Shayol Ghul zelf domineerde de vallei. De zwarte hellingen van de berg rezen steil omhoog als een gekarteld mes. De zijkanten waren doorsneden met diepe inhammen, als de huid van een man die honderd zweepslagen heeft gekregen, en elke inham was een kloof waar stoom uit spoot. Misschien veroorzaakte die stoom de mist die over de vallei lag. De mist wervelde en golfde, alsof de vallei een kom met vloeistof was.
‘Wat een vreselijke plek,’ fluisterde Amys.
Aviendha had nog nooit zoveel angst in de stem van die vrouw gehoord. Dat verkilde haar bijna evenzeer als de bittere wind die hun kleding liet wapperen. Het gekletter van smidshamers galmde door de lucht. Een zwarte rookzuil steeg op van de dichtstbijzijnde oven. Hij rees zonder te vervliegen als een navelstreng op naar de wolken erboven, waaruit haast doorlopend bliksems omlaag kwamen.
Ja, Aviendha had verhalen gehoord over deze plek. Maar die verhalen hadden niet de volledige waarheid kunnen overbrengen. Je kon deze plek niet beschrijven. Je moest hem met eigen ogen zien.
Er klonk geschraap achter hen, en even later kroop Rodel Ituralde naast Rhuarc. Hij bewoog zich vrij geruisloos, voor een natlander.
‘Was je zo ongeduldig dat je niet op ons verslag kon wachten?’ vroeg Rhuarc zachtjes.
‘Een verslag vertelt je nooit zoveel als je eigen ogen,’ antwoordde Ituralde. ‘Ik had niet beloofd dat ik zou achterblijven, ik zei dat je voorop moest gaan. En dat heb je gedaan.’ Hij hief zijn kijkglas en legde zijn hand om de voorkant om er schaduw op te werpen, hoewel dat waarschijnlijk met die bewolking niet nodig was.
Rhuarc fronste. Hij en de andere Aiel die naar het noorden waren gekomen, hadden beloofd een natlandergeneraal te volgen, maar toch zat het hen niet lekker. En dat hoefde ook niet. Ze hoefden hier niet aan te wennen. Gewenning was de grote doder van mensen.
Laat het genoeg zijn, dacht Aviendha, die weer in de vallei keek. Genoeg voor mijn volk. Genoeg voor Rhand en de taak die hij moet verrichten.
Het aanschouwen van de ondergang van haar volk had haar misselijk gemaakt en van afgrijzen vervuld, maar het had haar ook doen ontwaken. Als het einde van de Aiel het offer was dat nodig was om Rhand de overwinning te bezorgen, zou ze het brengen. Ze zou de naam van de Schepper schreeuwen en vervloeken, maar ze zou die prijs betalen. Dat gold voor elke strijder. Het einde van één volk was beter dan dat de hele wereld onder de Schaduw viel.
Hopelijk zou het niet zover komen. Hopelijk zou hun werk onder de Vrede van de Draak de Aiel beschermen en behoeden. Ze zouden zich niet laten weerhouden door de mogelijkheid van falen. Ze zouden vechten. Ontwaken uit de droom was altijd een mogelijkheid wanneer de speren werden gedanst.
‘Hmm,’ bromde Ituralde zachtjes, nog steeds kijkend door zijn kijkglas. ‘Wat denk je ervan, Aiel?’
‘We moeten een afleiding op touw zetten,’ zei Rhuarc. ‘We kunnen de helling pal ten oosten van de oven afgaan, die gevangenen bevrijden en de boel kort en klein slaan. Dan krijgen de Myrddraal geen nieuwe wapens meer en blijven de ogen van de Duistere op ons gericht, en niet op de Car’a’carn.’
‘Hoe lang zal de Draak nodig hebben?’ vroeg Ituralde. ‘Wat denk je, Aiel? Hoeveel tijd geven we hem om de wereld te redden?’
‘Hij moet vechten,’ zei Amys. ‘Eerst moet hij die berg binnengaan, en het dan tegen Zichtzieder opnemen. Het zal duren zolang het duurt. Een paar uur, misschien? Ik heb tweegevechten nooit veel langer zien doorgaan, zelfs niet tussen twee zeer vaardige mannen.’
‘Laten we aannemen,’ zei Ituralde glimlachend, ‘dat dit wat meer zal zijn dan een tweegevecht.’
‘Ik ben niet achterlijk, Rodel Ituralde,’ bitste Amys. ‘Ik denk niet dat het gevecht van de Car’a’carn tussen speren en schilden zal gaan. Maar toen hij de Bron reinigde, is dat toen ook niet binnen één dag gebeurd? Misschien zal dit net zo gaan.’
‘Misschien,’ zei Ituralde. ‘Misschien niet.’ Hij liet het kijkglas zakken en keek naar de Aiel. ‘Met welke mogelijkheid zou je het liefst rekening houden?’
‘De slechtste,’ antwoordde Aviendha.
