Выбрать главу

‘Leger?’ vroeg Gawein. Hij verwrong zijn lichaam en keek tussen de tenten door naar het leger dat door de onnatuurlijk brede Poort kwam. ‘Bloed en bloedas!’ vloekte hij, en hij dook weer omlaag. ‘Het zijn er duizenden!’

‘Veel te veel om tegen te vechten,’ beaamde Egwene, terwijl ze koortsachtig nadacht. ‘Helemaal als we tussen hen en de Trolloks vastzitten. We moeten ons terugtrekken.’

‘Ik heb Brin net het bevel doorgegeven om de troepen terug te halen,’ zei Gawein. ‘Maar... Egwene. Waar moeten we naartoe? Trolloks vóór ons, dat leger achter ons! Licht. We worden tussen die twee geplet!’

Brin zou snel reageren. Hij zou een boodschapper door een Poort naar de kapiteins aan het front sturen. O nee...

Egwene greep Gawein vast en trok hem weg bij de bevelstent toen ze voelde dat er binnen iemand geleidde. Lelaine gaf een gil en dook de andere kant op.

De Sharaanse vrouwen reageerden onmiddellijk op het geleiden. De grond onder de tent kwam omhoog en verwoestte het bouwsel in een uitbarsting van overstelpende kracht. Rafelige stukken tentdoek, stenen en klonters aarde vlogen de lucht in.

Toen Egwene achteroverviel, trok Gawein haar mee naar een kar die ook was geraakt. Eén wiel was afgebroken en de kar hing scheef, waardoor de lading van brandhout eruit was gerold. Gawein trok Egwene naar de beschutte plek vlak onder de rand van de kar, naast liet gevallen hout. Ze doken ineen, hoewel het hout hier en daar vlam had gevat en de grond voor hen in brand stond. De hitte was verontrustend, maar niet ondraaglijk.

Egwene zat ineengedoken op de grond, knipperend met haar ogen omdat ze prikten van de rook, en zocht naar Lelaine. Of... Licht! Siuan en Brin waren in die tent geweest, samen met Yukiri en een aantal anderen.

Egwene en Gawein verstopten zich terwijl het vuur regende op het kamp en de aarde werd verscheurd. De Sharanen sloegen toe bij elk spoortje van beweging. Enkele bedienden die langs renden werden onmiddellijk door hun vuur verteerd.

‘Bereid je voor om te gaan rennen,’ zei Gawein, ‘zodra er geen vuur meer omlaag komt.’

De vlammen namen inderdaad af, maar op dat ogenblik galoppeerden ruiters in Sharaanse pantsers door het kamp. Ze joelden en brulden, richtten bogen op iedereen die ze zagen en schoten tientallen mensen pijlen in de rug. Daarna bewogen de Sharaanse troepen zich in strakke formaties door het kamp. Egwene wachtte gespannen, op zoek naar een uitweg.

Die zag ze niet. Gawein trok Egwene verder achteruit, wreef roet op haar wangen en gebaarde dat ze ineengedoken moest blijven zitten, en toen legde hij zijn zwaardhandmantel over hen allebei heen. Misschien zouden ze zo, naast het rokerig brandende hout, niet worden gezien.

Haar hart ging tekeer. Gawein drukte iets tegen haar gezicht: een zakdoek die hij nat had gemaakt met water. Hij hield er zelf ook een tegen zijn gezicht en ademde daardoor. Ze pakte de zakdoek van hem aan, maar ze durfde amper adem te halen. Die soldaten waren zó dichtbij.

Een van de soldaten keek naar de kar, turend naar de stapel hout, maar toen hij door de rook naar hen keek, leek hij hen niet te zien. Egwene zegende in stilte de zwaardhandmantel. Doordat het kledingstuk steeds van kleur veranderde, waren ze bijna onzichtbaar, als ze zich althans niet bewogen.

Waarom heb ik niet zo’n mantel, dacht ze geërgerd. Waarom zijn die alleen voor zwaardhanden?

De soldaten hielden zich bezig met het opjagen van bedienden. Degenen die wegvluchtten, werden gedood met pijlen die werden afgeschoten met opmerkelijk soepele bogen. Bedienden die langzamer liepen, werden bij elkaar gedreven en gedwongen op de grond te gaan liggen.

Egwene verlangde ernaar de Bron te omhelzen, iets te doen. Ze wilde vuur en bliksem over die indringers uitgieten. Ze had Vora’s sa’angreaal nog. Misschien kon ze...

