Выбрать главу

‘In welk opzicht?’

‘Ik ben bang dat hij zichzelf te veel onder druk zet,’ zei Baldhere. ‘Sommige keuzes die hij maakt... ze verwarren me. Niet dat zijn beslissingen slecht zijn, maar ze komen op mij wat te agressief over.’

‘Het is oorlog. Ik weet niet of je wel te agressief kunt zijn bij het verslaan van je vijand.’

Baldhere zweeg weer even. ‘Natuurlijk. Maar heb je gehoord dat we Yokata’s twee eskaders cavalerie kwijt zijn?’

‘Dat was onfortuinlijk, maar fouten worden altijd gemaakt.’

‘Dit is geen fout die Agelmar had moeten maken. Hij heeft ervaring met dit soort omstandigheden, Dai Shan. Hij had het moeten zien.’ Het was gebeurd tijdens een recente uitval tegen de Trolloks. De Asha’man waren bezig geweest Fal Eisen en het omringende terrein in brand te steken. Op Agelmars bevel was Yokata met zijn cavalerie in een bocht om een grote heuvel heen gereden. Hij zou de rechterflank aanvallen van het Trollok-leger dat naar de Asha’man oprukte. Met een klassieke tangbeweging zou Agelmar nog meer cavalerie naar de linkerflank van de vijand sturen, en dan zouden de Asha’man zich omdraaien om de Trolloks frontaal aan te vallen.

Maar de leiders van de Schaduw hadden die tactiek doorzien. Voordat Agelmar en de Asha’man iets hadden kunnen doen, was er een grote groep Trolloks over de heuvel gekomen. Ze hadden zich op Yokata’s rechterflank gestort terwijl de rest Yokata frontaal aanviel, zodat zijn cavalerie werd omsingeld.

De cavalerie-eenheid was tot de laatste man gedood. Meteen daarna wierpen de Trolloks zich op de Asha’man, die zichzelf slechts ternauwernood hadden kunnen redden.

‘Hij is moe, Dai Shan,’ zei Baldhere. ‘Ik kén Agelmar. Hij zou zo’n fout nooit hebben gemaakt als hij wakker en alert was geweest.’

‘Baldhere, iedereen kan zo’n fout maken.’

‘Heer Agelmar is een van de grote kapiteins. Hij zou het slagveld anders moeten zien dan gewone mensen.’

‘Weet je zeker dat je niet te veel van hem verwacht?’ vroeg Lan. ‘Agelmar is ook maar een mens, net als wij allemaal.’

‘Ik... Misschien heb je gelijk,’ zei Baldhere, die zijn hand op zijn zwaard had gelegd alsof hij ongerust was. Hij droeg natuurlijk niet het wapen van de koningin. Dat deed hij alleen als hij haar diende. ‘Ik denk dat het aankomt op instinct, Lan. Een gevoel. Agelmar lijkt erg moe, en ik ben bang dat dat invloed heeft op zijn strategische vaardigheden. Hou alsjeblieft een oogje op hem.’

‘Dat zal ik doen,’ beloofde Lan.

‘Dank je.’ Baldhere leek al wat minder verontrust.

Lan gaf Mandarb nog een aai, liet Baldhere bij zijn paard achter en liep door het kamp naar de bevelstent. Hij stapte naar binnen. De tent was verlicht en werd goed bewaakt, hoewel de soldaten die op wacht stonden geen uitzicht werd gegund op de slagveldkaarten.

Lan liep om de doeken heen die voor de ingang hingen en knikte naar de Shienaraanse bevelvoerders, ondergeschikten van Agelmar, die aanwezig waren. Een van hen bestudeerde de kaarten die op de vloer uitgespreid lagen. Agelmar zelf was er niet. Een leider moest ook een keer slapen.

Lan hurkte neer en keek naar de kaart. Na de aftocht van morgen zouden ze een plek bereiken die Bloedbron heette, vernoemd naar de stenen waardoor het water van de rivier rood leek. Bij Bloedbron zouden ze een licht hoogtevoordeel hebben vanwege de omringende heuvels, en Agelmar wilde daar een aanval met boogschutters en cavalerie tegen de Trolloks op touw zetten. En natuurlijk zou er weer terrein in brand worden gestoken.

Lan ging op zijn knie zitten en bekeek Agelmars aantekeningen over welk leger waar zou strijden en hoe hij de aanvallen wilde verdelen. Er kwam nogal wat bij kijken, maar in Lans ogen zag het er allemaal haalbaar uit.

Terwijl hij zat te lezen, ruisten de tentflappen en kwam Agelmar zelf binnen, zachtjes in gesprek met vrouwe Ells uit Saldea. Hij bleef staan toen hij Lan zag en maakte verontschuldigend een einde aan zijn gesprek. Toen kwam hij naar Lan toe.