‘Dus houden we stand zolang de Draak ons nodig heeft,’ besloot Ituralde. ‘Dagen, weken, maanden... jaren? Zo lang als het duurt.’
Rhuarc knikte langzaam. ‘Wat stel je voor?’
‘De pas naar de vallei is smal,’ antwoordde Ituralde. ‘Volgens verslagen van verkenners zit het meeste Schaduwgebroed dat nog in de Verwording is voorbij die pas daar. Zelfs zij komen zo weinig mogelijk op deze verdoemde plek. Als we de pas kunnen afsluiten en deze vallei in handen kunnen krijgen – die smeden en de paar Schimmen daar beneden vernietigen – kunnen we hier tijden standhouden. Jullie Aiel zijn goed in snel aanvallen en terugtrekken, dat weet ik uit persoonlijke ervaring. Jullie vallen die smederij aan, en wij beginnen met het afsluiten van de pas.’
Rhuarc knikte. ‘Dat is goed.’
Ze liepen met hun vieren naar de richel waar Rhand stond te wachten, gekleed in rood en goud, met zijn armen op zijn rug. Hij werd bewaakt door twintig Speervrouwen en zes Asha’man, en Nynaeve en Moiraine waren ook bij hem. Hij was ergens heel ongerust over – ze voelde het – hoewel hij eigenlijk blij had moeten zijn. Hij had de Seanchanen overgehaald om mee te vechten. Wat had hem zo verontrust tijdens zijn bespreking met Egwene Alveren?
Rhand draaide zich om en keek naar de top van Shayol Ghul. Terwijl hij daarnaar staarde, veranderden zijn gevoelens. Hij leek wel een man in het Drievoudige Land die naar een fontein vol koel water keek. Aviendha voelde zijn verwachting. Er zat ook angst in hem, natuurlijk. Geen enkele strijder kon zichzelf ooit helemaal ontdoen van de angst. Maar hij beheerste het, verdronk het in zijn dorst om dit gevecht te leveren en zichzelf te beproeven.
Je kon jezelf nooit echt kennen totdat je tot je uiterste grens werd beproefd. Totdat je de speren danste met de dood, je bloed voelde wegsijpelen en de grond bevlekken, of tot je wapen in het kloppende hart van je vijand werd gedreven. Rhand Altor verlangde daarnaar, en daarin begreep ze hem. Het was vreemd om te beseffen, na zo lange tijd, hoeveel ze eigenlijk op elkaar leken.
Aviendha stapte naar hem toe, en hij draaide zich om zodat hij vlak naast haar stond, met zijn schouder tegen de hare. Hij legde geen arm om haar heen en zij pakte zijn hand niet. Hij bezat haar niet, en zij bezat hem niet. Het feit dat hij zich had omgedraaid zodat ze dezelfde kant op keken, betekende voor haar veel meer dan elk ander gebaar.
‘Schaduw van mijn hart,’ vroeg hij zachtjes, kijkend naar zijn Asha’man die een Poort opende, ‘wat heb je gezien?’
‘Een graf,’ antwoordde ze.
‘Het mijne?’
‘Nee. Van je vijand. De plek waar hij ooit begraven lag, en de plek waar hij opnieuw zal sluimeren.’
Er verhardde iets binnen in Rhand. Ze voelde zijn vastberadenheid.
‘Je wilt hem doden, hè?’ fluisterde Aviendha. ‘Zichtzieder zelf.’
‘Ja.’
Ze wachtte.
‘Anderen zeggen dat het een dwaze gedachte van me is,’ zei Rhand. Zijn wachters stapten door de Poort terug naar Merrilor.
‘Geen enkele strijder moet een strijd aangaan als hij niet de bedoeling heeft om die strijd te voltooien,’ zei Aviendha. Ze aarzelde toen ze het gezegd had, omdat haar iets anders te binnen schoot.
‘Wat is er?’ vroeg Rhand.
‘Nou, de gróótste overwinning zou zijn als je je vijand tot je gai’shain maakt.’
‘Ik denk niet dat hij zich daaraan zou onderwerpen,’ zei Rhand.
‘Je moet geen grappen maken.’ Ze gaf hem een por in zijn ribben, waarop hij gromde. ‘Je moet hierover nadenken, Rhand Altor. Wat is de betere ji’e’toh? Staat het kerkeren van de Duistere gelijk aan wanneer je hem gai’shain maakt? Zo ja, dan is dat de juiste keus.’
‘Ik weet niet of ik er deze keer wel om geef wat “juist” is, Aviendha.’
‘Een strijder moet altijd denken aan ji’e’toh,’ zei ze streng. ‘Heb ik je dan niets geleerd? Spreek niet zo, anders beschaam je me weer in dc ogen van de andere Wijzen.’
‘Ik had gehoopt, nu onze verhouding zoveel vorderingen heeft gemaakt, dat we klaar zouden zijn met de lessen, Aviendha.’