Выбрать главу

‘Geen punt,’ zei Mart. ‘Trouwens, ik heb Moiraine gered. Kauw daar nog maar eens op terwijl je overpeinst wie van ons twee er wint.’

Mart volgde Tuon, en achter hem klonk het gelach van de Herrezen Draak.

18

Een verlaten gevoel

Gawein stond op een veld vlak bij het gedeelte waar de Aes Sedai voor het eerst tegen de Trolloks hadden gevochten. Ze waren de heuvels afgegaan en verder de vlakte van Kandor opgegaan. Ze bleven de opmars van de Trolloks belemmeren en hadden de hoofdlegers van de vijand zelfs een paar honderd meter teruggedwongen. Al met al verliep deze slag gunstiger dan verwacht.

Ze vochten nu al een week op dit naamloze Kandoraanse veld. De grond was omgewoeld en verscheurd alsof hij werd voorbereid op het plantseizoen. Er lagen hier zoveel lijken – bijna allemaal Schaduwgebroed – dat zelfs de Trolloks met hun grote eetlust ze niet allemaal konden verslinden.

Gawein droeg een zwaard in de ene hand en een schild in de andere hand terwijl hij voor Egwenes paard stond. Zijn taak was om de Trolloks uit te schakelen die door de aanvallen van de Aes Sedai heen kwamen. Hij vocht liever met twee handen, maar tegen Trolloks had hij een schild nodig. Sommige anderen vonden hem dwaas omdat hij een zwaard gebruikte. Zij gebruikten liever paalwapens of hellebaarden, alles om de Trolloks zo ver mogelijk bij hen vandaan te houden.

Maar je kon niet echt een tweegevecht aangaan met een paalwapen. Als piekenier was je een soort baksteen in een muur. Je was niet zozeer soldaat, maar eerder een barrière. Een hellebaard was beter -die had in ieder geval nog een kling waarvoor je enige vaardigheid moest hebben – maar niets gaf hetzelfde gevoel als een zwaard. Als Gawein een zwaard hanteerde, beheerste hij de strijd.

Een Trollok kwam snuivend op hem af, met een gezicht dat een mengeling was van mens en ram. Deze oogde menselijker dan de meeste. Hij had een weerzinwekkend menselijke mond met bloederige tanden. Het wezen had een vlegel in zijn handen met de vlam van Tar Valon op de steel, gestolen van een gesneuveld lid van de Torenwacht, ongetwijfeld. Hoewel het een wapen voor twee handen was, hanteerde het schepsel het even gemakkelijk met één.

Gawein dook opzij, bracht zijn schild omhoog en ging rechts onder de verwachte klap door. Het schild beefde onder herhaaldelijke inslagen. Eén, twee, drie. Zo vochten Trolloks meestaclass="underline" hard, snel toeslaan en ervan uitgaan dat je tegenstander wel zou breken.

Velen deden dat ook. Ze struikelden, of hun armen raakten gevoelloos van het gebeuk. Dat was de waarde van opstellingen van piekeniers of hellebaardiers. Brin gebruikte allebei, en daarnaast een rij mannen met geïmproviseerde wapens: half speren, half hellebaarden. Gawein had wel eens over zoiets gelezen in geschiedenisboeken. Brins leger gebruikte ze om Trolloks de pezen door te snijden. De piekeniers hielden ze op afstand, en dan werden de hellebaarden ertussendoor gestoken om in vijandelijke benen te snijden.

Gawein dook opzij. De Trollok was niet voorbereid op zo’n uitbarsting van snelheid en draaide zich om, maar te langzaam. Gawein scheidde zijn hand van zijn pols met Wervelwind op de berg. Toen de Trollok schreeuwde, draaide Gawein zich snel om en ramde zijn zwaard in de maag van een volgende Trollok die door de verdedigingen van de Aes Sedai was geploegd.

Hij rukte zijn zwaard uit het lichaam en stak het meteen in de nek van de eerste Trollok. Het dode beest gleed van zijn kling af. Dat was de vierde die Gawein vandaag had gedood. Hij veegde zorgvuldig zijn zwaard af aan de bloederige doek die hij aan zijn riem had gebonden.

Hij keek even hoe het Egwene verging. Ze zat te paard en stuwde golven van de Ene Kracht uit om Trolloks te verscheuren. De Aes Sedai wisselden elkaar af, waarbij steeds ongeveer vijftig vrouwen op het slagveld bezig waren. Doordat er zo weinig Aes Sedai tegelijk werden ingezet, moesten de soldaten de meeste gevechten leveren, maar de Aes Sedai kwamen altijd uitgerust naar de strijd. Het was hun taak om de groepen Trolloks op te blazen en gelederen te doorbreken, zodat de soldaten zich op de verspreide resten konden richten.

