Выбрать главу

‘Geen spoor van de Amyrlin?’ vroeg Siuan.

Brin en Haerm schudden allebei hun hoofd.

‘Blijf zoeken, jongeman.’ Siuan zwaaide met haar vinger naar Haerm. Hij trok zijn wenkbrauw op toen ze hem ‘jongeman’ noemde. Het Licht verzenge dat jeugdige gezicht van haar. ‘Ik meen het. De Amyrlin leeft nog. Vind haar, hoor je me?’

‘Ik... Ja, Aes Sedai.’ Hij toonde wel enige eerbied, maar niet genoeg. Die Illianers wisten niet hoe je Aes Sedai hoorde te behandelen.

Brin stuurde de man weg, en voor één keer leek het erop dat er niet alweer iemand stond te wachten om met hem te kunnen spreken. Iedereen was waarschijnlijk te uitgeput. Hun ‘kamp’ leek meer op een groep mensen die waren gevlucht voor een uitslaande brand dan op een leger. De meeste mannen hadden zich in mantels gehuld en waren gaan slapen. Net als zeelui hadden soldaten het vermogen om te slapen waar en wanneer dat maar even kon.

Siuan kon het ze niet kwalijk nemen. Ze was zelf al uitgeput geweest voordat de Sharanen aankwamen. Nu was ze zo moe als de dood zelf. Ze ging op de grond naast Brins stronk zitten.

‘Doet je arm nog pijn?’ vroeg Brin, die over haar schouder wreef.

‘Dat voel jij ook wel,’ gromde Siuan.

‘Ik bedoel het goed, Siuan.’

‘Denk maar niet dat ik ben vergeten dat die blauwe plek jouw schuld is.’

‘Mijn schuld?’ vroeg Brin vermaakt.

‘Jij hebt me door dat gat geduwd.’

‘Ik dacht niet dat je uit jezelf zou springen.’

‘Dat wilde ik net doen. Ik was bijna zover.’

‘Natuurlijk,’ zei Brin.

‘Het is jouw schuld,’ drong Siuan aan. ‘Ik struikelde. Het was niet mijn bedoeling om te struikelen. En Yukiri’s weving... vreselijk ding.’

‘Het werkte,’ zei Brin. ‘Ik denk dat niet veel mensen die van driehonderd passen naar beneden zijn gevallen het nog kunnen navertellen.’

‘Ze was te gretig,’ zei Siuan. ‘Ze wilde ons waarschijnlijk al een hele tijd laten springen. Al dat geklets over Reizen en verplaatsende wevingen...’ Ze liet haar stem wegsterven, deels omdat ze zich aan zichzelf ergerde. Deze dag was al belabberd genoeg zonder dat ze tegen Brin mopperde. ‘Hoeveel zijn we er kwijtgeraakt?’ Dat was een al niet veel beter onderwerp, maar ze moest het weten. ‘Hebben we al verslagen binnen?’

‘Bijna één op de twee soldaten,’ zei Brin zacht.

Erger dan ze had vermoed. ‘En de Aes Sedai?’

‘We hebben er nog ongeveer tweehonderdvijftig over,’ antwoordde Brin. ‘Hoewel een aantal van hen in een schoktoestand verkeren omdat hun zwaardhanden zijn gesneuveld.’

Dat was een nog grotere ramp. Honderdtwintig Aes Sedai dood binnen een paar uur? Het zou heel lang duren voordat de Witte Toren zich daarvan had hersteld.

‘Het spijt me, Siuan.’

‘Bah,’ zei Siuan. ‘De meesten van hen behandelden me toch als een bergje vissendarmen. Ze wilden me niet als Amyrlin, ze lachten toen ik werd afgezet, en ze maakten een bediende van me toen ik terugkeerde.’

Brin knikte, nog altijd wrijvend over haar schouder. Hij voelde dat ze verdriet had, ondanks haar woorden. Er waren goede vrouwen overleden. Veel goede zusters.

‘Ze leeft nog,’ zei Siuan koppig. ‘Egwene zal ons nog verrassen, Brin. Let maar op.’

‘Als ik oplet, zal het niet zo’n grote verrassing zijn, hè?’

Siuan gromde. ‘Dwaze kerel.’

‘Je hebt gelijk,’ zei hij somber. ‘Op allebei de punten. Ik denk dat Egwene ons inderdaad zal verbazen. En ik ben een dwaze kerel.’

‘Brin...’

‘Het is zo, Siuan. Hoe kon het me ontgaan dat ze tijd rekten? Ze wilden ons bezighouden totdat dat andere leger zich kon verzamelen. De Trolloks trokken zich terug naar die heuvels. Een defensieve zet. Trolloks zijn niet defensief. Ik nam aan dat ze alleen maar probeerden een hinderlaag op te zetten, en dat ze daarom doden mee terug namen en zich daar ingroeven. Als ik ze eerder had aangevallen, zou dit nooit zijn gebeurd. Ik was te voorzichtig.’

‘Een man die de hele dag treurt om de vangst die hij is misgelopen vanwege een storm, verspilt tijd terwijl de hemel weer helder is.’

