‘Dit is een list,’ zei Lyrelle tegen Androl. ‘Een kinderachtige list.’
‘Ik vond het zelf nogal slim,’ kaatste Androl op koele toon terug. ‘Een Aes Sedai waardig, zou je kunnen zeggen. Er was jullie beloofd dat elk lid van de Zwarte Toren, behalve de volleerde Asha’man, zou voldoen aan jullie verzoek. Dat zullen ze doen. Elke man die hier staat.’
‘En ongetwijfeld heb je de zwaksten voor me uitgekozen.’
‘Eigenlijk,’ zei Androl, ‘hebben we gewoon de vrijwilligers uitgekozen. Het zijn goede mannen, stuk voor stuk. Dit zijn degenen die zwaardhand willen worden.’
‘De Herrezen Draak zal hiervan horen.’
‘Voor zover ik heb begrepen,’ zei Androl, ‘kan hij nu ieder ogenblik naar Shayol Ghul vertrekken. Gaat u daar dan ook naartoe, alleen om uw beklag te doen?’
Lyrelle perste haar lippen opeen.
‘Luister, Aes Sedai,’ vervolgde Androl. ‘De Herrezen Draak heeft ons eerder vandaag een boodschap gestuurd. Hij heeft ons opgedragen één laatste les te leren: dat we onszelf niet moeten zien als wapens, maar als mannen. Nou, mannen hebben zelf iets te zeggen over hun lot, en wapens niet. Hier zijn uw mannen, Aes Sedai. Eerbiedig ze.’
Androl maakte nog een buiging en liep weg. Pevara aarzelde, maar toen wendde ze haar paard en volgde hem.
Lyrelle zag iets in het gezicht van die vrouw toen ze naar Androl keek. Dus dat is het, dacht ze. Net zo erg als een Groene, zij. Ik had meer verwacht van iemand van haar leeftijd.
Lyrelle kwam in de verleiding om deze manipulatie te weigeren, om naar de Amyrlin te gaan en te klagen over wat er was gebeurd. Alleen... het nieuws van het front van de Amyrlin was chaotisch. Iets over een leger dat onverwachts was opgedoken. Er waren nog geen bijzonderheden bekend.
De Amyrlin zou beslist niet blij zijn met klachten op dit ogenblik. En, moest Lyrelle toegeven, ze wilde zelf ook klaar zijn met de Zwarte Toren.
‘Kies er ieder twee,’ droeg Lyrelle haar metgezellen op. ‘Faolain en Theodrin, jullie nemen er ieder slechts één. Opschieten, allemaal. Ik wil hier zo gauw mogelijk weg.’
Pevara haalde Androl in toen hij een van de hutten in het dorpje in glipte.
‘Licht,’ zei ze. ‘Ik was vergeten hoe kil mijn zusters soms overkomen.’
‘Och, ik weet niet,’ antwoordde Androl. ‘Ik heb gehoord dat sommigen van jullie nog helemaal zo slecht niet zijn.’
‘Pas voor ze op, Androl,’ waarschuwde ze, naar buiten kijkend. ‘Velen zullen je zien als niets meer dan een dreiging of een stuk gereedschap dat ze kunnen gebruiken.’
‘We hebben jouw hart ook veroverd,’ zei Androl, die een kamer in liep waar Canler, Jonnet en Emarin met kommen warme thee zaten te wachten. Alle drie begonnen ze zich te herstellen van de gevechten, Jonnet het snelst. Emarin droeg de ergste littekens, de meeste ervan geestelijk. Hij was, net als Logain, onderworpen aan het bekeringsproces. Pevara zag dat hij af en toe met een van angst verwrongen gezicht voor zich uit staarde, alsof hij zich vreselijke dingen herinnerde.
‘Jullie drie zouden hier niet moeten zijn,’ zei Pevara, die met haar handen in haar zij naar Emarin en de andere twee keek. ‘Ik weet dat Logain jullie een bevordering heeft beloofd, maar jullie dragen nog steeds alleen maar het zwaard op je kraag. Als die vrouwen daarbuiten jullie zien, kunnen ze jullie als zwaardhanden binden.’
‘Ze zien ons niet,’ zei Jonnet lachend. ‘Androl kan ons hier met zijn Poorten in een vloek en een zucht weg krijgen!’
‘En wat doen we nu?’ vroeg Canler.
‘Alles wat Logain van ons wil,’ antwoordde Androl.
Logain was... veranderd sinds zijn beproeving. Androl had Pevara toegefluisterd dat hij gesloten was geworden. Hij sprak minder. Hij leek nog altijd vastbesloten om naar de Laatste Slag te gaan, maar voorlopig hield hij de mannen om zich heen en bestudeerde alles wat ze in Taims kamers hadden gevonden. Pevara was bang dat de Bekering hem vanbinnen had gebroken.
‘Hij denkt dat er misschien iets op de slagveldkaarten staat die hij in Taims kamers heeft gevonden,’ zei Emarin.
