De Sharaan, vreemd genoeg, droeg een mantel met een groot ruitvormig gat in het rugpand. Egwene zag dat hij zelf ook een teken op zijn rug had, een tatoeage die op zijn donkere huid amper te zien was. Zijn kleding oogde formeeclass="underline" een wijde, stijve mantel die bijna tot op zijn knieën hing. Het kledingstuk was mouwloos, maar hij droeg er een hemd met lange mouwen onder, met ook weer een ruitvormig gat in het rugpand.
Een andere Sharaan stapte uit de duisternis tevoorschijn, en deze man was bijna geheel naakt. Hij droeg een gescheurde broek, maar geen hemd. In plaats van een tatoeage op zijn rug had hij tatoeages op zijn schouders. Ze kropen tegen zijn nek omhoog als verstrikte lianen en omvatten zijn kin en wangen. Het leken wel honderd verstrengelde handen, lange vingers met klauwen die van onderaf zijn hoofd vasthielden.
Deze man liep nu naar de knielende boodschappenjongen. De andere wachters schuifelden heen en weer. Ze voelden zich niet op hun gemak bij die kerel, wie hij ook was. Hij stak snerend zijn hand uit.
Ineens vlamde er op de rug van de jongen een tatoeage op net als die bij de andere gevangenen. Er kringelde rook van zijn huid op, en de jongen schreeuwde van pijn.
Gawein zoog geschrokken zijn adem naar binnen. De man met de tatoeages in zijn gezicht... die man kon geleiden.
Enkele wachters mompelden. Egwene kon de woorden bijna verstaan, maar ze praatten met een zware tongval. De geleider hapte naar hen als een wilde hond. De wachters stapten achteruit en de geleider beende weg en verdween in de schaduwen.
Licht! dacht Egwene.
Geruis in de duisternis ging vooraf aan de komst van twee vrouwen in wijde zijden gewaden. Een van hen had een lichtere huid dan de ander, en terwijl Egwene onderzoekend naar hen keek, zag ze dat sommige soldaten dat ook deden. Niet alle Sharanen waren zo donker als degenen die ze tot nu toe had gezien.
De gezichten van de vrouwen waren erg mooi. Fijn. Egwene kromp ineen. Voor zover ze eerder had gezien, waren deze twee waarschijnlijk geleiders. Als ze te dicht bij Egwene kwamen, voelden ze haar misschien.
De twee vrouwen bekeken de gevangenen. Bij het licht van hun lantaarns zag Egwene ook tatoeages op hun gezichten, hoewel die van hen minder verontrustend waren als die bij de mannen. Dit waren net bladeren, vanuit de nek naar voren getatoeëerd, onder de oren door en dan als bloesems over de wangen uitgespreid. De twee vrouwen fluisterden tegen elkaar, en alweer had Egwene het gevoel dat ze hen bijna kon verstaan. Als ze nu een draadje weefde om af te luisteren...
Stommeling, dacht ze. Geleiden zou haar hier het leven kosten.
Er verzamelden zich nog anderen om de gevangenen heen. Egwene hield haar adem in. Honderd, tweehonderd, nog meer mensen kwamen dichterbij. Ze praatten niet veel. Ze leken een rustig, ernstig volk, die Sharanen. De meesten die aankwamen droegen kledingstukken met opengewerkte rugpanden die hun tatoeages onthulden. Waren dat statussymbolen?
Egwene had aangenomen dat de tatoeage ingewikkelder zou worden naarmate iemand belangrijker was. Maar de officiers – ze ging er althans van uit dat ze dat waren, met hun gepluimde helmen, mooie zijden jassen en gouden pantsers die leken te zijn gemaakt van aan elkaar genaaide munten – hadden alleen kleine gaten in hun hemd, die kleine tatoeages onder hun schouderbladen onthulden.
Ze hebben stukken van hun pantsers verwijderd om de tatoeages te laten zien, dacht ze. Ze zouden vast niet strijden met ontblote huid. Dit was iets wat ze alleen bij formele gelegenheden deden.
De laatste mensen die zich bij de menigte aansloten – die naar voren werden geleid – waren nog wel de vreemdste van alle. Twee mannen en een vrouw op kleine ezels, alle drie gekleed in prachtige zijden rokken. De ezels waren behangen met gouden en zilveren kettingen.De drie mensen droegen ingewikkelde hoofdtooien met pluimen in felle kleuren. Alle drie, ook de vrouw, reden ze met ontblote borst, alleen bedekt met vele juwelen en kettingen. Hun rug was bloot en hun achterhoofd was kaalgeschoren om hun nek te tonen. Ze hadden geen tatoeages.