‘Dat is een slim gezegde, Siuan,’ zei hij. ‘Maar er is ook een gezegde onder generaals, geschreven door Fogh de Onvermoeibare. “Als je niet leert van je nederlagen, word je erdoor geregeerd.” Ik snap niet hoe ik dit kon laten gebeuren. Ik ben beter opgeleid, beter voorbereid! Dit is een niet te negeren fout, Siuan. Het Patroon zelf staat op het spel.’

Hij wreef over zijn voorhoofd. In het schamele licht van de ondergaande zon oogde hij ouder, zijn gezicht gerimpeld, zijn handen broos. Het leek wel alsof deze slag hem tientallen jaren van zijn leven had gekost. Hij zuchtte en leunde met zijn ellebogen op zijn knieën.

Siuan wist niet wat ze moest zeggen.

Ze bleven zwijgend zitten.

Lyrelle wachtte buiten de poorten van de zogenaamde Zwarte Toren. Ze moest uit alles putten wat ze tijdens haar opleiding had geleerd om haar frustratie niet te laten blijken.

Deze hele onderneming was van het begin af aan een ramp geweest. Eerst had de Zwarte Toren hen niet binnen willen laten totdat de Roden hun ding hadden gedaan, en dat was gevolgd door die problemen met Poorten. Dat was gevolgd door drie bellen van kwaad, Twee pogingen van Duistervrienden om hun hele groep uit te moorden, en vervolgens de waarschuwing van de Amyrlin dat de Zwarte Toren zich bij de Schaduw had aangesloten.

Lyrelle had de meeste van haar zusters op aandringen van de Amyrlin naar Lan Mandragoran gestuurd om met hem mee te strijden. Zij was met een paar vrouwen achtergebleven om een oogje op de Zwarte Toren te houden. En nu... nu dit. Wat moest ze hiervan denken?

‘Ik kan u verzekeren,’ zei de jonge Asha’man, ‘dat het gevaar is geweken. We hebben de M’Hael en zijn trawanten verdreven. De rest van ons loopt in het Licht.’

Lyrelle wendde zich tot haar metgezellen: één afgevaardigde van elke Ajah en een ondersteunende groep – vanochtend wanhopig opgeroepen toen de Asha’man haar voor het eerst hadden benaderd – van nog eens dertig zusters. Die vrouwen aanvaardden Lyrelles leiderschap hier, zij het schoorvoetend.

‘We zullen het bespreken,’ zei ze, en ze stuurde de jonge Asha’man met een knik weg. Ze wendde zich tot de anderen.

‘Wat moeten we doen?’ vroeg Mijrelle. De Groene was al van het begin af aan bij Lyrelle en was een van de weinigen die Lyrelle niet had weggestuurd, deels omdat ze de zwaardhanden van die vrouw in de buurt wilde houden. ‘Als er Asha’man voor de Schaduw vechten...’

‘De Poorten werken weer,’ zei Seaine. ‘Er is hier iets veranderd in de dagen sinds we voelden dat daarbinnen werd geleid.’

‘Ik vertrouw het niet,’ zei Mijrelle.

‘We moeten zekerheid hebben,’ zei Seaine. ‘We kunnen de Zwarte Toren niet onbewaakt achterlaten tijdens de Laatste Slag. We móéten zorgen dat die mannen onder de duim zijn, hoe dan ook.’

De mannen van de Zwarte Toren beweerden dat slechts een aantal van hen zich bij de Schaduw had aangesloten, en dat het geleiden dat ze hadden gevoeld was gebeurd tijdens een aanval door de Zwarte Ajah.

Het stak Lyrelle om die woorden te horen. Zwarte Ajah. Eeuwenlang had de Witte Toren het bestaan van Duistervrienden onder de Aes Sedai ontkend. Nu was helaas de waarheid onthuld. Dat betekende nog niet dat ze het prettig vond als mannen die term zo achteloos gebruikten. Vooral niet mannen zoals deze.

‘Als ze ons hadden willen aanvallen,’ zei Lyrelle peinzend, ‘dan zouden ze dat hebben gedaan toen we niet konden ontsnappen via Poorten. Voorlopig zal ik ervan uitgaan dat ze hun... probleem hebben opgelost. Zoals gevraagd was van de Witte Toren.’

‘Dus we gaan naar binnen?’ vroeg Mijrelle.

‘Ja. We binden de mannen die ons beloofd waren. Zij zullen hoe dan ook de waarheid wel aan ons onthullen.’ Het zat Lyrelle dwars dat de Herrezen Draak hun niet de hoogsten onder de Asha’man wilde laten binden, maar ze had een tijd geleden al iets bedacht. Dat zou nog steeds kunnen lukken. Ze zou de mannen eerst vragen een proeve te geven van hun vaardigheid met de Ene Kracht en dan degene binden die haar het sterkst leek. Ze zou hem vervolgens vragen welke van de andere leerlingen het meest getalenteerd waren, zodat haar zusters die mannen konden binden.