Выбрать главу

‘Dacht je dat de lessen zouden eindigen als je hechter met me werd?’ vroeg ze ongelovig. ‘Rhand Altor, ik heb kennisgemaakt met echtgenotes van natlanders, en ik heb gezien dat ze...’

Hij schudde zijn hoofd en stapte door de Poort. Aviendha volgde hem. Hij leek vermaakt, en dat was goed. Iets van zijn ongerustheid was verdwenen. Maar dit was echt geen grap. Natlanders begrepen soms helemaal niet wanneer ze moesten lachen.

Aan de andere kant van de Poort betraden ze een kamp dat uit vele groepen bestond. Rhand had het bevel over de Speervrouwen, de siswai’aman en de meeste Wijzen.

Vlak buiten het Aielkamp kampeerden de Aes Sedai. Rhand voerde het bevel over ongeveer drie dozijn van hen, allemaal Aes Sedai die persoonlijk trouw aan hem hadden gezworen, de meesten van hen gebonden aan zijn Asha’man. Dat betekende nog eens twee dozijn Asha’man van verschillende rangen.

Hij had ook Rodel Ituralde en zijn leger, dat voornamelijk uit Domani bestond. Hun koning, met zijn vlassige baard en de schoon-heidsvlek op zijn wang, reed ook met hen mee, maar hij liet de bevelvoering aan de grote kapitein over. Toen de monarch wenkte, liep Ituralde naar hem toe om verslag te doen. Alsalam leek zich niet op zijn gemak te voelen bij Rhand en ging nooit mee op verkenning als de Draak meeging. Aviendha was wel blij met die regeling. Ze wist niet zeker of ze Alsalam wel vertrouwde.

Buiten het Aielkamp kampeerde nog een grote militaire verzameling, het Tyreense leger, waaronder de elitetroep die bekendstond als de Verdedigers van de Steen, geleid door een man genaamd Rodrivar Tihera. Hun koning was ook bij hen, en hij werd algemeen gezien als het hoogste gezag van hun verzamelde legers, op Rhand na.

De Tyreners zouden een sleutelrol spelen in Rodel Ituraldes strategieën. Hoezeer het Aviendha ook tegenstond om het toe te geven, Ituralde had gelijk. De Aiel waren geen defensief leger, en hoewel ze indien nodig een pas konden verdedigen, konden zij beter worden ingezet voor aanvallen.

De Tyreners waren volmaakt geschikt voor het vasthouden van terrein. Ze hadden geoefende groepen piekeniers en een volledig eskader kruisboogschutters met een nieuw soort kruisboogzwengel, waarover de smeden pas onlangs kennis hadden verkregen. Ze hadden de afgelopen week besteed aan het ombouwen van de wapens naar de nieuwe stijl.

Er was nog een groep bij Rhands leger, en die was voor Aviendha het meest onbegrijpelijk. Draakgezworenen in grote aantallen. Ze kampeerden bij elkaar en voerden een vlag met een afbeelding van een draak en het oude symbool van de Aes Sedai. Hun groep bestond uit burgers, soldaten, edelen, adellijke vrouwen en enkele Aes Sedai en zwaardhanden. Ze kwamen uit alle naties, ook van de Aiel, en deelden slechts één ding met elkaar: ze hadden alle trouw afgezworen, alle banden verbroken, om te strijden in de Laatste Slag. Aviendha had zorgwekkende geruchten gehoord dat veel Aiel onder hen gai’shain waren die het wit hadden afgelegd, bewerend dat ze het weer zouden opnemen als de Laatste Slag gewonnen was.

Men zei dat Rhands komst de mens van alle banden bevrijdde. Geloften losten in niets op als hij naderde, en elke belofte van trouw of bondgenootschap was ondergeschikt aan de behoefte om hem te dienen in dit laatste gevecht voor de mensheid. Een deel van haar was geneigd dat af te doen als de dwaasheid van natlanders, maar misschien gebruikte ze die woorden te gemakkelijk. Een Wijze moest zien met scherpere ogen.

Nu ze aan de andere kant van de Poort waren, liet Aviendha eindelijk saidar los. De wereld werd matter, de levendigheid en verwondering verdampten. Elke keer als ze de Ene Kracht losliet voelde ze zich een beetje hol, want de vreugde en spanning verlieten haar.

Ituralde en Rhuarc gingen naar koning Darlin toe om hun strategieën te bespreken. Aviendha liep mee naar de tent van Rhand.

‘De dolk heeft gewerkt,’ zei Rhand. Hij legde zijn hand op de zwarte schede met het doffe mes erin. ‘Artham. Ik had erover gehoord, in de Eeuw der Legenden, maar niemand had er ooit een gemaakt. Ik vraag me af wie het uiteindelijk voor elkaar heeft gekregen...’

‘Weet je zeker dat hij gewerkt heeft?’ vroeg Aviendha. ‘Misschien keek hij wel naar je zonder zich te onthullen.’

