‘En waarin verschilt dat van hoe je anders bent, Rhand Altor?’ vroeg ze.
Hij lachte. Het voelde goed om die lach tegelijkertijd te zien en te voelen. ‘Ik dacht dat je zei dat dit geen tijd was voor luchtigheid.’
‘Iemand moet je nederig houden,’ zei Aviendha. ‘Je moet niet de indruk krijgen dat je iets voorstelt alleen omdat je de wereld redt.’
Hij lachte weer en leidde haar naar de tent. Nynaeve, Min en Moiraine zaten binnen, een van hen met een geërgerd gezicht, de andere twee sereen. Nynaeve zag er heel vreemd uit nu haar haar niet meer lang genoeg was om te vlechten. Vandaag had ze het opgestoken.
Moiraine zat rustig op een grote steen, met Callandor – het Zwaard dat geen zwaard is – op haar schoot en één hand beschermend op het gevest. Thom zat naast haar te snijden aan een tak en zachtjes in zichzelf te fluiten.
‘Je had me mee moeten nemen, Rhand,’ zei Nynaeve, die haar armen over elkaar sloeg.
‘Jij had werk te doen,’ kaatste Rhand terug. ‘Heb je geprobeerd wat ik gevraagd had?’
‘Steeds opnieuw,’ antwoordde Nynaeve. ‘Er valt niet om het gebrek heen te werken, Rhand. Je kunt Callandor niet gebruiken. Het is te gevaarlijk.’
Rhand stapte naar Moiraine toe en stak zijn hand uit, en ze gaf hem Callandor. Hij tilde het zwaard voor zich op en keek naar de kristallijnen kling. Die begon zachtjes te gloeien. ‘Min, ik heb een opdracht voor je,’ fluisterde hij. ‘Egwene doet goed werk, en ik heb het gevoel dat haar front het belangrijkste zal zijn. Ik wil dat je naar haar toe gaat en een oogje houdt op haar en de Seanchaanse keizerin, die ik heb gevraagd naar dat front te gaan zodra hun troepen klaar zijn.’ ‘Wil je de Seanchanen aan Egwenes front hebben?’ vroeg Moiraine vol afgrijzen. ‘Is dat wel verstandig?’
‘Ik weet de laatste tijd het verschil niet meer tussen verstandig en onbezonnen,’ zei Rhand. ‘Maar het zou me geruststellen als iemand een oogje op die twee groeperingen houdt. Min, wil jij dat doen?’ ‘Ik hoopte eigenlijk...’ Min wendde haar blik af.
Ze hoopte dat hij haar mee de grot in zou nemen, dacht Aviendha. Maar natuurlijk kon dat niet.
‘Het spijt me, Min,’ zei Rhand. ‘Maar ik heb je nodig.’
‘Ik zal het doen.’
‘Rhand,’ zei Nynaeve. ‘Neem je Callandor mee als je hem aanvalt? De zwakte ervan... zolang je door dat... dat ding geleidt, kan iedereen de macht over je grijpen. Ze kunnen je gebruiken, en ze kunnen via Callandor zoveel van de Ene Kracht in jou laten stromen dat je opbrandt. Dan ben je machteloos, terwijl zij de kracht hebben om bergen en steden te verwoesten.’
‘Ik neem hem mee,’ zei Rhand.
‘Maar het is een valstrik!’ wierp Nynaeve tegen.
‘Ja,’ zei Rhand vermoeid. ‘Een valstrik waar ik in moet stappen en die ik moet laten dichtslaan.’ Ineens gooide hij lachend zijn hoofd in zijn nek. ‘Zoals altijd! Waarom ben ik nog verbaasd? Maak het bekend, Nynaeve. Zeg het tegen Ituralde, Rhuarc, koning Darlin. Morgen gaan we Shayol Ghul binnen en eisen het op! Als we ons hoofd dan toch in de muil van de leeuw moeten steken, laten we dan zorgen dat hij in ons stikt!’
21
Een niet te negeren fout
Siuan draaide met haar schouders. Ze grimaste bij de scherpe pijn.
‘Yukiri,’ gromde ze, ‘die weving van je is nog niet volmaakt.’
De nukkige Grijze snoof en stond op van het bed van een soldaat die zijn hand was kwijtgeraakt. Ze had hem niet Geheeld, maar hem overgelaten aan aardsere genezers met verband. Het had geen zin om Helende kracht te verspillen aan deze man, want hij zou nooit meer vechten. Ze moesten hun krachten bewaren voor soldaten die zich weer bij de strijd konden voegen.
