Выбрать главу

En toen was het Schaduwgebroed gekomen.

De monsters bleven met stuiptrekkende ledematen branden. Toch was Rhand bang dat die wezens misschien herrezen mensen waren. Aginor had mensen gebruikt om de Trolloks en Myrddraal te maken. Was dit het lot van sommigen van hen? Waren ze weer tot leven gebracht als deze verwrongen schepsels? Die gedachte maakte hem misselijk.

Hij keek naar de hemel. De wolken trokken zich terug, zoals altijd als hij ergens kwam. Hij kon ze wel dwingen hier te blijven, maar... nee. De mensen hadden het licht nodig. En hij kon hier trouwens toch niet al te lang blijven vechten, anders zou het gaan opvallen dat deze Asha’man veel te sterk was.

Rhand liet het licht komen.

Overal op het slagveld bij de rivier keken mensen omhoog toen het zonlicht hen beroerde en de zwarte wolken zich terugtrokken.

Ik verstop me niet meer, dacht Rhand, die zijn Spiegel der Nevelen afdeed en zijn hand in een vuist boven zijn hoofd hief. Hij weefde Lucht, Vuur en Water en vormde een zuil van licht die zich van hem uitstrekte, tot hoog in de lucht. Soldaten overal op het slagveld juichten.

Hij was niet van zins de valstrikken die de Duistere voor hem had voorbereid in werking te zetten en stapte door een Poort terug naar Merrilor. Op geen enkel front bleef hij lang, maar hij maakte zich altijd bekend voordat hij vertrok. Hij liet het wolkendek openbreken om te bewijzen dat hij er was geweest en trok zich dan terug.

Min wachtte op hem bij het Reisterrein in Merrilor. Hij keek achterom toen zijn Poort dichtging en de mensen zonder hem de strijd voortzetten. Min legde haar hand op zijn arm. Zijn Speervrouwen wachtten hier ook. Ze hadden hem met tegenzin alleen laten gaan, aangezien zij ook wisten dat hun aanwezigheid hem zou verraden.

‘Je kijkt droevig,’ zei Min zacht.

Er kwam een warme bries van ergens uit het noorden aan. Soldaten groetten hem. De meeste mannen die hij hier had waren Domani, Tyreners en Aiel. Dit was de aanvalstroep, onder leiding van Rodel Ituralde en koning Darlin, die zou proberen de vallei van Shayol Ghul in handen te houden terwijl Rhand tegen de Duistere streed.

Het was daar nu bijna tijd voor. De Schaduw had hem zien vechten op alle fronten. Rhand had meegedaan aan Lans gevechten, Egwenes gevechten, en die van Elayne. Inmiddels had de Schaduw bijna al zijn legers ingezet voor de strijd in het zuiden. Het werd tijd dat Rhand aanviel in Shayol Ghul.

Hij keek Min aan. ‘Moiraine noemt me een dwaas omdat ik bij de strijd help. Ondanks alles wat ik bereik, vindt ze dat ik mezelf nooit in gevaar mag brengen.’

‘Moiraine heeft waarschijnlijk gelijk,’ zei Min. ‘Ze heeft vaak gelijk. Maar ik heb je liever als de persoon die dit wel zou doen. Dat is de persoon die de Duistere kan verslaan: de man die niet stilzit en alleen maar strategieën bedenkt terwijl anderen sterven.’

Rhand legde zijn arm om haar middel. Licht, wat zou hij zonder haar hebben gedaan? Ik zou zijn gevallen, dacht hij. In de duistere maanden... Ik zou beslist zijn gevallen.

Over Mins schouder zag Rhand een grijsharige vrouw aankomen. En achter haar bleef een kleinere gestalte in het blauw staan en draaide zich nadrukkelijk een andere kant op. Cadsuane en Moiraine ontweken elkaar zo veel mogelijk in het kamp. Hij dacht een spoortje woede in Moiraines ogen te zien toen ze zag dat Cadsuane Rhand als eerste had gezien.

Cadsuane kwam naar hem toe en liep om hem heen om hem van top tot teen te bekijken. Ze knikte een paar keer in zichzelf.

‘Probeer je te bepalen of ik tegen mijn taak opgewassen ben?’ vroeg Rhand, en hij weerde zijn gevoel – in dit geval zijn ergernis – uit zijn stem.

‘Daar heb ik nooit over getwijfeld,’ antwoordde Cadsuane. ‘Zelfs al voordat ik ontdekte dat je herrezen was, heb ik er nooit aan getwijfeld dat ik de man van je kon maken die je moest zijn. Twijfels, in dat opzicht althans, zijn voor dwazen. Ben jij een dwaas, Rhand Altor?’

‘Een onmogelijke vraag,’ antwoordde Min. ‘Als hij zegt dat hij dat is, dan wórdt hij een dwaas. Als hij zegt van niet, dan geeft hij daarmee aan niet wijzer te willen worden.’

