Egwene knikte ten afscheid naar Silviana en wendde haar paard naar de bevelstent.
‘Egwene...’ begon Gawein.
‘Ik wil alleen even kijken hoe het gaat,’ zei ze rustig. ‘Elayne zou nieuwe bevelen sturen.’
‘Je hebt slaap nodig.’
‘Het lijkt wel alsof ik tegenwoordig alleen nog maar slaap.’
‘Op het slagveld ben je met gemak duizend soldaten waard,’ zei Gawein. ‘Als je tweeëntwintig uur slaap per dag nodig had om de mannen slechts twee uur lang zo te beschermen, zou ik je tweeëntwintig uur per dag laten slapen. Gelukkig is dat niet nodig, en je hoeft jezelf ook niet zo onder druk te zetten.’
Hij voelde haar ergernis door de binding, maar ze onderdrukte het. ‘Je hebt natuurlijk gelijk.’ Ze keek hem aan. ‘En je hoeft niet zo verbaasd te zijn om me dat te horen toegeven.’
‘Ik was niet verbaasd.’
‘Ik voel wat jij voelt, Gawein.’
‘Dat was om iets heel anders,’ zei hij. ‘Ik herinnerde me iets wat Sleet een paar dagen geleden zei, een grap die ik net pas snapte.’ Hij keek haar onschuldig aan.
Dat leverde hem eindelijk een glimlach op. Een heel flauwe, maar het was genoeg. Ze glimlachte tegenwoordig niet zoveel. Maar datzelfde gold voor veel mensen hier.
‘Daarnaast,’ zei hij, terwijl hij haar teugels pakte en haar hielp afstijgen toen ze de bevelstent bereikten, ‘zou ik er nooit bij hebben stilgestaan dat een zwaardhand natuurlijk niet aan de Drie Geloften gebonden is. Ik vraag me af hoe vaak zusters daar handig gebruik van hebben gemaakt.’
‘Hopelijk niet te vaak,’ zei Egwene. Een erg tactvol antwoord.
In de bevelstent troffen ze Garet Brin, die door zijn inmiddels gebruikelijke Poort omlaag keek. De Poort werd in stand gehouden door een muizige Grijze die Gawein niet kende. Brin stapte naar zijn schrijftafel vol kaarten, waar Siuan probeerde orde te scheppen. Hij maakte een paar aantekeningen op een kaart, knikte in zichzelf en keek toen op om te zien wie er was binnengekomen.
‘Moeder,’ zei Brin, en hij pakte haar hand om haar ring te kussen.
‘De strijd lijkt goed te gaan,’ zei Egwene, knikkend naar Siuan. ‘We hebben hier goed standgehouden. Ik hoor dat u zich hebt voorgenomen om weer op te rukken?’
‘We kunnen hier niet eeuwig blijven rondhangen, Moeder,’ antwoordde Brin. ‘Koningin Elayne heeft me gevraagd een opmars terug naar Kandor te overwegen, en ik denk dat dat verstandig van haar is. Ik ben bang dat de Trolloks zich zullen terugtrekken in de heuvels en zich daar zullen ingraven. U hebt wel gezien dat ze elke nacht meer lichamen van het slagveld halen?’
‘Ja.’
Gawein voelde haar ongenoegen. Ze wenste dat de Aes Sedai de kracht hadden om de karkassen van de Trolloks elke dag te verbranden met de Ene Kracht.
‘Ze verzamelen voedsel,’ zei Brin. ‘Misschien besluiten ze oostwaarts te gaan in een poging om ons heen te komen. Wc moeten ze bezighouden, wat misschien betekent dat we die heuvels in moeten. Dat zou in andere omstandigheden een kostbare zet zijn, maar nu...’ Hij schudde zijn hoofd, liep naar zijn Poort en keek op het front neer. ‘Uw Aes Sedai regeren over dit slagveld, Moeder. Ik heb nog nooit zoiets gezien.’
‘Er is een reden voor,’ antwoordde ze, ‘dat de Schaduw alles heeft gedaan wat in zijn macht lag om de Witte Toren te vernietigen. Hij wist het. De Witte Toren heeft de kracht om de uitkomst van deze oorlog te bepalen.’
‘We zullen moeten oppassen voor Gruwheren,’ zei Siuan, rommelend met papieren. Verslagen van verkenners, vermoedde Gawein. Hij wist niet veel over Siuan Sanche, ondanks het feit dat hij haar leven had gespaard, maar Egwene sprak vaak over haar dorst naar kennis.
‘Ja,’ beaamde Egwene. ‘Die zullen ook komen.’
‘De Zwarte Toren,’ zei Brin fronsend. ‘Vertrouwt u op het woord van heer Mandragoran?’