Die gedachtegang onderdrukte ze snel. Ze was omringd door de vijand, en de snelle reactie van de geleiders gaf aan dat ze uitkeken naar Aes Sedai. Als Egwene ook maar één weving vormde, zou ze al gedood worden voordat ze er iets mee kon doen. Ze bleef ineengedoken naast Gawein zitten, onder zijn mantel, hopend dat geen van de Sharaanse geleiders dicht genoeg in de buurt kwam om haar vermogen te voelen. Ze kon een weving gebruiken om dat vermogen te verhullen, maar daarvoor zou ze eerst moeten geleiden. Durfde ze dat te proberen?

Ze verstopten zich zo zeker een uur. Als het wolkendek niet zo dicht was geweest, waardoor het land in eeuwige schemering was gehuld, zouden ze zeker zijn ontdekt, zwaardhandmantel of niet. Ze gaf bijna een gil toen een paar Sharaanse soldaten emmers water op de houtstapel gooiden om het vuur te doven, waarbij ook Egwene

en Gawein een plens over zich heen kregen.

Ze kon niets zien van haar eigen leger, maar ze vreesde het ergste. De Sharaanse geleiders en een groot deel van hun leger bewogen zich snel door het kamp naar het slagveld. Nu Brin en de soldaten weg waren, en nu er van achteren onverwachts een vijandelijk leger aankwam...

Egwene was misselijk. Hoeveel mensen stierven er, hoeveel waren er al dood? Gawein pakte haar arm toen hij haar voelde bewegen, schudde zijn hoofd en fluisterde geluidloos een paar woorden. Wacht tot het donker is.

Ze gaan dood! fluisterde ze terug.

Je kunt niets doen.

Het was waar. Ze liet zich door hem vasthouden, liet zich door zijn vertrouwde geur kalmeren. Maar hoe kon ze gewoon blijven wachten, terwijl soldaten en Aes Sedai die van haar afhankelijk waren werden afgeslacht? Licht, een groot deel van de Witte Toren was daar! Als dit leger viel, en die vrouwen erbij...

Ik ben de Amyrlin Zetel, hield ze zichzelf vastberaden voor. Ik zal sterk zijn. Ik zal overleven. Zolang ik leef, houdt de Witte Toren stand.

Ze bleef in Gaweins armen zitten.

Aviendha kroop over de rotsen als een winterhagedis op zoek naar warmte. Haar vingertoppen, hoe eeltig ze ook waren, begonnen te schrijnen van de gure wind. Het was in Shayol Ghul zo koud als in een grafkelder.

Rhuarc kroop links naast haar, en een Steenhond genaamd Shaen rechts van haar. Beiden droegen de rode hoofdband van de siswai’aman. Ze wist niet wat ze ervan moest denken dat Rhuarc, een clan-hoofd, die band had omgedaan. Hij had er nooit over gesproken, .ilsof die hoofdband helemaal niet bestond. Datzelfde gold voor alle siswai’aman. Amys kroop rechts van Shaen. Voor één keer had niemand tegenwerpingen gemaakt toen de Wijzen met de verkenners mee wilden. Op een plek als deze, in een tijd als deze, zouden de ogen van een geleider mogelijk dingen zien die gewone ogen ontgingen.

Aviendha trok zich geruisloos naar voren, ondanks de kettingen die ze om haar hals droeg. Er groeiden geen planten op deze rotsen, zelfs geen schimmels of korstmos. Ze bevonden zich nu diep in de Verwoeste Landen. Bijna zo diep als je maar kon gaan.

Rhuarc bereikte de richel als eerste en ze zag dat hij zijn spieren spande. Aviendha was de volgende. Toen ze over de rotsrand tuurde, laag blijvend om niet te worden gezien, bleef haar adem in haar keel steken.

Ze had verhalen gehoord over deze plek. Over de gigantische smidsoven onder aan de helling, waar een zwart riviertje omheen stroomde. Dat water was zo giftig geworden dat het je al zou doden als je het aanraakte. Overal in de vallei lagen haardvuren als open wonden die de mist eromheen rood kleurden. Als jonge Speervrouwe had ze met grote ogen geluisterd naar de verhalen die een stokoude dakvrouwe had verteld over de wezens die met de schaduwovens werkten. Schepsels die niet dood waren, maar ook niet leefden. Zwijgend liepen die afschrikwekkende wezens heen en weer, met passen waarin geen leven zat, als de tikkende wijzers van een klok.

De smeden besteedden weinig aandacht aan de kooien vol mensen wier bloed zou worden vergoten om gesmede klingen te temperen. De gevangenen hadden evengoed stukken ijzer kunnen zijn. Hoewel Aviendha te ver weg was om het gejammer van de mensen te horen, voelde ze hen wel. Haar vingers verstrakten op de rotsen.