als je naderhand damane verovert die zich niet in je eigen land bevinden, wordt dat opgevat als een schending van het verdrag en vallen de andere naties aan.’

Tuon stapte naar voren en pakte Rhands hand. Mart liet zijn adem ontsnappen.

‘Ik heb documenten die je moet bekijken en ondertekenen,’ zei Rhand.

‘Selucia pakt ze wel aan,’ antwoordde Tuon. ‘Martrim, kom mee. We moeten het rijk voorbereiden op de oorlog.’ Tuon liep met beheerste passen hef pad af, hoewel Mart vermoedde dat ze het liefst

zo snel mogelijk bij Rhand weg wilde komen. En dat was begrijpelijk.

Hij volgde, maar bleef nog even bij Rhand staan. ‘Het lijkt erop dat je zelf ook wat van het geluk van de Duistere hebt,’ mompelde hij tegen Rhand. ‘Ik geloof nauwelijks dat dat gelukt is.’

‘Eerlijk?’ zei Rhand zacht. ‘Ik ook niet. Bedankt dat je een goed woordje voor me hebt gedaan.’