‘Met mijn leven,’ antwoordde Egwene.
‘Asha’man die voor de vijand vechten. Waarom heeft de Herrezen Draak daar niets aan gedaan? Licht, als alle overgebleven Asha’man zich bij de Schaduw scharen...’
Egwene schudde haar hoofd. ‘Brin, ik wil dat je ruiters naar het gebied bij de Zwarte Toren stuurt waar nog Poorten gemaakt kunnen worden. Laat ze zo snel mogelijk naar de zusters gaan die daar nog buiten kamperen.’
‘Wil je dat ze aanvallen?’ vroeg Gawein, die zijn oren spitste.
‘Nee. Ze moeten zich zo ver terugtrekken als nodig is om Poorten te maken en zich dan bij ons aansluiten. We kunnen ons geen verdere vertragingen veroorloven. Ik wil ze hier hebben.’
Ze tikte met haar vinger op tafel. ‘Taim en zijn Gruwheren zullen komen. Ze zijn weggebleven van dit slagveld, hebben zich gericht op heer Mandragoran. Daardoor kunnen zij het slagveld daar overheersen, zoals wij hier doen. Ik zal nog een paar zusters uitkiezen om naar het Grenslanderleger te sturen. We zullen ze uiteindelijk het hoofd moeten bieden.’
Gawein zei niets, maar hij perste zijn lippen op elkaar. Minder zusters hier betekende meer werk voor Egwene en de anderen.
‘En nu moet ik...’ Egwene liet haar stem wegsterven toen ze Gaweins gezicht zag. ‘Ik geloof dat ik nu maar eens moet gaan slapen. Als ik nodig ben, kom dan naar... Licht, ik weet niet eens waar ik vannacht slaap. Gawein?’
‘Ik heb je in Maeren Sedais tent ondergebracht. Zij heeft hierna dienst, dus dat zou je vier uur ongestoorde slaap moeten opleveren.’
‘Behalve als ik nodig ben,’ bracht Egwene hem in herinnering. Ze liep naar de tentflappen toe.
‘Natuurlijk,’ zei Gawein, die haar naar buiten volgde maar zijn hoofd schudde naar Brin en Siuan. Brin glimlachte terug. Op een slagveld was maar weinig wat met alle geweld de aandacht van de Amyrlin vereiste. De Zaal van de Toren had het dagelijkse toezicht op de legers.
Buiten zuchtte Egwene en sloot haar ogen. Hij legde zijn arm om haar heen zodat ze tegen hem aan kon leunen. Al na een paar tellen stapte ze bij hem weg, rechtte haar rug en zette het gezicht van de Amyrlin weer op. Zo jong, dacht hij, en dan al zo’n last op haar schouders.
Natuurlijk was ze niet veel jonger dan Altor zelf. Gawein was blij, en een beetje verbaasd, dat gedachten aan die man geen woede bij hem opriepen. Altor zou zijn eigen gevecht leveren. En wat die man deed, ging Gawein eigenlijk niet aan.
Gawein leidde Egwene naar het gedeelte van het kamp dat gebruikt werd door de Groene Ajah. De zwaardhanden die er de wacht hielden, begroetten hen met een eerbiedige hoofdknik. Maeren Sedai had een grote tent. De meeste Aes Sedai hadden huishoudelijke spullen en meubels mee mogen nemen als ze dat wensten, zolang ze er maar hun eigen Poort voor konden maken en hun eigen zwaardhanden gebruikten om het te dragen. En als het leger snel in beweging moest komen, zouden dergelijke dingen moeten achterblijven. Veel Aes Sedai hadden besloten heel weinig mee te nemen, maar anderen... nou, ze waren zoveel soberheid niet gewend. Maeren was een van die vrouwen. Ze had de meeste spullen meegebracht van iedereen.
Leilwin en Baile Domon wachtten bij de tent. Zij hadden Maeren Sedai laten weten dat haar tent zou worden uitgeleend en dat ze niemand mocht vertellen dat Egwene hem zou gebruiken. Het geheim zou wel uitkomen als iemand echt doorvroeg – ze hadden zich niet verborgen terwijl ze hierheen liepen – maar tegelijkertijd zou diegene met zijn vragen dan hopelijk de aandacht trekken. Het was de beste bescherming die Gawein kon regelen, aangezien Egwene niet elke dag wilde Reizen om elders te slapen.
Egwenes gevoelens werden meteen zuur toen ze Leilwin zag.
‘Je zei zelf dat je haar bij je in de buurt wilde houden,’ zei Gawein zachtjes.
‘Ik vind het niet prettig dat ze weet waar ik slaap. Als huurmoordenaars me komen opzoeken in het kamp, is zij misschien wel degene die ze naar me toe leidt.’