Выбрать главу

Ze knikte.

Mart bleef met tegenzin met uitgestoken armen staan en liet zich de maat nemen en in stoffen hullen. Als hij dan moest ondergaan dat ze hem ‘Geëerde’ en ‘Hoogheid’ noemden, dan kon hij in ieder geval proberen zelf nog wat invloed te hebben op zijn kleding.

Eerlijk gezegd was hij steeds maar dezelfde oude kleren wel zat. I Iet leek er niet op dat de Seanchaanse kleermaakster veel kant gebruikte, en dat was jammer, maar Mart wilde haar niet vertellen hoe ze haar werk moest doen. Hij kon niet over elk klein dingetje klagen. Niemand hield van een klager, en Mart al helemaal niet.

Terwijl ze zijn maten opnamen, kwam er een bediende aan met een klein koffertje, bekleed met fluweel, waarin verschillende oog-lapjes lagen. Hij aarzelde en dacht na. Op sommige zaten edelstenen en andere waren kunstig beschilderd.

‘Die,’ zei hij, wijzend naar het minst versierde ooglapje. Het was zwart, met twee lange, smalle robijntjes aan de rechter- en linkerkant van het lapje. Ze deden hem het lapje om terwijl de andere bedienden de laatste maten bij hem opnamen.

Toen dat gebeurd was, liet de kleermaakster haar bedienden Mart ui een pak hijsen dat ze had meegebracht. Kennelijk mocht hij niet gewoon zijn oude kleren blijven dragen terwijl hij wachtte tot de nieuwe klaar waren.

De kleding begon eenvoudig genoeg. Een zijden mantel, mooi gemaakt. Mart had liever een broek gehad, maar die mantel zat wel lekker. Ze legden daar een grotere, stijvere mantel overheen. Die was ook van zijde, donkergroen, en elk stukje ervan was geborduurd met krullende patronen. De mouwen waren zo wijd dat er een paard doorheen kon draven en ze voelden zwaar en log.

‘Ik had gezegd dat je me strijderskleding moest geven!’ zei hij.

‘Dit is een ceremonieel strijdersuniform voor een lid van de keizerlijke familie, Hoogheid,’ zei Nata. ‘Velen zullen u zien als een buitenstaander, en hoewel niemand aan uw trouw zal twijfelen, zou het goed zijn als onze soldaten u eerst als de Prins van de Raven en pas daarna als een buitenlander zien. Bent u het daar niet mee eens?’

‘Jawel,’ gaf Mart toe.

De bedienden waren nog niet klaar. Ze deden hem een druk bewerkte riem om en legden onder zijn wijde mouwen armbanden met dezelfde patronen om zijn polsen. Die riem was nog niet zo erg, besloot Mart, aangezien hij de kleding wat aansnoerde en de mantel daardoor minder lomp oogde.

Helaas was het volgende kledingstuk het belachelijkste van allemaal. Het stijve, lichtgekleurde stuk stof kwam op zijn schouders te liggen. Het hing aan de voorkant en achterkant omlaag als een tabberd en was aan de zijkanten open, maar de schouderstukken staken aan weerskanten zeker een voetlengte uit, waardoor hij onmenselijk breed leek. Het leken wel schouderplaten van een zwaar pantser, maar dan van stof gemaakt.

‘Zeg, luister,’ zei Mart. ‘Je probeert toch geen geintjes met me uit te halen alleen omdat ik hier nieuw ben, hè?’

‘Geintjes, Geëerde?’ vroeg Nata.

‘Je kunt toch niet echt...’ Mart liet zijn stem wegsterven toen er iemand langs zijn deur liep. Ook een bevelhebber. De man droeg een pak dat wel wat leek op dat van Mart, hoewel het minder druk versierd was en de schouders iets minder breed waren. Geen pantser van de keizerlijke familie, maar een ceremonieel pantser voor iemand van het Bloed. Toch was het bijna even overdadig.

De man bleef staan, maakte een buiging voor Mart en liep door.

‘Ik mag branden,’ mompelde Mart.

Nata klapte in haar handen en de bedienden begonnen Mart te behangen met edelstenen. Ze kozen voornamelijk robijnen uit, en Mart voelde zich slecht op zijn gemak. Dat moest toch wel toeval zijn? Hij wist niet wat hij ervan vond om zo overladen te zijn met edelstenen. Misschien kon hij ze verkopen. Of eigenlijk, als hij ze op een goktafel legde kon hij misschien wel zoveel winnen dat hij heel Ebo Dar kon bezitten...

Tuon bezit het al, besefte hij. En ik ben met haar getrouwd. Het drong tot hem door dat hij rijk was. Écht rijk.

