Rhand hield het zegel omhoog en staarde ernaar alsof hij wijsheid zocht in die kronkellijn. ‘Ik heb deze gemaakt,’ fluisterde hij. ‘Ik heb ze zo sterk gemaakt dat ze nooit zouden breken. Maar ik wist al terwijl ik dat deed dat ze uiteindelijk zouden falen. Alles faalt uiteindelijk als hij het aanraakt...’
Egwene pakte nog een zegel en hield hem voorzichtig vast om hem niet per ongeluk te breken. Ze bewaarde ze ingepakt, met extra doeken in de buidel, want ze was bang dat ze stuk zouden gaan als ze ermee rondliep. Maar Moiraine had gezegd dat Egwene de zegels zou breken.
Haar leek dat een dwaze zet, maar de woorden die ze had gelezen, de dingen die Moiraine had gezegd... Nou, als de tijd om ze te breken inderdaad kwam, zou Egwene ze bij de hand moeten hebben. En dus droeg ze ze met zich mee. Ze droeg de mogelijke dood van de hele wereld met zich mee.
Rhand werd ineens zo wit als een laken. ‘Egwene,’ zei hij. ‘Hiermee bedot je me niet.’
‘Hè?’
Hij keek haar aan. ‘Deze is nep. Alsjeblieft, het geeft niet, maar vertel me de waarheid. Je hebt een kopie gemaakt, en die aan mij gegeven.’
‘Dat heb ik helemaal niet gedaan,’ zei ze verbaasd.
‘O... O, Licht.’ Rhand hield het zegel omhoog. ‘Deze is nep.’
‘Wat!’ Egwene griste het zegel uit zijn hand en betastte hem. Ze voelde er niets vreemds aan. ‘Hoe weet je dat zo zeker?’
‘Ik heb ze gemaakt,’ zei Rhand. ‘Ik ken mijn eigen werk. Dat is géén zegel. Het is... Licht, iemand heeft ze gestolen.’
‘Ik heb ze bij me gedragen sinds de dag dat jij ze me hebt gegeven!’ zei Egwene.
‘Dan is het al eerder gebeurd,’ fluisterde Rhand. ‘Ik heb ze niet meer zorgvuldig bekeken nadat ik ze had opgehaald. Hij heeft dus weten te achterhalen waar ik ze had gelaten.’ Hij pakte de andere van haar aan en schudde zijn hoofd. ‘Deze is ook niet echt.’ Hij pakte de derde. ‘En deze ook niet.’
Hij keek haar aan. ‘Hij heeft ze, Egwene. Hij heeft ze terug weten te stelen. De Duistere heeft de sleutels van zijn eigen kerker in handen.’
Een groot deel van Marts leven had hij gewenst dat mensen niet zo vaak naar hem zouden kijken. Ze fronsten naar hem vanwege de problemen die hij volgens zeggen veroorzaakte – problemen die echt niet zijn schuld waren – en wierpen hem afkeurende blikken toe als hij volkomen onschuldig rondliep en zijn best deed om aardig te zijn. Elke jongen stal wel eens een pastei. Dat kon geen kwaad. Het werd bijna van ze verwacht.
Het gewone leven was moeilijker geweest voor Mart dan voor andere jongens. Er was geen enkele goede reden voor, maar iedereen hield hem extra zorgvuldig in de gaten. Perijn had de hele dag pasteien kunnen stelen, maar bij hem zouden de mensen alleen maar glimlachen en misschien even door zijn haar woelen. Als Mart het deed, kwamen ze met een bezem achter hem aan.
Elke keer als hij ergens naar binnen ging om te dobbelen, trok hij blikken. Mensen keken naar hem zoals ze naar een valsspeler zouden kijken – hoewel hij dat nooit deed – of met afgunst in hun ogen. Ja, hij had altijd gedacht dat het heerlijk zou zijn om mét in de gaten te worden gehouden. Een feestje waard.
Nu had hij dat, en hij werd er niet goed van.
‘Je mag wel naar me kijken,’ zei Mart. ‘Echt. Het Licht verzenge je, het is goed!’
‘Dan zouden mijn ogen neergeslagen worden,’ zei de bediende terwijl ze stoffen opstapelde op het lage tafeltje tegen de muur.
‘Je ogen zijn al neergeslagen! Je staart toch de hele tijd naar die stomme vloer? Ik wil dat je ze opheft.’
De Seanchaanse ging door met haar werk. Ze had een lichte huid met sproeten op haar wangen, niet onaantrekkelijk, hoewel hij tegenwoordig meer op donkerdere tinten viel. Toch zou hij het niet erg vinden als dat meisje eens naar hem lachte. Hoe kon hij nu met een vrouw praten als hij niet eens kon proberen haar te laten lachen?