Agelmar oogde niet overdreven uitgeput, maar Lan had geleerd verder te kijken dan de houding van een man op zoek naar tekenen van vermoeidheid. Rode ogen. Een lichte geur van vlakblad in de adem, een kruid waarop je kon kauwen om je geest scherp te houden als je al te lang wakker was. Agelmar was moe, maar dat gold voor iedereen in het kamp.

‘Ben je het eens met wat je ziet, Dai Shan?’ vroeg Agelmar, die bij hem neerknielde.

‘Het is een heel agressieve benadering van een aftocht.’

‘Kunnen we ons nog iets anders veroorloven?’ vroeg Agelmar. ‘We laten een verkoold terrein achter, vernietigen Shienar bijna even grondig als wanneer de Schaduw het land had ingenomen. Ik zal de as doven met Trollokbloed.’

Lan knikte.

‘Is Baldhere bij je geweest?’ vroeg Agelmar.

Lan keek scherp op.

Agelmar glimlachte flauwtjes. ‘Ik neem aan dat het ging over het verlies van Yokata en zijn mannen?’

‘Ja.’

‘Het was een vergissing om zo zeker van mezelf te zijn,’ zei Agelmar. ‘Ik vroeg me al af of iemand me erop zou aanspreken. Baldhere is een van de weinigen die slim genoeg is om mijn fout te doorzien.’

‘Hij denkt dat je jezelf te veel onder druk zet.’

‘Hij is een goede tacticus,’ zei Agelmar, ‘maar hij weet niet zoveel als hij denkt. Zijn hoofd zit vol met verhalen over de grote kapiteins. Ik ben niet zonder gebreken, Dai Shan. Dit zal niet mijn enige fout zijn. Ik zal ze herkennen, zoals ik deze herkende, en ervan leren.’

‘Maar toch moeten we misschien zorgen dat je meer slaap krijgt.’

‘Ik ben volkomen gezond, heer Mandragoran. Ik ken mijn grenzen. Ik heb ze mijn hele leven verkend. Deze slag zal me tot het uiterste beproeven, maar dat moet gewoon gebeuren.’

‘Maar...’

‘Los me af of laat me met rust,’ kapte Agelmar hem af. ‘Ik ben bereid naar goede raad te luisteren – ik ben geen dwaas – maar ik heb niets aan kritiek achteraf.’

‘Goed dan,’ zei Lan, die opstond. ‘Ik vertrouw op je oordeel.’

Agelmar knikte en keek naar zijn kaarten. Hij werkte nog steeds aan zijn strategieën toen Lan eindelijk zijn bed opzocht.

19

Een lap kiezen

Elayne trof Bashere ijsberend aan op de oostelijke oever van de rivier.

Rivieroevers waren een van de weinige plekken waarbij ze het gevoel had dat er nog leven in zat. Er was zoveel levenloos tegenwoordig. Bomen zonder bladeren, gras dat niet groeide, dieren die zich in hun holen verscholen en zich niet lieten zien.

De rivieren bleven stromen. Dat straalde een gevoel van leven uit, hoewel de oeverplanten er verlept uitzagen.

De Alguenya was zo’n verraderlijk machtige rivier die er van een afstand kalm uitzag, maar met stromingen die je onder water trokken en je verdronken. Ze herinnerde zich nog dat Brin daar een lesje voor Gawein van had gemaakt toen ze een keer langs de rivier waren gaan jagen. Het lesje was ook voor haar bedoeld geweest. Misschien wel voornamelijk voor haar, hoewel Brin altijd had opgepast dat hij zijn boekje niet te buiten ging bij de Erfdochter.

Pas op voor stromingen, had hij gezegd. Rivierstromingen zijn een van de gevaarlijkste dingen onder bet Licht, maar alleen omdat mensen ze onderschatten. Het oppervlak ziet er rustig uit omdat niets ertegen vecht. Niets wü ertegen vechten. De vissen gaan erin mee en de mensen blijven eruit, behalve dwazen die denken dat ze iets te bewijzen hebben.

Elayne stapte naar de rotsachtige oever toe, naar Bashere. Haar wachters bleven achter. Birgitte was vandaag niet bij hen. Zij was bij de groepen boogschutters enkele mijlen stroomafwaarts, waar ze druk bezig waren de Trolloks te bestoken die vlotten bouwden om de rivier over te steken. Birgittes boogschutters en Talmanes’ draken deden daar uitstekend werk in het verminderen van de aantallen Trolloks.

Elayne had haar troepen een week eerder uit Andor teruggetrokken, en zij en Bashere waren tevreden geweest met de vooruitgang die ze hadden geboekt. Totdat ze de valstrik hadden ontdekt. ‘Onvoorstelbaar, hè?’ vroeg ze toen ze naast Bashere kwam staan. Bashere keek haar even aan, en toen knikte hij. ‘Zoiets hebben we thuis niet.’