Nu de Aes Sedai de Trolloks ervan weerhielden ordelijke strijdgelederen te vormen, ging het gevecht – hoewel het zwaar was – vrij goed. Ze hadden zich nog niet hoeven terugtrekken sinds ze de heuvels achter zich hadden gelaten en hadden de opmars van de Trolloks hier met zeker een week vertraagd.

Silviana zat op een gespikkelde ruin naast Egwene en deed haar best om te voorkomen dat de Trolloks te dichtbij kwamen. De grond voor hen was opengereten en zat vol scheuren door Silviana’s aanvallen, waardoor overal in het veld loopgraafachtige greppels waren ontstaan. Desondanks wist er af en toe nog een Trollok door de smurrie te kruipen en op Gawein af te komen.

Gawein zag beweging in de dichtstbijzijnde greppel en beende ernaartoe. Er zat een Trollok met een wolvenkop in verscholen. Het beest grauwde naar hem en klom omhoog.

Water stroomt heuvel-afwaarts.

De Trollok viel terug in de greppel en Gawein veegde zijn kling af aan de bloederige lap. Vijf. Niet slecht voor een dienst van twee uur. Vaak waren de Aes Sedai zonder hulp in staat de Trolloks af te weren en hoefde hij alleen maar naast Egwene te staan. Vandaag werd ze vergezeld door Silviana – ze kwamen altijd in tweetallen naar het front – en Gawein was er half van overtuigd dat de Hoedster er af en toe een paar doorliet gewoon om hem aan het werk te houden.

Een plotselinge reeks ontploffingen dreef hem bijna naar achteren, en hij keek over zijn schouder. Hun aflossing was aangekomen. Gawein hief zijn zwaard naar Sleet toen de man samen met Piava Sedais zwaardhand stelling nam om de wacht te houden.

Gawein sloot zich bij Egwene en Silviana aan toen ze het slagveld verlieten. Hij voelde Egwenes uitputting. Ze zette zichzelf te veel onder druk, stond erop om in te veel ploegen mee te draaien.

Ze zochten zich een weg over het vertrapte gras en kwamen langs een groep Illiaanse Gezellen die zich in de strijd wierpen. Gawein kon de slag als geheel niet goed genoeg overzien om te weten waar zij specifiek nodig waren. Hij keek hen ietwat afgunstig na.

Hij wist dat Egwene hem nodig had. Nu meer dan ooit. Schimmen glipten ’s nachts het kamp binnen met hun in Thakan’dar gesmede klingen om Aes Sedai te vermoorden. Gawein hield persoonlijk de wacht als Egwene sliep, en hij vertrouwde erop dat zij zijn vermoeidheid wegnam als die hem te veel werd. Hij sliep wanneer zij de Zaal van de Toren ontmoette om de logistieke behoeften van de oorlog te bespreken.

Hij stond erop dat ze elke nacht in een andere tent sliep. Af en toe kreeg hij haar zover dat ze naar Mayene Reisde en in een bed in het paleis sliep. Ze had dat al een paar dagen niet meer gedaan. Maar zijn argument dat ze bij de Gele Zusters moest gaan kijken hoe het met het Helen van de gewonden ging, werd steeds zwakker. Rosil Sedai had daar alles in de hand.

Gawein en de twee vrouwen betraden het kamp. De soldaten die op het ogenblik geen dienst hadden maakten buigingen, terwijl anderen zich naar het slagveld haastten. Gawein keek naar sommigen van die mannen. Te jong, te onervaren.

Anderen waren Draakgezworenen, en hij wist niet goed wat hij van hen moest denken. Er waren ook Aiel onder de Draakgezworenen, wat hij wel begreep, aangezien in zijn beleving alle Aiel in feite Draakgezworen waren. Maar er waren ook Aes Sedai bij de Draakgezworenen. Die keus van hen beviel hem niet zo.

Gawein schudde zijn hoofd en liep door. Hun kamp was gigantisch, hoewel er bijna geen kampvolgers waren. Voedsel werd dagelijks binnengebracht met wagens die door Poorten kwamen, soms getrokken door die onbetrouwbare metalen machines uit Cairhien. Als de wagens weer vertrokken, namen ze kleding mee om te wassen, wapens die moesten worden gerepareerd en laarzen die verzoold moesten worden.

Zo was het een zeer praktisch kamp, maar niet erg dichtbevolkt, aangezien bijna iedereen lange uren vechtend op het slagveld doorbracht. Iedereen behalve Gawein.

Hij wist dat hij nodig was, dat zijn werk ook belangrijk was, en toch voelde hij zich nutteloos. Hij was een van de beste zwaardvechters in het leger, maar hij stond twee uur per dag op het slagveld waar hij slechts af en toe een Trollok hoefde te doden die zo stom was om op twee Aes Sedai af te stormen. Wat Gawein deed was geen vechten. Het leek er eerder op dat hij die wezens alleen maar uit hun lijden verloste.