Er verschenen nog een paar andere bedienden met neergeslagen blikken, die nog meer stof kwamen brengen. Mart bevond zich in wat kennelijk ‘zijn’ vertrekken in het paleis waren. Het waren er meer dan hij ooit nodig zou hebben. Misschien konden Talmanes en een paar leden van de Bond erbij komen wonen, zodat het hier niet zo leeg aanvoelde.
Mart sjokte naar het raam. Beneden, in de Mol Hara, werd een leger verzameld. Het zou langer duren dan hem lief was. Galgan – Mart had die vent slechts kort ontmoet en vertrouwde hem niet, ongeacht wat Tuon zei over dat zijn huurmoordenaars niet de bedoeling hadden om te slagen – verzamelde de Seanchaanse troepen vanaf de grenzen, maar het ging te langzaam. Hij was bang dat hij de Almothvlakte zou verspelen bij de aftocht.
Nou, hij kon maar beter naar rede luisteren. Mart mocht die man toch al niet, maar als hij hierbij ook nog treuzelde...
‘Geëerde?’ vroeg de bediende.
Mart keek om en trok zijn wenkbrauw op. Enkele da’covale waren binnengekomen met de laatste stoffen, en Mart merkte dat hij bloosde. Ze droegen amper kleding, en wat ze droegen was doorschijnend. Maar hij mocht toch wel kijken? Ze zouden toch niet zulke kleding dragen als het niet de bedoeling was dat hij keek? Wat zou Tuon ervan vinden?
Ik ben haar bezit niet, dacht Mart vastbesloten. Ik ga niet de echtgenoot uithangen.
De bediende met de sproeten – ze was een so’jhin, met de helft van haar hoofd geschoren – gebaarde naar iemand die achter de da’covale was binnengekomen, een vrouw van middelbare leeftijd met haar donkere haar in een knot en geen enkel deel van haar hoofd geschoren. Ze was gedrongen, een beetje gevormd als een klok, en had de uitstraling van een grootmoeder.
De nieuwkomer bekeek hem schattend. Eindelijk iemand die hem wilde aankijken! Hij wenste alleen dat ze niet zo naar hem keek als iemand die paarden beoordeelt op een veemarkt.
‘Zwart voor zijn nieuwe status,’ zei de vrouw, die eenmaal in haar handen klapte. ‘Groen voor zijn afkomst. Een diep bosgroen, maar niet te veel. Laat iemand met een paar verschillende ooglapjes komen, en laat iemand anders die hoed verbranden.’
‘Wat?’ riep Mart uit. Bedienden zwermden om hem heen en plukten aan zijn kleding. ‘Wacht eens even. Wat moet dit voorstellen?’ ‘Uw nieuwe ambtskleding, Geëerde,’ zei de vrouw. ‘Ik ben Nata, en ik ben uw persoonlijke kleermaakster.’
‘Die hoed wordt niét verbrand,’ zei Mart. ‘Probeer het maar, dan zullen we eens kijken of je kunt vliegen. We zitten hier op vier hoog. Is dat begrepen?’
De vrouw aarzelde. ‘Ja, Geëerde. Verbrand zijn kleding niet. Sla het veilig op voor het geval het nog nodig is.’ Ze leek te betwijfelen of dat ooit het geval zou zijn.
Mart deed zijn mond open om verder te klagen, maar toen opende een van de da’covale een kistje. Er blonken juwelen in. Robijnen, smaragden, vuurdruppels. Marts mond zakte verder open. Er lag een fortuin in dat kistje!
Hij was zo verbaasd dat hij bijna niet merkte dat de bedienden hem aan het uitkleden waren. Ze trokken aan zijn hemd, en Mart liet het toe. Hoewel hij zijn halsdoek vasthield, was hij niet verlegen. Die blos op zijn wangen had niets te maken met het feit dat zijn broek werd uitgetrokken. Hij was gewoon verbaasd over die juwelen.
Toen legde een van de jonge da’covale zijn hand op Marts onderkleding.
‘Je zou het echt lastig krijgen zonder vingers,’ grauwde Mart tegen de jongeman.
De da’covale keek op, zijn ogen werden groot en zijn gezicht verbleekte. Hij keek meteen weer naar beneden, maakte een buiging en stapte achteruit. Mart was niet verlegen, maar tot op zijn ondergoed was ver genoeg.
Nata klakte met haar tong. Haar bedienden begonnen Mart in mooie stoffen te wikkelen, zwart en donkergroen; zo donker dat het ook bijna zwart was. ‘We zullen kleding voor u maken voor militaire gelegenheden, voor aan het hof, voor uw vrije tijd en voor openbare optredens. Het...’
‘Nee,’ zei Mart. ‘Alleen militair.’
‘Maar...’
‘Dit is verdomme de Laatste Slag, vrouw,’ zei Mart. ‘Als we dit overleven, mag je voor mijn part een feestmuts voor me maken. Tot die tijd zijn we in oorlog en heb ik niks anders nodig.’