Выбрать главу

‘Ja,’ herhaalde Cadsuane, ‘je hebt mijn toestemming. Als je het maar snel doet. Die duisternis wast aan.’

Als om haar woorden te bevestigen, rommelde de grond. Dat gebeurde de laatste tijd steeds vaker. Het kamp beefde en mannen struikelden.

‘Er zullen Verzakers komen,’ zei Rhand. ‘Als ik eenmaal binnen ben. Iemand zal het tegen ze moeten opnemen. Ik wil Aviendha vragen daar de leiding over te nemen. Ze zou je hulp goed kunnen gebruiken.’

Cadsuane knikte. ‘Ik zal mijn aandeel leveren.’

‘Neem Alivia mee,’ zei Rhand. ‘Ze is sterk, maar ik zet haar liever niet bij de anderen. Ze kent haar grenzen niet.’

Cadsuane knikte, en door de blik in haar ogen begon hij zich af te vragen of ze zich dat al niet had voorgenomen. ‘En de Zwarte Toren?’

Rhand klemde zijn kiezen op elkaar. De Zwarte Toren was een valstrik. Hij wist dat het een valstrik was. Taim wilde Rhand naar een plek lokken waar hij niet door een Poort kon ontsnappen.

‘Ik heb Perijn erheen gestuurd.’

‘Ga je er zelf nog naartoe?’

Ik moet ze helpen. Hoe dan ook. Ik heb Taim die mannen daar laten verzamelen. Ik kan ze niet zomaar aan hem overlaten...

‘Je weet het nog steeds niet zeker,’ zei Cadsuane ontevreden. ‘Je wilt jezelf op het spel zetten, ons allemaal, door een valstrik in te lopen.’

‘Ik...’

‘Ze zijn bevrijd.’ Cadsuane draaide zich om en liep door. ‘Taim en zijn mannen zijn uit de Zwarte Toren gezet.’

‘Wat?’ vroeg Rhand, die naar voren stapte en haar bij de arm pakte.

‘Je mannen daar hebben zichzelf bevrijd,’ zei ze. ‘Het heeft behoorlijk wat moeite gekost, voor zover ik heb gehoord, maar het is ze gelukt. Niet veel mensen weten dit al. Koningin Elayne zal ze na dat pak slaag mogelijk nog een behoorlijke tijd niet voor de strijd kunnen inzetten, maar verder weet ik geen bijzonderheden.’ ‘Hebben ze zichzélf bevrijd?’ vroeg Rhand.

‘Ja.’

Het is ze gelukt. Of het is Perijn gelukt.

Rhand was daar blij om, maar toen werd hij overmand door schuldgevoel. Hoeveel mannen waren er gesneuveld? Had hij ze kunnen redden als hij zelf was gegaan? Hij wist nu al dagen van de toestand daar, en toch had hij er niets aan gedaan omdat Moiraine had gezegd dat het een valstrik was en hij het zich niet kon veroorloven erin te trappen.

En nu waren ze ontkomen.

‘Ik wou dat ik een antwoord uit je had weten te trekken,’ zei Cadsuane, ‘over wat je daar had willen doen.’ Ze zuchtte en schudde haar hoofd. ‘Er zitten barsten in jou, Rhand Altor, maar jij bent het enige middel dat we hebben.’

Ze liet hem achter.

‘Deeper was een goed mens,’ zei Antail. ‘Hij overleefde de val van Maradon. Hij stond op de muur toen die werd opgeblazen, maar hij overleefde het en streed door. De Gruwheren zochten hem uiteindelijk op en maakten hun karwei af met een ontploffing. Deeper bleef tot op het laatst wevingen naar hen smijten. Hij is goed gestorven.’

De Malkierse soldaten hieven bekers naar Antail, in een groet aan de gevallenen. Lan hief zijn eigen beker, hoewel hij vlak buiten de kring van mannen rond het vuur stond. Hij wenste dat Deeper gewoon zijn bevelen had opgevolgd. Hij schudde zijn hoofd en dronk zijn wijn op. Hoewel het nacht was, bleven Lans mannen om beurten wakker voor het geval ze werden aangevallen.

Lan draaide zijn beker tussen zijn handen heen en weer en dacht weer aan Deeper. Hij merkte dat hij niet kwaad op hem kon zijn. Deeper had een van de gevaarlijkste geleiders van de Schaduw willen doden. Lan kon niet beweren dat hij niet hetzelfde zou hebben geprobeerd als de mogelijkheid zich had voorgedaan.

De mannen gingen door met proosten op de gesneuvelden. Het was een gebruik geworden dat ze elke avond uitvoerden en dat zich had verspreid over alle kampen van Grenslanders. Lan vond het bemoedigend dat de mannen nu ook Antail en Narishma als kameraden begonnen te behandelen. De Asha’man waren hooghartig, maar Deepers dood had een band gesmeed tussen de Asha’man en de gewone soldaten. Nu betaalden ze allemaal de slagersrekening. De mannen hadden Antail zien rouwen en hadden hem uitgenodigd om met een paar woorden op de dode te proosten.

