Выбрать главу

Dat maakte de weg vrij voor de voetsoldaten, die in formatie aankwamen om de Trolloks achteruit te drijven en ze tegen de hellingen te drukken, zodat de Aes Sedai ze met hele groepen tegelijk konden doden. Helaas waren de Trolloks het wat meer gewend geraakt om tegenover de Ene Kracht te staan. Of de Myrddraal waren beter geworden in het aanmoedigen van hun manschappen.

Weldra vielen beter gecoördineerde troepen Trolloks de heuveltoppen aan, terwijl andere de aanval van voetsoldaten deels wisten af te slaan. Brin had gelijk, dacht Egwene, terwijl ze een groep Trolloks uitschakelde die zich bijna een weg naar haar toe had geklauwd. De Schimmen zijn weer met de Trolloks verbonden. Het Schaduwgebroed had die tactiek de laatste tijd minder gebruikt, omdat bij het doden van een Schim ook alle verbonden Trolloks stierven. Egwene vermoedde dat het het enige middel was waarmee ze de Trolloks naar een bijna zekere dood op deze heuvels konden laten klimmen.

Als ze de Myrddraal kon vinden die was verbonden met de Trollok’. in de buurt, kon ze ze allemaal uitschakelen metéén goedgemikte weving van Vuur. Helaas waren de Schimmen sluw en verborgen ze zich te midden van de Trolloks.

‘Ze komen dichterbij,’ zei Lelaine hijgend.

‘Terugtrekken,’ beval Egwene.

Ze doken door Romanda’s Poort, gevolgd door hun zwaardhanden. Romanda kwam als laatste en sprong door de Poort net toen een groep Trolloks hun heuveltop weer opeiste. Een van de beesten, een behaard, beerachtig monster, kwam struikelend achter haar aan door de Poort.

Het schepsel viel onmiddellijk dood neer en er steeg een kringeltje rook op van het karkas. Zijn kameraden joelden en grauwden aan de overkant. Egwene keek naar de andere vrouwen, haalde haar schouders op en stuurde vlammen door de Poort. Een paar monsters vielen dood of stuiptrekkend neer, terwijl de andere brullend weg krabbelden en hun wapens lieten vallen.

‘Dat werkt goed,’ merkte Leane op. Ze sloeg haar armen over elkaar en trok één onberispelijke wenkbrauw op naar de Poort. Ze bevonden zich midden in de Laatste Slag, en die vrouw nam nog stééds elke morgen de tijd om haar gezicht te doen.

Hun Poort had hen teruggebracht naar het kamp, dat nu grotendeels verlaten was. Nu de ondersteunende troepen waren verzameld en klaar stonden om in beweging te komen zodra ze ergens nodig waren, was er alleen een groep van vijfhonderd soldaten in het kamp, die op wacht stonden bij Brins bevelstent.

Egwene droeg nog altijd het buideltje met de nepzegels om haar middel. Rhands woorden hadden haar hard geraakt. Hoe moesten ze de zegels terugkrijgen? Als de trawanten van de Schaduw ze op het verkeerde tijdstip braken, zou dat een ramp zijn.

Hadden ze ze al gebroken? Zou de wereld het merken als dat gebeurde? Egwene voelde een angst die ze niet van zich af kon zetten. En toch ging de oorlog door, en ze had geen andere keus dan te blijven vechten. Ze zouden er wel iets op vinden om de zegels terug te krijgen, als dat kon. Rhand zwoer dat hij het zou proberen. Ze wist niet zeker wat hij zou kunnen doen.

‘Ze doen zo ontzettend hun best,’ zei Gawein.

Egwene draaide zich om en zag hem een stukje verderop staan, uitkijkend over het slagveld met zijn kijkglas. Ze voelde verlangen van hem uitgaan. Hij voelde zich nutteloos in deze veldslagen nu hij geen mannen kon aanvoeren zoals hij bij de Jongelingen had gedaan, wist ze.

‘De Trolloks worden opgezweept door Myrddraal,’ zei Egwene, ‘en zijn er waarschijnlijk mee verbonden om de Schimmen meer macht over ze te geven.’

‘Ja, maar waaróm verzetten ze zich zo fel?’ vroeg Gawein, nog altijd kijkend door het kijkglas. ‘Ze geven niet om dit land. Het is duidelijk dat ze deze heuvels al hebben verloren, en toch blijven ze zo fel strijden. Trolloks zijn eenvoudige wezens. Ze vechten en winnen, of ze trekken zich terug. Ze nemen geen land in. Dat proberen ze hier wel te doen. Het lijkt wel... alsof de Schimmen denken dat ze er goed vóór staan, zelfs na een nederlaag als deze.’

‘Wie weet waarom Schimmen doen wat ze doen?’ merkte Lelaine op, die met over elkaar geslagen armen door de nog geopende Poort stond te kijken.

