Выбрать главу

‘Ik heb hem gezien,’ antwoordde een van de gevangen soldaten. ‘Een paar keer.’

‘Heb je hem gesproken?’ vroeg Bao, die wegwandelde bij de gevangenen.

‘Nee, heer,’ antwoordde de soldaat. ‘De Aes Sedai, die hebben wel niet hem gesproken. Ik niet.’

‘Ja. Ik was al bang dat we niets aan jullie zouden hebben,’ zei Bao. ‘Dienaren, we worden bespied. Jullie hebben dit kamp niet zo goed doorzocht als jullie beweerden. Ik voel nog een vrouw die kan geleiden.’

Er ging een steek van schrik door Egwene heen. Gawein trok aan haar arm en wilde weg, maar als ze wegrenden zouden ze zeker worden gevangen. Licht! Ze...

De menigte draaide zich om toen er een geluid klonk bij een van de ingestorte tenten. Bao stak zijn hand op, en Egwene hoorde een woedende kreet in de duisternis. Even later zweefde Leane door de menigte Sharanen. Ze was vastgebonden met Lucht en haar ogen waren groot van schrik. Bao haalde haar naar zich toe en hield haar omhuld met wevingen die Egwene niet kon zien.

Egwenes hart bleef tekeergaan. Leane leefde nog. Hoe had ze zich verborgen gehouden? Licht! Wat kon ze doen?

‘Ach,’ zei Bao. ‘Een van die... Aes Sedai. Jij, heb jij de Draak gesproken?’

Leane antwoordde niet. Ze hield haar gezicht uitgestreken.

‘Indrukwekkend,’ zei Bao, die zijn vingers onder haar kin legde. Hij stak zijn andere hand op, en ineens begonnen alle gevangenen te kronkelen en schreeuwen. Ze vlogen krijsend van pijn in brand.

Egwene moest zichzelf er uit alle macht van weerhouden naar de Ware Bron te grijpen. Ze huilde tegen de tijd dat het voorbij was, hoewel ze het niet eens had gemerkt.

De Sharanen schuifelden met hun voeten.

‘Wees niet ontstemd,’ zei Bao tegen hen. ‘Ik weet dat jullie veel moeite hebben gedaan om er een paar levend voor me te vangen, maar ze zouden slechte inacal zijn geworden. Ze zijn er niet mee grootgebracht, en in deze oorlog hebben we geen tijd om ze op te leiden. Het is een genade om ze nu te doden, vergeleken met wat ze anders hadden moeten doorstaan. Bovendien zal deze, deze... Aes Sedai onze doelen dienen.’

Leanes serene masker had het begeven, en ondanks de afstand zag Egwene haar haat.

Bao hield nog altijd zijn hand onder haar kin. ‘Je bent een mooi schepsel,’ zei hij. ‘Helaas is schoonheid betekenisloos. Je moet een boodschap voor me overbrengen, Aes Sedai, aan Lews Therin. Degene die zichzelf de Herrezen Draak noemt. Zeg dat ik ben gekomen om hem te doden, en daarbij zal ik deze wereld opeisen. Ik zal nemen wat altijd van mij had moeten zijn. Vertel hem dat. Vertel hem dat je me hebt gezien, en beschrijf hoe ik eruitzie. Hij zal me kennen.

Net zoals de mensen hier hém hadden verwacht dankzij voorspellingen, net zoals ze hém hebben overladen met roem, zo hebben de mensen in mijn land op mij gewacht. Ik heb hun voorspellingen vervuld. Hij is vals, en ik ben de ware. Zeg maar tegen hem dat ik eindelijk genoegdoening zal krijgen. Hij moet naar me toe komen, zodat we het tegen elkaar kunnen opnemen. Als hij dat niet doet, zal ik slachten en vernietigen. Ik zal zijn volk grijpen. Ik zal zijn kinderen onder de slavernij brengen, ik zal me zijn vrouwen toeeigenen. Stukje bij beetje zal ik alles waar hij ooit van heeft gehouden afbreken, vernietigen of overheersen. Als hij dat wil voorkomen, zal hij naar me toe moeten komen en het tegen me op moeten nemen.

Vertel hem dat, kleine Aes Sedai. Vertel hem maar dat er een oude vriend op hem wacht. Ik ben Bao, de Wyld. Hij die alleen wordt bezeten door het land. De drakendoder. Hij kende me ooit bij een naam die ik inmiddels heb afgelegd, de naam Barid Bel.’

Barid Bel, dacht Egwene, terwijl herinneringen aan haar lessen in de Witte Toren bovenkwamen. Barid Bel Medar... Demandred.

De storm in de wolfsdroom was een veranderlijk iets. Perijn dwaalde uren door de Grenslanden, ging op bezoek bij roedels wolven en rende door droge rivierbeddingen en over verbrokkelde heuvels.