Lan stapte weg bij het vuur en liep door het kamp naar de piketlijnen om even bij Mandarb te gaan kijken. De hengst hield zich goed, maar hij had een grote wond in zijn linkerflank. Hij genas goed, maar zijn vacht zou daar nooit meer aangroeien. De verzorgers spraken nog altijd op gedempte toon over het gewonde paard dat na het gevecht waarbij Deeper was omgekomen uit de nacht was opgedoken. Veel ruiters waren gedood of van hun paard geworpen in de gevechten van die dag. Maar heel weinig paarden waren aan de Trolloks ontkomen en hadden hun weg terug gevonden naar het kamp.

Lan klopte Mandarb op zijn hals. ‘Binnenkort mogen we uitrusten, vriend,’ zei hij zacht. ‘Ik beloof het.’

Mandarb snoof in de duisternis, en enkele andere paarden hinnikten.

‘We bouwen een thuis op,’ zei Lan. ‘Als de Schaduw verslagen is, eisen Nynaeve en ik Malkier weer op. We laten de akkers weer bloeien en zuiveren de meren. Je krijgt groene weiden. Geen Trolloks meer om tegen te vechten. Kinderen die op je rug willen rijden, oude vriend. Je kunt je dagen in vrede slijten, appels eten en de mooiste merries uitkiezen.’

Het was heel lang geleden dat Lan nog met iets wat op hoop leek aan de toekomst had gedacht. Vreemd, dat hij nu hoop vond, op deze plek, in deze oorlog. Hij was een harde man. Af en toe had hij het gevoel dat hij meer gemeen had met de stenen en het zand dan met de mannen die elkaar lachend verhalen vertelden bij het kampvuur.

Dat was wat hij van zichzelf had gemaakt. Het was de persoon die hij had moeten worden, een persoon die op een dag naar Malkier kon rijden en de eer van zijn familie kon verdedigen. Rhand Altor was begonnen dat schild te breken, en toen had Nynaeves liefde het helemaal verscheurd.

Ik vraag me af of Rhand het ooit heeft geweten, dacht Lan, die een roskam pakte en Mandarb begon te borstelen. Lan wist hoe het was om al van kinds af aan voorbestemd te zijn om te sterven. Hij wist hoe het was om met je neus naar de Verwording gedraaid te worden en te horen dat je daar je leven zou opofferen. Licht, maar hij wist het. Rhand Altor zou waarschijnlijk nooit weten hoeveel zij tweeën eigenlijk op elkaar leken.

Lan borstelde Mandarb een tijdje, ook al was hij hondsmoe. Misschien had hij moeten gaan slapen. Nynaeve zou hem naar bed hebben gestuurd. Hij speelde dat gesprek in gedachten af en stond zichzelf een glimlachje toe. Zij zou hebben gewonnen, zeggend dat een generaal slaap nodig had en dat er verzorgers rondliepen die zich om de paarden bekommerden.

Maar Nynaeve was er niet. Hij ging door met borstelen.

Er kwam iemand naar de piketlijnen toe. Lan hoorde de voetstappen al lang voordat de man aankwam, natuurlijk.

Heer Baldhere haalde een borstel op bij de tent van de verzorgers, knikte naar een van de wachters daar en liep naar zijn paard toe. Toen pas merkte hij Lan op.

‘Heer Mandragoran?’ vroeg hij.

‘Heer Baldhere,’ zei Lan, knikkend naar de Kandori. Koningin Ethenielles zwaarddrager was slank, met witte strepen in zijn verder zwarte haar. Hoewel Baldhere Lucmen geen grote kapitein was, was hij een uitstekend bevelhebber, die Kandor sinds de dood van zijn koning goed had gediend. Velen hadden aangenomen dat de koningin met Baldhere zou huwen. Dat was natuurlijk dwaasheid, want Ethenielle zag hem haast als een broer. En bovendien had iedereen met een beetje inzicht meteen in de gaten dat Baldhere meer op mannen viel dan op vrouwen.

‘Het spijt me dat ik je stoor, Dai Shan,’ zei Baldhere. ‘Ik had niet verwacht dat hier nog iemand anders zou zijn.’ Hij wilde weglopen. ‘Ik was bijna klaar. Laat mij je niet tegenhouden.’

‘De verzorgers doen hun werk goed,’ zei Baldhere. ‘Ik was hier niet om hun werk te controleren. Ik heb alleen gemerkt dat ik beter kan nadenken als ik iets eenvoudigs en vertrouwds doe.’

‘Je bent niet de enige,’ zei Lan, die Mandarb bleef borstelen. Baldhere grinnikte en zweeg een poosje. Toen kwam hij dichterbij. ‘Dai Shan,’ zei hij, ‘maak je je zorgen om heer Agelmar?’