Dus... een soort edelen? Alleen hadden ze alle drie een hol, getergd gezicht. Ze zaten ingezakt, met hun ogen neergeslagen en bleke wangen. Hun armen leken dun, bijna skeletachtig. Zo broos. Wat was die mensen aangedaan?
Ze snapte er niets van. Die Sharanen waren al even onbegrijpelijk als de Aiel, misschien nog wel meer. Maar waarom zijn ze nu gekomen, dacht Egwene. Waarom hebben ze, na eeuwen en eeuwen van afzondering, nu eindelijk besloten hier binnen te vallen?
Toeval bestond niet, niet van deze orde van grootte. De Sharanen waren hier gekomen om een hinderlaag te leggen voor Egwenes volk en spanden samen met de Trolloks. Daar hield Egwene zich aan vast. Wat ze hier ontdekte, kon van groot belang zijn. Ze kon haar leger nu niet helpen – het Licht geve dat sommigen ervan hadden weten te ontkomen – dus moest ze ontdekken wat ze kon.
Gawein porde haar zachtjes. Ze keek hem aan en voelde zijn bezorgdheid.
Nu? fluisterde hij geluidloos, en hij gebaarde naar achteren. Misschien konden ze wegglippen nu ieders aandacht werd afgeleid door... wat hier dan ook gebeurde. Ze schuifelden stilletjes achteruit.
Een van de Sharaanse geleiders riep iets. Egwene verstijfde. Ze was gezien!
Nee. Nee. Egwene haalde diep adem en probeerde haar hart te laten bedaren, dat haast dwars door haar ribben heen leek te willen komen. De vrouw sprak tegen de anderen. Egwene dacht de woorden ‘het is gebeurd’ in die vette tongval te hebben opgevangen.
De groep mensen knielde neer. Het trio met sieraden boog het hoofd nog verder. En toen, vlak bij de gevangenen, bochelde de lucht.
Egwene kon het niet anders beschrijven. De lucht bochelde en... en leek te verscheuren, te kronkelen zoals boven een weg op een warme dag. Er vormde zich iets in die verstoring: een lange man in een glinsterend pantser.
Hij droeg geen helm en had donker haar en een lichte huid. Hij had een beetje een haakneus en was heel knap, vooral met dat pantser. Het leek geheel uit munten te bestaan, zilverachtig en overlappend. De munten waren zo glanzend opgepoetst dat ze als een spiegel de gezichten om hem heen weerkaatsten.
‘Goed werk,’ zei de man tegen degenen die voor hem bogen. ‘Jullie mogen gaan staan.’ Zijn stem droeg een spoortje van de Sharaanse tongval, maar niet zo zwaar als bij de anderen.
De man legde zijn hand op de knop van het zwaard aan zijn middel toen de anderen opstonden. Uit de duisternis achter hem stapte een groep geleiders naar voren. Ze maakten een soort deinende buiging voor de nieuwkomer. Hij trok een van zijn handschoenen uit, stak in een achteloos gebaar zijn hand uit en aaide een van de mannen over zijn hoofd zoals je een hond achter de oren zou krabben.
‘Dus dit zijn de nieuwe inacal,’ zei de knappe man peinzend. ‘Weten jullie wie ik ben?’
De gevangenen krompen voor hem ineen. Hoewel de Sharanen waren opgestaan, waren de gevangenen zo slim geweest om op de grond te blijven. Geen van hen sprak.
‘Dat vermoedde ik al,’ zei de man. ‘Hoewel je nooit weet of je roem je niet onverwacht vooruit is gesneld. Zeg het, als je weet wie ik ben. Zeg het, en ik zal je vrijlaten.’
Geen antwoord.
‘Nou, luister en onthoud dit,’ vervolgde de man. ‘Ik ben Bao, de Wyld. Ik ben jullie verlosser. Ik ben door de diepten van het verdriet gekropen en ben opgestaan om mijn roem te aanvaarden. Ik ben op zoek naar wat me is afgenomen. Onthoud dat.’
De gevangenen krompen nog verder ineen, overduidelijk niet wetend wat ze moesten doen. Gawein trok aan Egwenes mouw en gebaarde naar achteren, maar ze kwam niet in beweging. Er was iets met die man...
Ineens keek hij op. Hij richtte zich op de vrouwelijke geleiders en keek toen om zich heen, turend in de duisternis. ‘Kennen jullie inacal de Draak?’ vroeg hij, hoewel hij verstrooid leek. ‘Spreek. Geef antwoord.’