Gaul had snel geleerd. Hij zou uiteraard nog geen tel standhouden tegenover Slachter, maar hij had in ieder geval geleerd zijn kleding niet steeds te laten veranderen. Hoewel zijn sluier nog wel elke keer voor zijn gezicht sprong als hij ergens van schrok.

Ze verplaatsten zich samen door Kandor, vormden een waas in dc lucht terwijl ze van heuveltop naar heuveltop sprongen. De storm was soms sterk, soms zwak. Op het ogenblik was het spookachtig stil in Kandor. Het grazige landschap van het hoogland lag bezaaid met allerlei soorten puin: tenten, dakpannen, het zeil van een groot schip, en zelfs het aambeeld van een smid, met de punt in een modderige helling begraven.

De gevaarlijk krachtige storm kon overal in de wolfsdroom opduiken en steden en bossen verscheuren. Ze hadden Tyreense hoeden helemaal in Shienar gevonden.

Perijn kwam tot stilstand op een heuveltop, en Gaul stopte ineens naast hem. Hoe lang zochten ze nu al naar Slachter? Een paar uur, zo leek het. Aan de andere kant... hoeveel terrein hadden ze overbrugd? Ze waren nu al drie keer naar hun voedselvoorraad teruggekeerd om te eten. Betekende dat dat er een dag was verstreken? ‘Gaul,’ zei Perijn. ‘Hoe lang zijn we al bezig?’

‘Ik zou het niet kunnen zeggen, Perijn Aybara,’ antwoordde Gaul. I li| wilde naar de zon kijken, maar die was niet te zien. ‘Een hele lijd. Moeten we stoppen om te slapen?’

Dat was een goede vraag. Ineens knorde Perijns maag, dus riep hij een maaltijd voor hen op van gedroogd vlees en een homp brood, Zou opgeroepen brood hen voeden in de wolfsdroom, of zou het alleen maar verdwijnen zodra ze het opgegeten hadden?

Dat laatste. Het eten verdween al terwijl Perijn het at. Ze zouden afhankelijk zijn van hun voorraad of misschien nog wat meer moeten halen bij Rhands Asha’man tijdens de dagelijkse opening van de Poort. Voorlopig verplaatste Perijn zichzelf terug naar hun ransels, haalde er wat gedroogd vlees uit en keerde terug naar Gaul in het noorden.

Terwijl ze op de grond gingen zitten om te eten, merkte hij dat hij over de droomprikker peinsde. Hij droeg het ding bij zich, in de sluimerstand die Lanfir hem had laten zien. De prikker vormde nu geen koepel, maar Perijn kon er een maken wanneer hij wilde.

Lanfir had hem die prikker zo goed als gegeven. Wat betekende dat? Waarom sarde ze hem?

Hij scheurde een stuk gedroogd vlees af. Was Faile veilig? Als de Schaduw ontdekte wat ze deed... Hij wenste dat hij even bij haar kon gaan kijken.

Hij nam een grote slok uit zijn waterbuidel en tastte toen met zijn geest om zich heen naar de wolven. Er waren er hier honderden in de Grenslanden. Misschien wel duizenden. Hij begroette de wolven in de buurt en stuurde hun zijn geur en beeltenis. De tien antwoorden die kwamen waren geen woorden, maar zijn geest vatte ze wel als zodanig op.

Jonge Stier! Dit kwam van een wolf genaamd Witoog. De Laatste Jacht is aangebroken. Leid jij ons?

Vele wolven vroegen dit de laatste tijd, en Perijn snapte niet hoe hij het moest opvatten. Waarom, moet ik jullie leiden?

We antwoorden op jouw oproep, antwoordde Witoog. Op jouw gehuil.

Ik begrijp niet wat je bedoelt, stuurde Perijn hem toe. Kunnen jullie niet op eigen houtje jagen?

Niet op deze prooi, Jonge Stier.

Perijn schudde zijn hoofd. Een antwoord net als vele andere die hij had gekregen. Witoog, vroeg hij. Heb je Slachter gezien? De doder van wolven? Is hij jullie hierheen gevolgd?

Perijn stuurde die gedachte breed uit, en sommige andere wolven antwoordden. Ze kenden Slachter. Zijn beeltenis en geur waren doorgegeven onder vele wolven, net als Perijns eigen beeltenis en geur. Geen van de dieren had hem onlangs nog gezien, maar dat was iets vreemds van wolven: Perijn wist niet zeker hoe kort geleden hun ‘onlangs’ was.

Perijn nam een hap gedroogd vlees en merkte dat hij zachtjes gromde. Hij hield er meteen mee op. Hij had vrede gesloten met de wolf binnen in hem, maar dat betekende nog niet dat hij hem met zijn

modderpoten overal zou laten rondbanjeren.