Egwene draaide zich om en keek er ook door. De heuveltop was nu verlaten, vreemd geïsoleerd te midden van het strijdgewoel. Haar soldaten waren boven op de Trolloks gebotst in de kleine vallei tussen cle heuvels, en de gevechten daar waren fel. Ze hoorde gegrom, geroep, gekletter. Bloederige paalwapens gingen de lucht in toen een groep mannen achteruit werd gedreven en hellebaardiers naar voren kwamen in een poging de Trolloks te vertragen.

Onder het Schaduwgebroed vielen verschrikkelijk veel slachtoffers. Dit was inderdaad merkwaardig. Brin had verwacht dat ze Zich zouden terugtrekken.

‘Er is iets mis,’ zei Egwene, die de haartjes op haar armen rechtop voelde komen. Haar zorg over de zegels verdween, voorlopig. Haar leger was in gevaar. ‘Verzamel de Aes Sedai en laat het leger zich terugtrekken.’

De andere vrouwen keken haar aan alsof ze waanzinnig was. Maar Gawein rende naar de bevelstent om haar bevelen door te geven, het Licht zegene hem. Hij stelde geen vragen.

‘Moeder,’ zei Romanda, die haar Poort liet dichtgaan. ‘Wat is...’

Iets spleet de lucht aan de andere kant van Egwenes legerkamp, tegenover het slagveld. Een streep licht, langer dan elke Poort die Egwene ooit had gezien. Hij was bijna zo breed als haar kamp zélf.

De streep licht opende zich en onthulde een landschap dat niét zuidelijk Kandor was. In plaats daarvan was het een plek met varens en verwelkte bomen. Hoewel ze bruin waren, net als alle begroeiing overal, was toch te zien dat het onbekende plantensoorten waren.

Een reusachtig leger stond zwijgend in dit onbekende landschap.

Duizenden banieren wapperden erboven, met tekens erop die Egwene niet herkende. De voetsoldaten droegen knielange kledingstukken, zo te zien een soort gevoerde pantsers, versterkt met maliën in een patroon van grote vierkanten. Anderen droegen metalen hemden die van aan elkaar genaaide munten leken te zijn gemaakt.

Velen van hen hadden bijlen in de hand, maar dan wel heel vreemde. Ze hadden lange, dunne stelen die aan het uiteinde bol waren als bloembollen, en de bijlkoppen waren smal en dun, bijna als pikhouwelen. De handvatten van al hun wapens – van paalwapens tot zwaarden – hadden een vloeiende, organische vorm. Ze waren glad en van uiteenlopende dikte, gemaakt van een soort donkerrood hout waarop langs de zijkanten gekleurde stippen waren geschilderd.

Egwene nam dit allemaal binnen enkele ogenblikken in zich op, in een poging de oorsprong van dit merkwaardige leger te achterhalen. Ze zag niets waar ze houvast aan had, totdat ze voelde dat er mensen geleidden. De gloed van saidar omringde honderden vrouwen, allemaal te paard en gekleed in vreemde gewaden die geheel van stijve zwarte zijde waren gemaakt. Ze droegen geen gordel om hun middel. De kleding zat vrij strak om de schouders en liep naar onderen toe wijd uit. Lange, rechthoekige kwastjes in vele kleuren hingen aan touwtjes aan de voorzijde, vlak onder de hals. De gezichten van de vrouwen waren allemaal getatoeëerd.

‘Laat de Kracht los,’ zei Egwene, die saidar losliet. ‘Laat ze je niet voelen!’ Ze dook opzij, Lelaine volgde, en de gloed om haar heen ging uit.

Romanda negeerde Egwene en vloekte. Ze begon een Poort te weven om te ontsnappen.

Een tiental verschillende wevingen van Vuur bestookten plotseling de plek waar Romanda stond. De vrouw had niet eens tijd om te gillen. Egwene en de andere vrouwen renden door het kamp terwijl wevingen van de Ene Kracht tenten vernietigden, voorraden in de as legden en alles in brand staken.

Egwene bereikte de bevelstent, waar Gawein gehaast naar buiten kwam. Ze greep hem en trok hem tegen de grond net toen een vuurbol vlak boven hen langs vloog en verderop tegen een aantal tenten dreunde.

‘Licht!’ riep Gawein. ‘Wat is dat?’

‘Sharanen.’ Lelaine dook buiten adem naast hen neer.

‘Weet je dat zeker?’ fluisterde Egwene.

Lelaine knikte. ‘Er zijn een heleboel verslagen van de Cairhienin van vóór de Aiel-oorlog, al valt er niet veel uit op te maken. Ze mochten niet veel zien, maar wat ze wel hebben gezien, leek heel veel op dat leger.’