‘Poeh. Je leest te veel, kind.’ Cadsuane zei het met genegenheid in haar stem. Ze keek Rhand aan. ‘Ik hoop dat je haar iets moois geeft.’

‘Hoe bedoel je?’ vroeg Rhand.

‘Je geeft mensen dingen,’ zei Cadsuane, ‘ter voorbereiding op je dood. Dat is iets wat oudere mensen, of mannen die een strijd in gaan die ze niet denken te zullen winnen, wel vaker doen. Een zwaard aan je vader, een ter’angreaal aan de koningin van Andor, een kroon aan Lan Mandragoran, juwelen aan dat Aiel-meisje, en aan haar.’ Ze knikte naar Min.

Rhand verstarde. Hij had wel geweten waar hij mee bezig was, diep vanbinnen, maar het was iets anders om het zo verklaard te horen.

Mins gezicht betrok. Haar greep op hem verstrakte.

‘Loop even met me mee,’ zei Cadsuane. ‘Alleen jij en ik, Draak.’ Ze keek hem kort aan. ‘Als je wilt.’

Min keek naar Rhand, maar hij gaf haar een klopje op haar schouder en knikte. ‘Ik zie je straks bij de tent.’

Ze zuchtte, maar trok zich terug. Cadsuane was het pad al opgelopen en Rhand moest een stukje draven om haar in te halen. Dat vond ze waarschijnlijk wel leuk.

‘Moiraine Sedai wordt rusteloos van je uitstel,’ zei Cadsuane.

‘En wat denk jij?’

‘Ik denk dat ze enige mate van wijsheid bezit. Maar ik vind je voornemen nog niet zo onverstandig. Je moet alleen niet veel langer meer wachten.’

Hij zei met opzet niet wanneer hij het bevel zou geven om Shayol Ghul aan te vallen. Hij wilde iedereen in het ongewisse laten. Als niemand om hem heen wist wanneer hij zou aanvallen, dan zou de Duistere het waarschijnlijk ook niet weten.

‘Maar toch,’ zei Cadsuane, ‘ben ik hier niet om het over je getalm te hebben. Ik heb het gevoel dat Moiraine Sedai je... onderwijs op dat gebied goed in de hand heeft. Er is iets anders wat me veel meer zorgen baart.’

‘En dat is?’

‘Dat je verwacht te zullen sterven. Dat je zoveel weggeeft. Dat je er niet eens naar streeft om te blijven leven.’

Rhand haalde diep adem. Achter hen liep een groepje Speervrouwen. Hij zag de windvindsters in hun kleine kamp, ineengedoken overleggend bij de Schaal der Winden. Ze keken met nietszeggende gezichten naar hem en Cadsuane.

‘Laat me mijn lot tegemoet gaan, Cadsuane,’ zei Rhand. ‘Ik heb de dood omhelsd. Ik zal het aanvaarden als het zover is.’

‘Daar ben ik blij om. Je moet niet denken – nog geen ogenblik – dat ik jouw leven niet zou inruilen ten gunste van de hele wereld.’ ‘Dat heb je van het begin af aan duidelijk gemaakt. Waarom ben je dan nu bezorgd? Deze strijd zal me opeisen. Zo moet het zijn.’

‘Je moet er niet van uitgaan dat je zult sterven,’ zei Cadsuane. ‘Zelfs al is het bijna onvermijdelijk, je moet niet aannemen dat het volkomen onvermijdelijk is.’

‘Elayne zei ongeveer hetzelfde.’

‘Dan heeft ze in ieder geval één keer in haar leven iets verstandigs gezegd. Een beter gemiddelde dan ik van haar had verwacht.’ Rhand weigerde te happen, en Cadsuane glimlachte een beetje. Ze was blij met zijn zelfbeheersing. Daarom beproefde ze hem.

Zouden de beproevingen dan nooit ophouden?

Nee, dacht hij. Pas na de laatste. De belangrijkste.

Cadsuane bleef op het pad staan, en daarom stopte hij ook. ‘Heb je voor mij ook een geschenk?’

‘Ik geef geschenken aan de mensen om wie ik geef.’

Daar werd haar glimlach warempel breder van. ‘Onze omgang is niet altijd soepel verlopen, Rhand Altor.’

‘Zo zou je het ook kunnen zeggen.’

‘Maar,’ vervolgde ze, kijkend naar hem, ‘je moet wel weten dat ik blij ben. Je bent een goede man geworden.’

‘Dus ik heb je toestemming om de wereld te redden?’

‘Ja.’ Ze keek naar boven, waar de donkere wolken kolkten. Ze begonnen op te breken door zijn aanwezigheid, aangezien hij zichzelf niet verborg of probeerde de bewolking op zijn plaats te houden.