‘Nee, dat zou ik hebben gevoeld,’ zei Rhand. ‘Hij heeft echt gewerkt. Hiermee voelt hij me pas als ik pal voor de Bres sta. En als hij eenmaal weet dat ik er ben, zal hij moeite hebben me te zien, me rechtstreeks aan te vallen. Aviendha, dat jij dat ding vond en herkende, dat Elayne het naar mij toe heeft gestuurd... Het Patroon weeft ons allemaal op de plek waar we moeten zijn.’

Rhand glimlachte, en toen voegde hij eraan toe: ‘Elayne klonk droevig toen ze me die dolk stuurde. Ik denk dat ze hem liever had willen houden, omdat ze daarmee de naam van de Duistere kon vervloeken zonder zijn aandacht te trekken.’

‘Vind je dit nu echt een tijd voor luchtigheid?’ vroeg Aviendha, die boos naar hem keek.

‘Als er ooit een tijd was om te lachen, dan is dit het,’ zei Rhand, hoewel de lach uit zijn stem verdwenen leek te zijn. Zijn ongerustheid keerde terug toen ze zijn tent bereikten.

‘Wat zit je dwars?’ vroeg Aviendha.

‘Ze hebben de zegels,’ zei Rhand.

‘Wat?’

‘Alleen Egwene weet het, maar het is waar. Ze zijn gestolen, misschien uit mijn bergplaats, of misschien nadat ik ze aan Egwene had gegeven.’

‘Dan zijn ze gebroken.’

‘Nee,’ zei Rhand. ‘Dat zou ik voelen. Ik denk dat ze wachten. Misschien weten ze dat ze de weg voor me vrijmaken om zijn kerker opnieuw te maken als ze de zegels breken. Ze zullen ze op exact het verkeerde ogenblik breken, zodat de Duistere de wereld kan aanraken. Misschien krijgt hij dan de kracht om me te overstelpen als ik het tegen hem opneem...’

‘Daar zullen we een stokje voor steken,’ zei Aviendha vastbesloten.

Hij keek haar aan en glimlachte. ‘Altijd de strijder.’

‘Natuurlijk.’ Wat kon ze anders zijn?

‘Ik heb nog een zorg. De Verzakers zullen proberen me aan te vallen als ik naar binnen ga om het tegen hem op te nemen. De Duistere kan me niet zien, hij weet niet waar ik ben, dus moet hij zijn troepen verdelen over de verschillende fronten. De Schaduw zet Lan onder druk en probeert hem te vernietigen, en hij zet Elayne bijna evenzeer onder druk in Cairhien. Alleen Egwene lijkt enige vooruitgang te boeken.

Hij zoekt mij op elk van die slagvelden, zet zijn schepsels in grote aantallen in. Als we Shayol Ghul aanvallen, moeten we de vallei tegen zijn legers kunnen beschermen. Maar de Verzakers zullen door Poorten komen. Een bergpas zal hen niet tegenhouden, of de Gruwheren. Mijn gevecht tegen de Duistere zal hun aandacht trekken en ze lokken, net als de Zuivering, maar dan duizend keer zo sterk. Ze zullen met vuur en donder komen, en ze zullen doden.’

‘Wij ook.’

‘Daar reken ik op,’ zei Rhand. ‘Maar ik kan het me niet veroorloven om jou mee die grot in te nemen, Aviendha.’

Ze kreeg een ontmoedigd gevoel, maar ze viel het aan, doorstak het, liet het sterven. ‘Dat vermoedde ik al. Denk maar niet dat je me naar de veiligheid kunt sturen, Rhand Altor. Je zou...’

‘Ik zou niet durven,’ zei hij. ‘Ik zou vrezen voor mijn leven als ik het zou proberen. En trouwens, er is nu nergens meer een veilige plek. Ik kan je niet mee die grot in nemen omdat je nodig zult zijn in de vallei. Je moet uitkijken naar de Verzakers en de zegels. Ik heb je nódig, Aviendha. Ik heb jullie alle drie nodig. Jullie moeten een oogje in het zeil houden en mijn handen zijn – mijn hart – tijdens deze strijd. Ik stuur Min naar Egwene toe. Er gaat daar iets gebeuren, ik weet het zeker. Elayne zal in het zuiden vechten, en jij... Ik heb jou nodig in de vallei van Thakan’dar, om me rugdekking te geven.

Ik zal bevelen achterlaten voor de Aes Sedai en Asha’man, Aviendha. Ituralde leidt onze troepen, maar jij voert het bevel over onze geleiders bij Shayol Ghul. Jij moet zorgen dat de vijand niet achter mij aan de grot in komt. Jij bent mijn speer in deze strijd. Als ze bij me komen terwijl ik in de grot ben, ben ik hulpeloos. Wat ik moet doen, zal alles van me vergen, al mijn concentratie, elk beetje kracht dat ik heb. Ik zal een zuigeling in de wildernis zijn, machteloos tegen de beesten.’