Hij bleef zitten en liet zijn nagels lakken terwijl hij overpeinsde wat dit allemaal betekende. O, hij hoefde zich al een tijdje geen zorgen meer te maken om geld, aangezien hij altijd meer kon winnen met gokken. Maar dit was anders. Als hij alles al had, wat had gokken dan nog voor zin? Dat klonk niet erg leuk. Mensen hoorden je niet zulke dingen te geven. Je hoorde zelf iets te bedenken om ze te bemachtigen, met je verstand, je geluk, of dankzij handigheid.

‘Verdomd,’ zei Mart, die zijn armen liet zakken toen zijn nagels gelakt waren. ‘Ik ben een verrekte edelman.’ Hij zuchtte, plukte zijn hoed uit de handen van een geschrokken bediende – die net langsliep met zijn oude kleding – en zette hem op zijn hoofd.

‘Geëerde,’ zei Nata. ‘Vergeef me mijn openhartigheid, maar het is mijn taak u raad te geven over de gangbare kledingstijl hier, als het u behaagt. Die hoed... past bepaald niet bij dit uniform.’

‘Nou en?’ zei Mart, die de kamer uit beende. Hij moest zich bijna opzij draaien om door de deur te kunnen! ‘Als ik toch voor gek loop, dan liever in stijl. Kan iemand me even vertellen waar die verrekte generaals van ons bijeenkomen? Ik moet uitvissen hoeveel soldaten we hebben.’

20

Naar Thakan’dar

Later op de dag na haar ontmoeting met Rhand hield Egwene Vora’s sa’angreaal voor zich omhoog en weefde Vuur. De draden kwamen bijeen, dunne gloeiende linten die een complexe weving in de lucht voor haar vormden. Ze voelde de hitte ervan bijna op haar afstralen en haar huid een heloranje kleur geven.

Toen ze de weving had voltooid, hing er een vuurbol zo groot als een rotsblok knetterend en brullend voor haar in de lucht. Hij schoot als een meteoor op de verre heuvelkam af. Door de inslag werden Trolloks gedood en alle kanten op gesmeten.

Romanda opende een Poort naast Egwene. Romanda was een van de Gelen die erop hadden gestaan aan het front te blijven om Heling te verschaffen. Zij en haar kleine groep waren van onschatbare waarde geweest bij het redden van levens.

Maar vandaag zou er geen gelegenheid zijn voor Heling. De Trolloks hadden zich teruggetrokken in de heuvels, zoals Brin had voorspeld. Na anderhalve dag van rust hadden vele van de Aes Sedai zich hersteld. Niet dat ze op volle kracht waren – dat kon ook niet na meer dan een week van zware gevechten – maar ze waren voldoende aangesterkt om weer iets bij te dragen.

Gawein sprong door de Poort zodra hij open was, met zijn zwaard in de hand. Egwene volgde samen met Romanda, Lelaine, Leane, Silviana, Raemassa en een handjevol zwaardhanden en soldaten. Ze stapten op de heuvel die Egwene net vrij had gemaakt. De verkoolde aarde was nog warm en zwart onder haar voeten en er hing een geur van verbrand vlees in de lucht.

Deze heuvel bevond zich helemaal in het midden van het Trollok-leger. Overal rondom schoot Schaduwgebroed alle kanten op, op zoek naar veiligheid. Romanda hield de Poort open, en Silviana weefde Lucht om een windkoepel tegen pijlen te vormen. De rest begon wevingen naar buiten te werpen.

De Trolloks reageerden traag. Ze hadden hier afgewacht, in deze heuvels, klaar om de valleien in te stromen zodra Egwenes leger aankwam. Onder gewone omstandigheden zou dat een ramp zijn geweest. De Trolloks konden Egwenes troepen van bovenaf bestoken, en haar cavalerie zou in het nadeel zijn als ze zouden proberen tegen die heuvels op te komen. Vanaf de heuveltoppen zouden de Trolloks en Schimmen goed uitzicht hebben, zwakke plekken in Egwenes gelederen kunnen zien en die dan aanvallen.

Egwene en haar bevelvoerders hadden de vijand dat voordeel niet willen geven. De beesten stoven uiteen toen de strijd zich tegen hen keerde en Aes Sedai de heuveltoppen innamen. Enkele beesten probeerden hen te bestormen en de heuvels weer in te nemen, maar andere renden voor hun leven. Egwenes zware cavalerie kwam daarna, denderend door de valleien. Wat tot dan toe een zeer gunstige positie voor de Trolloks was geweest, werd een slachtterrein. Nu de Trollok-boogschutters waren verwijderd door Aes Sedai, kon de zware cavalerie bijna ongestoord vijanden doden.