Gawein onderdrukte de neiging om tegenwerpingen te maken. Egwene was een sluwe, inzichtelijke vrouw, maar ze had een blinde vlek waar het op alles uit Seanchan aankwam. Hij, echter, merkte dat hij Leilwin vertrouwde. Ze kwam op hem over als een vrouw die rechtdoorzee was in haar omgang met andere mensen.
‘Ik hou wel een oogje op haar,’ beloofde hij.
Egwene vermande zichzelf met een zucht, liep naar de tent en zei geen woord tegen Leilwin. Gawein volgde haar niet naar binnen.
‘De Amyrlin schijnt vastbesloten me haar geen diensten te laten verlenen,’ zei Leilwin met die lijzige Seanchaanse tongval tegen Gawein.
‘Ze vertrouwt je niet,’ zei Gawein openhartig.
‘Is een eed aan deze kant van de oceaan dan zo weinig waard?’ vroeg Leilwin. ‘Ik heb haar een eed gezworen die niemand zou breken, zelfs geen Muyami!’
‘Een Duistervriend zal elke eed breken.’
De vrouw keek hem koel aan. ‘Ik krijg de indruk dat ze gelooft dat alle Seanchanen Duistervrienden zijn.’
Gawein haalde zijn schouders op. ‘Jullie hebben haar geslagen en gevangengezet, haar als een dier aan een leiband meegevoerd.’
‘Dat heb ik niet gedaan,’ zei Leilwin. ‘Als één bakker een smerig brood voor je bakt, ga je er dan van uit dat alle bakkers je willen vergiftigen? Bah. Hou je mond maar. Het heeft geen zin. Als ik haar niet kan dienen, dan dien ik jou wel. Heb je al gegeten, zwaardhand?’ Gawein aarzelde. Wanneer had hij eigenlijk voor het laatst iets gegeten? Vanochtend... Nee, toen was hij te opgewonden geweest voor de strijd. Zijn maag knorde.
‘Ik weet dat je haar niet alleen zult laten,’ zei Leilwin, ‘vooral niet in het gezelschap van een Seanchaan. Kom, Baile. Laten we wat te eten gaan halen voor die dwaas, zodat hij niet flauwvalt als er huurmoordenaars komen.’ Ze beende weg, en haar grote Uliaanse echtgenoot volgde. De kerel wierp een blik over zijn schouder waarmee je leer zou kunnen looien.
Gawein zuchtte en ging op de grond zitten. Uit zijn zak haalde hij drie zwarte ringen. Hij koos er een uit en stopte de andere terug.
Geklets over huurmoordenaars deed hem altijd denken aan de ringen, die hij had afgenomen van de Seanchanen die wél waren gekomen om Egwene te vermoorden. De ringen waren ter’angrealen. Zij waren het middel waardoor die Bloedmessen zich zo snel hadden kunnen bewegen en konden opgaan in de schaduwen.
Gawein hield de ring omhoog in het licht. Hij had nog nooit een ter’angreaal als deze gezien, maar een voorwerp van de Kracht kon van alles zijn. De ringen waren van een zware, zwarte steensoort gemaakt die hij niet kende. De buitenkant was bewerkt met doornige vormen, hoewel de binnenkant glad was.
Gawein draaide de ring om en om. Hij wist dat hij ze aan Egwene zou moeten laten zien. Hij wist ook hoe de Witte Toren met ter’angrealen omging: ze stopten ze achter slot en grendel, bang om ermee te experimenteren. Maar dit was de Laatste Slag. Als er ooit een tijd was om een gok te wagen...
Jij hebt besloten in Egwenes schaduw te staan, Gawein, dacht hij. Jij hebt besloten dat je haar zou beschermen, zou doen wat zij nodig had. Ze kon deze oorlog winnen, zij en de andere Aes Sedai. Wilde hij zichzelf werkelijk toestaan daar afgunstig over te zijn, net zoals hij Altor had benijd?
‘Is dat wat ik denk dat het is?’
Gaweins hoofd kwam met een ruk omhoog en zijn vuist sloot zich om de ring. Leilwin en Baile Domon waren naar de kooktent geweest en teruggekeerd met een kom eten. Zo te ruiken was het alweer gerstepap. De koks gebruikten zoveel peper dat je er bijna misselijk van werd. Gawein vermoedde dat ze dat deden om met de zwarte puntjes de stukjes kalander te verbergen.
Ik moet oppassen dat ik me niet schuldig gedraag, dacht hij meteen. Anders gaat ze misschien naar Egwene.
‘Dit?’ vroeg hij, en hij stak de ring omhoog. ‘Dit is een van de ringen die we hebben gevonden bij de Seanchaanse huurmoordenaars die Egwene wilden vermoorden. We nemen aan dat het een soort ter’angreaal is, hoewel de Witte Toren nog nooit zoiets had gezien.’