‘We gaan daarheen waar Logain besluit dat we het meeste nut kunnen hebben,’ antwoordde Androl. Een rechtstreeks antwoord, maar het zei niet echt veel.
En hoe zit het met de Draak?’ vroeg Pevara behoedzaam.
Ze voelde Androls onzekerheid. De Asha’man Naeff was naar hen toe gekomen met nieuws en opdrachten, en daar zat het een en ander aan vast. De Herrezen Draak had geweten dat niet alles goed was in de Zwarte Toren.
‘Hij heeft ons opzettelijk met rust gelaten,’ zei Androl.
‘Hij zou zijn gekomen als het kon!’ zei Jonnet. ‘Neem dat maar van mij aan.’
‘Hij heeft ons niet geholpen,’ bromde Emarin, ‘ook al hadden we hier het leven kunnen laten. Hij is een hard man geworden, misschien wel gevoelloos.’
‘Het maakt niet uit,’ zei Androl. ‘De Zwarte Toren heeft geleerd zonder hem te overleven. Licht! We hebben altijd zonder hem overleefd. Hij heeft amper iets met ons te maken gehad. Logain is degene die ons hoop gaf. Logain is degene die mijn trouw krijgt.’
De anderen knikten. Pevara had het gevoel dat hier iets belangrijks gebeurde. De mannen hadden hoe dan ook niet eeuwig op hem kunnen blijven steunen, dacht ze. De Herrezen Draak zou sterven bij de Laatste Slag. Opzettelijk of niet, de Draak had hun de mogelijkheid geboden op eigen benen te staan.
‘Ik zal zijn laatste bevel echter wel ter harte nemen,’ vervolgde Androl. ‘Ik zal niet alleen maar een wapen zijn. De smet is gereinigd. We vechten niet om te sterven, maar om te overleven. We hebben een réden om te leven. Maak het bekend onder de andere mannen, en laten we zweren Logain te steunen als onze leider. En dan naar de Laatste Slag. Niet als onderdanen van de Herrezen Draak, niet als pionnen van de Amyrlin Zetel, maar als de Zwarte Toren. Als onszelf.’
‘Als onszelf,’ fluisterden de andere drie instemmend.
22
De Wyld
Egwene schrok wakker toen Gawein zijn hand over haar mond legde en ze spande haar spieren, terwijl herinneringen terugkeerden als het licht van een zonsopgang. Ze verstopten zich nog steeds onder de kapotte kar. De lucht rook nog steeds naar verbrand hout. Het land om hen heen was donker als pek. Het was nacht.
Ze keek Gawein aan en knikte. Was ze echt ingedommeld? Dat had ze niet voor mogelijk gehouden, onder de omstandigheden.
‘Ik ga proberen weg te glippen,’ fluisterde Gawein, ‘om ze af te leiden.’
‘Ik ga mee.’
‘Ik ben geruislozer.’
‘Jij hebt nog nooit geprobeerd iemand uit Tweewater te besluipen, Gawein Trakand,’ zei ze. ‘Ik durf er honderd Tar Valonse marken onder te verwedden dat ik de stilste van ons twee ben.’
‘Ja,’ fluisterde Gawein, ‘maar als jij binnen tien passen van een van hun geleiders komt, merken ze je op, hoe stil je ook bent. Ze lopen de hele tijd al door het kamp, vooral langs de randen.’
Ze fronste. Hoe wist hij dat? ‘Je bent al op verkenning geweest.’
‘Een beetje,’ fluisterde hij. ‘Ze hebben me niet gezien. Ze doorzoeken de tenten, nemen iedereen gevangen die ze tegenkomen. We zullen ons hier niet veel langer kunnen verstoppen.’
Hij had niet moeten weggaan zonder het haar te vragen. ‘We...’
Gawein verstijfde en Egwene brak haar zin af en spitste haar oren. Schuifelende voeten. Ze schoven een stukje achteruit en keken toe terwijl tien of twaalf gevangenen naar de open ruimte werden geleid waar de bevelstent had gestaan. Sharanen zetten fakkels op palen rondom de haveloze gevangenen. Een paar van hen waren soldaten, zo ernstig mishandeld dat ze amper nog konden lopen. Er waren ook koks en arbeiders bij, en die hadden zo te zien de zweep gekregen. Hun broeken waren gerafeld en ze droegen geen van allen nog een hemd.
Op hun ruggen had iemand een teken getatoeëerd dat Egwene niet herkende. Althans, ze dacht dat het tatoeages waren, maar misschien waren de tekens er wel in gebrand.
Terwijl de gevangenen werden verzameld, klonk er een kreet. Enkele minuten later kwam er een donkere Sharaanse wachter aanlopen. Hij had een boodschappenjongen bij de kraag die hij kennelijk in het kamp had aangetroffen. Hij scheurde het hemd van de huilende jongen af en duwde hem op de grond.