Het was een harde benadering, maar dit waren dan ook harde tijden. Siuan en Yukiri liepen naar de volgende soldaat in de rij van gewonden. De man met de afgehakte hand zou ook zonder Heling blijven leven. Waarschijnlijk. Ze hadden de Gelen in Mayene, maar al hun krachten waren nodig voor het Helen van Aes Sedai die de ontsnapping hadden overleefd en soldaten die nog konden vechten.
Overal in het provisorische kamp, opgezet op Arafels grondgebied ten oosten van de voorde in de rivier, huilden en kreunden soldaten. Zoveel gewonden, en Siuan en Yukiri behoorden tot de weinige Aes Sedai die nog de kracht hadden om te Helen. De meeste anderen hadden zichzelf uitgeput bij het maken van Poorten om hun troepen tussen de twee vijandelijke legers vandaan te halen.
De Sharanen hadden agressief de aanval ingezet, maar het kamp van de Witte Toren had hen enigszins afgeleid, waardoor hun leger lijd had gehad om te vluchten. Delen ervan, althans.
Yukiri Schouwde de volgende man en knikte. Siuan knielde neer en begon een Helende weving. Ze was hier nooit erg goed in geweest, en zelfs met een angreaal vergde het veel van haar. Ze haalde de soldaat terug van het randje van de dood en Heelde de wond in zijn zij. Hij hijgde, aangezien veel van de energie voor het Helen uit zijn eigen lichaam werd geput.
Siuan zakte uitgeput op haar knieën. Licht, ze was zo wankel als een adellijke vrouw die voor het eerst op het dek van een schip stond!
Yukiri bekeek haar even en stak vragend haar hand uit naar de angreaal, een kleine stenen bloem. ‘Ga rusten, Siuan.’
Siuan klemde haar kaken op elkaar, maar ze overhandigde de angreaal. De Ene Kracht ontglipte haar en ze slaakte een diepe zucht, half opgelucht en half bedroefd toen de schoonheid van saidar haar verliet.
Yukiri liep naar de volgende soldaat. Siuan ging liggen waar ze knielde. Haar lichaam klaagde over haar talloze blauwe plekken en pijntjes. De afgelopen slag was een waas voor haar. Ze herinnerde zich dat de jonge Gawein Trakand de bevelstent binnen was gestormd, roepend dat Egwene wilde dat het leger zich terugtrok.
Brin had meteen gehandeld en een geschreven bevel door de Poort in de vloer gegooid. Dat was zijn nieuwste methode om bevelen door te geven: een pijlschacht met een briefje en een lang lint eraan, van hoog in de lucht door een Poort gegooid. Er zat geen pijlpunt aan de schacht, alleen maar een kiezeltje om hem te verzwaren.
Brin was al rusteloos geweest voordat Gawein verscheen. Het beviel hem niet hoe deze strijd verliep. De bewegingen van de Trolloks hadden hem gewaarschuwd, net zoals ze Gawein hadden gewaarschuwd, dat de Schaduw iets in zijn schild voerde. Siuan was ervan overtuigd dat hij die bevelen al klaar had liggen.
En toen hadden ze de ontploffingen in het kamp gehoord. En Yukiri die gilde dat ze door het gat in de vloer moesten springen. Licht, Siuan had gedacht dat die vrouw gek was! Gek genoeg om hen allemaal het leven te redden, blijkbaar.
Ik mag branden als ik hier blijf liggen als de vangst van gisteren, dacht Siuan, opstarend naar de lucht. Ze werkte zich overeind en beende door het nieuwe kamp.
Yukiri beweerde dat haar weving niet zo héél onbekend was, hoewel Siuan er nog nooit van had gehoord. Een gigantisch kussen van Lucht, om iemand op te vangen die van grote hoogte was gevallen. Toen ze die maakte, had dat de aandacht getrokken van de Sharanen – Sharanen, nog wel! – maar ze waren ontkomen. Zij, Brin, Yukiri en een paar bedienden. Het Licht verzenge haar, ze waren ontkomen, hoewel ze nog steeds ineenkromp als ze terugdacht aan die val. En Yukiri bleef maar zeggen dat die weving mogelijk het geheim was om te ontdekken hoe je kon vliegen! Dom mens. De Schepper had de mens niet voor niets geen vleugels gegeven.
Ze trof Brin aan de rand van het nieuwe kamp. Hij zat uitgeput op een boomstronk. Twee slagveldkaarten lagen uitgespreid op de grond voor hem, op de hoeken verzwaard met stenen. De kaarten waren gekreukeld, omdat hij ze had meegegrist toen de tent begon te ontploffen.
Dwaze vent, dacht ze. Zijn leven wagen voor een paar vellen papier.
‘... uit verslagen,’ hoorde ze generaal Haerm nog zeggen, de nieuwe bevelhebber van de Illiaanse Gezellen. ‘Het spijt me, heer. De verkenners durven niet te dicht bij het oude kamp te komen.’