Leilwin siste zachtjes. ‘Die mogen alleen worden uitgereikt door de Keizerin, moge zij...’ Ze brak haar zin af en haalde diep adem. ‘Alleen iemand die wordt benoemd tot Bloedmes, iemand die zijn leven aan de Keizerin heeft gewijd, mag zo’n ring dragen. Het zou heel, heel fout zijn als jij hem omdeed.’
‘Gelukkig,’ zei Gawein, ‘heb ik hem niet om.’
‘Die ringen zijn gevaarlijk,’ waarschuwde Leilwin. ‘Ik weet er niet veel van, maar ik heb gehoord dat ze de drager doden. Laat je bloed de ring niet raken, anders activeer je hem, en dat zou dodelijk kunnen zijn, zwaardhand.’ Ze gaf hem de kom met pap aan en beende weg.
Domon liep niet achter haar aan. De Illianer krabde in zijn korte baard. ‘Ze is niet altijd de meest inschikkelijke, mijn vrouw,’ zei hij tegen Gawein. ‘Maar ze is wel sterk en wijs. Je kunt maar beter naar haar luisteren.’
Gawein stopte de ring in zijn zak. ‘Egwene zou me hem toch nooit laten dragen.’ Dat was waar. Als ze ervan afwist. ‘Zeg maar tegen je vrouw dat ik prijs stel op de waarschuwing. Maar je moet wel weten dat het onderwerp van die huurmoordenaars bij de Amyrlin nog steeds erg gevoelig ligt. Ik stel voor dat je niet over de Bloedmessen of hun ter’angrealen praat.’
Domon knikte en ging achter Leilwin aan. Gawein voelde slechts een klein prikje van schaamte over zijn misleiding. Hij had geen onwaarheden verteld. Hij wilde alleen niet dat Egwene lastige vragen ging stellen.
Die ring, en de andere twee, vertegenwoordigden iets. Ze waren niet de weg van de zwaardhand. Aan Egwenes zijde staan, over haar waken... dat was de weg van de zwaardhand. Hij zou zijn bijdrage op het slagveld leveren door haar te dienen, niet door uit te rijden als een of andere held.
Hij hield zichzelf dat steeds opnieuw voor terwijl hij de pap opat. Tegen de tijd dat de kom leeg was, was hij er bijna van overtuigd dat hij het geloofde.
En toch vertelde hij Egwene niets over de ringen.
Rhand herinnerde zich de eerste keer dat hij een Trollok had gezien. Niet toen ze zijn boerderij in Tweewater hadden aangevallen. De échte eerste keer dat hij ze had gezien. In de vorige Eeuw.
Er zal een tijd komen dat ze niet langer bestaan, dacht hij. Hij weefde Vuur en Lucht en bouwde een explosieve muur van vlammen die midden in een bende Trolloks brullend tot leven kwam. Verderop hieven mannen van Perijns Wolvengarde dankbaar de wapens naar hem. Rhand knikte terug. Hij droeg het gezicht van Jur Gradi tijdens dit gevecht, voorlopig.
Er was een tijd geweest dat het land niet werd geteisterd door Trolloks. Ze konden naar die toestand terugkeren. Als Rhand de Duistere doodde, zouden die monsters dan meteen ook verdwijnen?
Het zweet stond op zijn voorhoofd door de hitte van zijn wand van vuur. Hij putte heel zorgvuldig uit de angreaal van de dikke man – hij mocht niet té sterk lijken – en vernietigde nog een groep Trolloks op het slagveld even ten westen van de rivier de Alguenya. Elaynes troepen waren de Erinin en het platteland ten oosten ervan overgestoken, en nu wachtten ze tot er bruggen over de Alguenya waren gebouwd. Die waren bijna klaar, maar inmiddels waren ze ingehaald door een voorhoede van Trolloks. Elaynes leger had zich in defensieve gelederen opgesteld om ze op afstand te houden totdat ze de rivier konden oversteken.
Rhand hielp graag. De echte Jur Gradi lag te slapen in zijn kamp in Kandor, uitgeput van zijn Heling. Met dit gezicht zou Rhand geen bijzondere aandacht trekken van de Verzakers.
Het geschreeuw van de brandende Trolloks gaf veel voldoening. Hij was dol op dat geluid, dat hij nog kende van vlak voor het einde van de Oorlog van Kracht. Het had hem altijd het gevoel gegeven dat zijn daden iets uithaalden.
De eerste keer dat hij ze zag, had hij niet geweten wat Trolloks waren. O, hij had wel over Aginors experimenten gehoord. Lews Therin had Aginor meer dan eens een waanzinnige genoemd. Rhand had het niet begrepen. Zo velen van hen hadden het niet begrepen. Aginor – destijds Ishar genaamd, en Rhand gunde hem niet de eer van zijn achternaam – had veel te veel van zijn projecten gehouden. Rhand had de vergissing begaan aan te nemen dat Aginor, net als Semirhage, genoot van het folteren op zich.